top of page
  • Foto van schrijverPaul Bröker

Mozaïeken in de Genesis Koepel van de Basilica di San Marco in Venetië


God geeft de mens een ziel


Inleiding

Na de dood van Jezus was Marcus naar Egypte gegaan om het geloof te verkondigen. In het jaar 68 zou hij in Alexandrië de marteldood zijn gestorven.

De geschiedenis van de Basiliek van de heilige Marcus begint in 825 toen het Venetiaanse kooplieden lukte om in Alexandrië het stoffelijk overschot van de heilige Marcus op hun geloofsgenoten buit te maken. De apostel en evangelist Marcus werd nu ook de patroonheilige van Venetië.

De Basiliek van de heilige Marcus doet in feite dienst als enorme reliekschrijn voor het stoffelijk overschot van de apostel. Onder het hoofdaltaar zouden nog steeds relieken van de heilige bewaard worden.

De kerk werd in de elfde eeuw gebouwd door een Griekse bouwmeester, naar ontwerp van de Apostelkerk in Constantinopel. De kerk is dus Byzantijns van stijl.

Westelijke gevel van de Basilica di San Marco aan het schitterende plein: het Piazza San Marco met rechts de klokkentoren: de Campanila di San Marco


Plattegrond van de Basiliek van de heilige Marcus. De koepels met mozaïeken zijn alle met een cirkel in het schema opgenomen. Op de plattegrond bevindt de Genesis Koepel zich rechtsonder: nr.1 in het schema.


De Genesis Koepel

De westelijke façade van de Basiliek van de heilige Marcus heeft vijf toegangsportalen. Direct achter die westgevel bevindt zich de narthex, de voorhal van de kerk.

Gedeelte van de narthex met de Genesis Koepel


Genesis Koepel, mozaïeken ca. 1220-1235,

Basiliek van de heilige Marcus, Venetië


De koepel heeft in het midden een cirkel met blauwkleurig mozaïek en daaromheen een band met mozaïek in goudkleur. Van binnen naar buiten zien we vervolgens drie brede concentrische banden met van binnen naar buiten respectievelijk vijf, acht en dertien narratieve voorstellingen. De mozaïeken in de koepel brengen belangrijke momenten uit het scheppingsverhaal in beeld zoals dat wordt beschreven in de eerste drie hoofdstukken van het Boek Genesis.

Rondom de gouden band in het midden en rondom de eerste en de tweede band met verhalende voorstellingen zijn teksten uit het Boek Genesis aangebracht.

We zullen zien dat de ontwerper van de mozaïeken zich hebben gebaseerd op verluchtingen uit de Cotton Genesis, een grotendeel verloren gegaan manuscript uit de vierde-vijfde eeuw met het scheppingsverhaal.


De eerste omgang

Detail van het binnenste gedeelte van de Genesis Koepel met de eerste band met verhalende voorstellingen.


Het beeldverhaal begint onderaan in het midden op de foto en wordt vervolgens verteld tegen de richting van de wijzers van de klok in.

Boven de voorstellingen van de band met het beeldverhaal, staan tegen een gouden achtergrond in het Latijn de eerste zinnen uit het Boek Genesis.

De tekst volgt dezelfde richting als het beeldverhaal. Vanaf het punt van een klok die ongeveer 11.55 uur aangeeft lezen we: † In p(rin)cipio creavit d(eu)s celum e(t) tera(m) sp(iritu)s d(e)i ferebat(ur) sup(er) aquas luce(m) die(m) e(t) tenebras nocte(m) fiat fi(r)mam(en)tu(m) in medio aquaru(m): † In het begin schiep God hemel en aarde en Gods Geest zweefde over de wateren. (Genesis 1: 1-2)


Men had waarschijnlijk plaatsgebrek! We zien in ieder geval dat veel woorden maar met een enkele letter worden weergegeven en dat de woorden zonder spaties naast elkaar staan. Al met al is het een heel gepuzzel om er een beetje uit te komen!


Vóór de schepping: Gods Geest zweeft boven de wateren

boven de voorstelling lezen we een deel van de tekst in de koepel: sp(iritu)s d(e)i ferebat(ur) sup(er) aquas: en Gods Geest zweefde over de wateren. (Genesis1:2)


Het beeldverhaal begint onderaan in het midden. We zien een duif met een nimbus rondom de kop. Het is de Heilige Geest die over het water zweeft. Mooi om het onzichtbare abstracte idee van ‘Gods Geest’ op die manier zichtbaar te maken.

In het Boek Genesis lezen we dat in die tijd de aarde ongeordend en leeg was en dat er duisternis heerste over de wereldzee. Op het mozaïek is alles overspoeld door een donkere golvende watermassa.


Eerste dag, scheiding van licht en donker en de schepping van dag en nacht

Inscriptie: luce(m) die(m) e(t) tenebras nocte(m): licht overdag en duisternis

gedurende de nacht.


God sprak: Er zij licht, en er was licht. Nu scheidde God het licht van de duisternis. Het licht noemde hij dag en de duisternis noemde hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag. (Genesis 1: 3-5)


Licht en duisternis zijn op het mozaïek werkelijk van elkaar gescheiden. In tegenstelling tot de donkere, sombere voorstelling van het eerste mozaïek straalt dit mozaïek echt licht uit. De engel die de eerste dag symboliseert heft enthousiast over de schepping van God de handen omhoog.

Twee grote lichten stralen van licht alle kanten op. Het licht van de dag is knalrood en de stralen die ervan uitgaan verlichten de ruimte goudkleurig. Vanaf de donkere cirkel van de nacht straalt slechts spaarzaam licht. De ruimte eromheen is donker.


Het woord van God

De scheppingswoorden van God staan op de koepel tegen een gouden achtergrond, want het is het woord van God! Bij elk verhaal wordt duidelijk dat God schept met zijn woord. Elk scheppingsverhaal begint met ‘God sprak’! Hij heeft zijn woorden van hetgeen er geschapen moet worden nog niet uitgesproken of het is er! De Schepper manifesteert zich uitsluitend verbaal! Dat is trouwens in het hele Oude en Nieuwe Testament het geval! Alleen Jezus, als mens geworden Zoon van God is zichtbaar.

Dat wordt mooi beschreven met de eerste woorden van het Evangelie van Johannes: “In het begin was het woord; en het woord was bij God, en het woord was God.” (Johannes 1: 1) Even later schrijft de evangelist met een enkel woord over de geboorte van Jezus: “Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” (Johannes 1: 14) Wat een poëtische diepgang! Met de geboorte van Jezus manifesteert zich het woord nu zichtbaar, als de mens geworden Zoon van God.


Tweede dag, de schepping van het firmament

Inscriptie: Fiat fi(r)mam(en)tu(m) in medio aquaru(m): Laat er een uitspansel zijn tussen de wateren. (Genesis 1: 6)


God sprak: “Er moet een gewelf komen dat de wateren van elkaar scheidt.” En zo gebeurde het … Weer werd het avond en het werd morgen: de tweede dag. (Genesis 1: 6-8)


Het mozaïek laat zien dat God het firmament heeft geschapen en dat hij het water onder het gewelf en het water erboven van elkaar heeft gescheiden.


Met de donkere baan die achter de Schepper horizontaal over het mozaïek loopt wordt het hemelgewelf of het uitspansel aangegeven. De blauwzwarte cirkel is het water boven het hemelgewelf. Wanneer het uitspansel zich opent regent het. Onder het uitspansel zien we in twee horizontale banen het golvende grijsblauwe water van de zee.


Op de mozaïeken wordt de Schepper steeds met een kruisstaf en een kruisnimbus voorgesteld. Dat verwijst naar Jezus en zijn kruisiging.

In het begin van de Christelijke beeldtraditie mocht slechts dat beeld van God worden voorgesteld dat als mens zichtbaar was geworden: de mens geworden Zoon van God. Toen Jezus op aarde was hebben de mensen zich een beeld van hem kunnen vormen. God de vader heeft zich echter nooit zichtbaar aan de mensen voorgesteld, dus de mensen konden en mochten zich daarom ook geen beeld van hem vormen!

Toch is God de Vader niet de grote afwezige in de vroegchristelijke kunst! Hij is aanwezig … in zijn Zoon! God de Zoon als beeld van zijn Vader! Dit wordt door een aantal teksten uit het Nieuwe Testament gemotiveerd.


God laat het water op aarde samenvloeien

Mozaïek met de tweede scheppingsdaad van de tweede dag


God sprak: Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen zodat er droog land tevoorschijn komt. En zo gebeurde het. Het droge noemde hij aarde het samengevloeide water noemde hij zee. (Genesis 1:9-10)


Het mozaïek laat zien dat er land is drooggevallen tussen de waterstromen. Op de donkere aarde lezen we TERRAM: aarde.


Het mozaïek toont de tweede scheppingsdaad van God op de tweede dag. Daarom worden de engelen die aangeven dat het de tweede dag van de schepping is nu weggelaten op de voorstelling.


Derde dag, de aarde wordt vruchtbaar

God sprak: de aarde moet groene planten voortbrengen,

zaaddragend gewas en vruchtbomen … Weer werd het avond en morgen: de derde dag. (Genesis 1: 11)


Op het mozaïek is goed te zien dat de aarde vruchtbaar is. Rechts hangen de bomen vol vruchten en planten schieten uit de bodem. De drie engelen geven aan dat het de derde dag is. Het werd avond en morgen, de derde dag.

Rechts onder lezen we: LIGNU(M) POMI: appelboom.


Het aantal van drie engengelen geeft aan dat deze scheppingsdaad op de derde dag van de schepping plaatsvindt. Het aantal engelen neemt toe naarmate we verder komen met de dagen van de schepping. Ik ben wel even zoet geweest met de zoektocht naar de reden dat engelen blijkbaar de achtereenvolgende dagen van de schepping kunnen symboliseren … nergens iets gevonden ... alleen een miniatuur in de Cotton Genesis! In de vele andere cycli van de schepping ben ik geen engelen tegengekomen die de dagen voorstellen. Toch lijkt het mij onmiskenbaar dat in de Genesis Koepel met het aantal engelen de dag wordt aangegeven waarop de voorgestelde scheppingsdaad plaatsvindt.


De Cotton Genesis

De Cotton Genesis is een Grieks manuscript uit het einde van de vierde-vijfde eeuw, waarschijnlijk afkomstig uit Alexandrië. Het boekwerk wordt genoemd naar een voormalige eigenaar: Robert Cotton (1570/'71-1631), een Londense verzamelaar van oude handschriften. Hij verwierf het handschrift in de 17de eeuw. De Cotton Genesis is een van de oudst bekende geïllustreerde Bijbelhandschriften.

De Cotton Genesis is in 1731 voor het allergrootste deel in vlammen opgegaan. Van het boekwerk met ruim 440 pagina's en zo'n 350 illustraties zijn nog slechts 18 pagina's zeer gedeeltelijk bewaard gebleven. De resten van het boekwerk worden bewaard in The British Library in Londen.


Er zijn voldoende redenen om ervan uit te gaan dat de illustraties in de Cotton Genesis rond 1220 in Venetië werden gebruikt bij het ontwerp van de mozaïeken in de San Marco.

Miniatuur uit de Cotton Genesis, de derde dag van de schepping, Bibliothèque Nationale de France, Parijs.


De miniatuur is een 17de-eeuwse kopie naar een verloren gegaan origineel uit de vierde-vijfde eeuw. De pagina met de originele miniatuur is in 1731 bij de brand in de Cotton-Bibliotheek verloren gegaan.

De Vierde kruistocht (1202-1204) werd financieel en met manschappen vooral gesteund door Venetië. Men gaat ervan uit dat de Cotton Genesis in 1204 bij de plundering van Constantinopel werd buitgemaakt en naar Venetië werd gebracht. Het hele museum Tesoro di San Marco ligt immers zo'n beetje vol met schatten die bij die plundering van Constantinopel (het huidige Istanbul) werden bemachtigd!

De miniatuur uit de Cotton Genesis van de Schepper met de kruisnimbus en de kruisstaf, de drie engelen, de vruchtbomen en de gehele compositie tonen overduidelijke overeenkomsten met het mozaïek met de derde dag van de schepping in de Genesis Koepel.


In de tijd dat de Cotton Genesis werd vervaardigd werd de christelijke beeldtaal voor een groot deel bepaald door de klassieke beeldtraditie. De engelen die de dagen aangeven zouden dus heel goed kunnen behoren tot de klassieke iconografie! ... En dan zit ik nu ineens te denken aan de personificatie van de Tijd, die al in de klassieke periode met vleugels werd afbeeld, immers 'de tijd vliegt'!

Voordat ik nu zomaar kan beweren dat daar de basis ligt voor de engelen in de Genesis Koepel die de dagen van de schepping aangeven, moet ik een en ander nog wel eens wat preciezer napluizen! Zo is de God van de tijd, Chronos / Tempus immers altijd een oude man ... omdat de tijd niet te schatten oud is! Maar wanneer het klopt, dan gaat het niet om engelen, maar om menselijke gestalten met vleugels die de snelheid van de tijd aangeven!


De tweede omgang

De draad van het verhaal wordt voortgezet onder het mozaïek met de Geest van God die over de wateren zweeft.

Inscriptie: Fiant Luminaria in firmamento celi: Laten er lichten komen aan het hemelgewelf. (Genesis 1: 14)


Vierde dag, de schepping van de zon, de maan en de sterren

Op de vierde dag van de schepping schiep God de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen en het kleinste om de heerschappij te voeren over de nacht, samen met de sterren. God plaatste ze aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten en te heersen over de dag en de nacht en om licht en duisternis van elkaar te scheiden. Weer werd het avond en morgen: de vierde dag. (Genesis 1: 14-18)

Het donkerblauwe hemelgewelf is nu bezaaid met sterren. Boven zien we de stralende zon en onder de vale maan.

De zon en de maan hebben een gezicht. Het zijn Apollo en Diana, in de klassieke tijd respectievelijk de god van de Zon en de godin van de maan. Ook dit zou overgenomen kunnen zijn aan de Cotton Genesis.


Vijfde dag, schepping van de dieren

Inscriptie: Dixit eciam Dominus: Producant aque reptile anime viventus et volatile super terram; Laat het water kruipende wezens voortbrengen en over de aarde vogels vliegen langs het hemelgewelf. (Genesis 1: 20)


De tekst in Genesis vermeldt ook nog dat God de grote zeemonsters schept en al het levend gewemel waarvan het water krioelt en al de verschillende soorten gevleugelde dieren. (Genesis 1: 21)

Op het mozaïek treffen we een bont gezelschap aan: in het water een groot zeemonster en allerlei soorten vissen en rechts boven een krabachtige die het op een vis gemunt lijkt te hebben. Op de oever zien we enkele watervogels, onder andere een witte reiger. In de lucht fladdert het dat het een lieve lust is.

Tweede mozaïek van de vijfde scheppingsdag


Op het mozaïek zien we rechts van de engelen een aantal pauwen. In het water zwemmen rechts en ook helemaal links een aantal zwarte watervogels en direct links van de twee watervogels rechts loert een slang op de schaaldieren en kwallen(?) op de bladeren van de drijvende waterplanten.

Op het mozaïek zien we dat God allerlei soorten landdieren schept; tamme dieren, en beesten in het wild en van alles dat over de aarde kruipt. (Genesis1: 24-25)

Derde mozaïek van de vijfde scheppingsdag

Inscriptie: ium(ent)a et o(mn)ia reptilia t(e)re i(n) g(e)n(er)e suo: vee en alle kruipende wezens van de aarde in hun soort


Op de koepel is plaatsgemaakt voor drie mozaïeken voor de scheppingen op de vijfde dag. God had het immers druk die dag! hij schiep de dieren in en op het water, de landdieren en de vogels.


Zesde en zevende dag, God schept de mens en geeft hem een ziel

Inscriptie: Faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram: laten wij mensen maken naar ons beeld en gelijkenis. (Genesis 1: 26)


Nadat God besloten had om de mens te maken schiep hij hem naar zijn beeltenis. God had het nog niet laten regenen op aarde, maar er steeg een damp op uit de aarde die de aardbodem doordrenkte. Toen vormde God de mens uit kleiaarde. (Genesis 1: 26-27 en 2: 5-7)

Evenals in de Egyptische, Griekse en Romeinse mythologie wordt ook in het Boek Genesis de eerste mens uit klei gemaakt. Het mozaïek laat zien dat de Schepper uit een donkere klomp aarde een menselijke gestalte modelleert: ‘Toen vormde God de mens uit kleiaarde’, maar daarmee was de mens nog niet helemaal af: hij bezat nog geen ziel!


God geeft de mens een ziel

'Toen vormde God de mens uit kleiaarde en blies hem levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen.' (Genesis 2:7). Dit zou ook het moment zijn geweest dat God de mens een ziel gaf. De menselijke gestalte wordt bezield door hem levensadem in te blazen.

In het artikel De menselijke ziel verbeeld, het onzichtbare zichtbaar gemaakt in de oud-Egyptische, de Klassieke en de Christelijke periode schreef ik al over de menselijke ziel / geest die in veel culturen zichtbaar wordt gemaakt met een vlinder. (zie het artikel van 26 juni 2021 op deze blog)

De bezieling van Adam wordt op het mozaïek in beeld gebracht door hem een kleine menselijke gestalte met vlindervleugels aan te reiken. Daarmee krijgt de mens verstand en een vrije wil. De ziel met vlindervleugels kan de ontwerper hebben gezien in de Cotton Genesis!


Zevende dag, God rust en de dag wordt gezegend

Inscrptie: Et b(e)n(e)dix(it) diei sept(im)o (et) i(n)spiravit i(n) facie(m) ei(us) spiraculu(m) vite facie et inspiravit in faciem eius spiraculum vite: En hij zegende de zevende dag en verklaarde die dag heilig en blies de mens levensadem in het gezicht. (Genesis 2: 2-3)


Toen God op de zevende dag zijn werk had voltooid, rustte hij. En God zegende de zevende dag en verklaarde die dag heilig. (Genesis 2: 2-3)

De Schepper zit nu op een stoel om te rusten. De engel die de zevende dag voorstelt wordt ook daadwerkelijk gezegend: God legt hem zijn hand op het hoofd.


Adam en Eva

Nadat God de eerste mens het geschapen legde hij een tuin aan op aarde. Deze hof van Eden stond vol met schitterende bomen met de meest verrukkelijke vruchten. In het midden van de tuin stond de levensboom en de boom van kennis van goed en kwaad.

Inscriptie: eciam vite in medio paradis ignumque siencie boni: En hij zette de levensboom in het midden van de tuin, en de boom van kennis van goed en kwaad.


Op het mozaïek houdt God Adam bij de hand en leidt hem de paradijstuin binnen. Adam laat de 'PORTA PARADISI' achter zich en God wijst op de bomen die vol met vruchten hangen. Hij maakt hem duidelijk dat hij van al die bomen mag eten, behalve van de boom van kennis van goed en kwaad ‘want wanneer je daarvan eet zal je sterven’. (Genesis: 2: 16-17)

God wijst Adam op de boom van kennis van goed en kwaad. De woorden boven de boom in het midden ‘LIGN(U)M POMI’ (appelboom) horen natuurlijk bij het mozaïek daarboven, bij het mozaïek waarop God op de derde dag de vruchtbomen heeft geschapen. De woorden lijken op dát mozaïek niet zo van belang. Die woorden worden pas echt belangrijk wanneer we ze in verband brengen met de boom van kennis van goed en kwaad, en vooral met de appels die daaraan zouden hebben gehangen. Het kan goed dat de ontwerper van het mozaïek dat heeft bedoeld.


God had ook een rivier in de paradijselijke tuin laten ontspringen. De rivier vertakte zich in vier stromen: de vier paradijsstromen.

Rechts van het midden zien we dat de rivieren op een klassieke manier zijn weergegeven. In de Romeinse kunst werd een rivier voorgesteld als een riviergod: over het algemeen een robuuste gestalte met een kruik in de handen. Uit die kruik stroomt water: de oorsprong van de rivier. Ook dit kan de ontwerper van het het mozaïek een miniatuur uit de Cotton Genesis hebben overgenomen!

Op het mozaïek houden twee van de personificaties van de paradijsstromen een kruik naar beneden waar water uit stroomt. Aan de oever van de rivier wemelt het van planten met kleurrijke bloemen.


De derde omgang


De dieren krijgen hun soortnaam van Adam

Inscriptie: Apellavitque Adam nominibus suis cuncta animantia: Adam gaf alle levende wezens een naam.


Het beeldverhaal gaat nu door op de buitenste band, rechtsonder de voorstelling van God die Adam het paradijs binnen leidt.

Omdat het God goed leek dat de mens niet alleen zou blijven vormde hij uit klei alle dieren op het land en alle vogels in de lucht en voerde ze naar de mens. Adam gaf de dieren hun soortnamen. (Genesis 2: 18-20)


De vorming van Eva

Adam zal het vast wel prettig hebben gevonden met al die dieren om hem heen, maar dat was het blijkbaar toch niet helemaal! Toen God dat begreep bracht hij Adam in diepe slaap en terwijl hij sliep nam hij een van zijn ribben. (Genesis 2: 22)

Op het mozaïek buigt God zich naar de in diepe slaap verzonken Adam. Bij hem wordt daadwerkelijk een rib uit het lichaam genomen.


De vorming van Eva

En daarna vormde God een vrouw uit de rib ...


... en hij bracht haar naar Adam. (Genesis 2: 22)

De Schepper brengt Eva bij Adam, origineel fragment van een deels bewaard gebleven pagina uit de Cotton Genesis, verkoold perkament, oorspronkelijke pagina ca. 27 x 22 cm., 4de – 5de eeuw, Alexandrië(?), British Library, Londen


Wanneer we het mozaïek vergelijken met een bewaard gebleven fragment van de Cotton Genesis … het kan haast niet anders dat de ontwerper van het mozaïek deze voorstelling heeft gebruikt!


De slang verleidt Eva

De slang, als personificatie van het kwade veinst onbegrip. Hij zegt tegen Eva: “Heeft God u werkelijk verboden van de vruchten in de tuin te eten?” Eva maakt de slang duidelijk dat het verbod alleen geldt voor de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad. Wanneer wij toch van die boom eten zullen wij sterven! De slang probeert Eva duidelijk te maken dat God dat alleen heeft verboden omdat hij bang is dat zij na het eten van de vruchten van de boom gelijkwaardig aan hem zullen worden: "Jullie zullen helemaal niet sterven!" Adam kijkt de andere kant op!

Het gebaar dat Eva met haar wijsvinger in de richting van de kop van de slang maakt duidt erop dat zij in gesprek is met de slang.


De zondeval

Inscriptie: Eva accipit pomum et dat viro suo: Eva pakt de appel en geeft hem aan haar man.


Uiteindelijk is Eva niet bestand tegen de verleidelijke woorden van de slang. Zij plukte van de vruchten van de boom en at ervan. Daarna liet zij ook Adam ervan eten. (Genesis 3: 1-6)


Op het mozaïek is de slang verdwenen! Eva strekt haar hand uit om van de boom te plukken. Rechts staat zij bij Adam en heeft hem een vrucht gegeven die hij naar zijn mond brengt.


Adam en Eva bedekken zich met bladeren

Nadat zij van de verboden vrucht hadden gegeten gingen hun ogen open en realiseerden zij zich dat zij naakt waren. Zij bedekken zich met bladeren van een vijgenboom. Toen Adam en Eva God hoorden naderen verborgen zij zich voor hem.


Het mozaïek laat zien dat Adam en Eva voor het eerst in de cyclus hun schaamdelen bedekken. De afbeeldingen van het eerste mensenpaar toonden steeds mensen die zich op geen enkele manier schaamden voor hun naaktheid.

Op het mozaïek heeft Adam zich naar God gekeerd … Toen God naar hen toe liep zei Adam: “Toen ik u hoorde naderen heb ik mij voor u verborgen gehouden omdat ik bang was voor mijn naaktheid.”


Doorverwijzing van de schuld

God zei: “Wie heeft u verteld dat u naakt bent. Hebben jullie soms van de boom gegeten waarvan ik het verboden heb te eten?” Adam: “De vrouw die gij mij tot gezellin hebt gegeven gaf mij van de boom.” Ook Eva probeert haar straf te ontlopen door God voor te houden: “De slang heeft mij verleid en toen heb ik ervan gegeten.” (Genesis 3: 7-14)


Het mozaïek laat zien dat God zich bestraffend tot Adam keert. Adam ziet de bui al hangen en ziet een kans om de schuld op Eva af te schuiven: Laf wijst hij met zijn rechterhand op Eva: ‘het komt allemaal door haar’!


Het vonnis

Adam en Eva en ook de slang krijgen hun straf te horen.


Toen sprak God tot de slang: “Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder alle tamme en wilde dieren, op uw buik zult gij kruipen, stof vreten uw leven lang.” Op het mozaïek zien we inderdaad dat de slang vanuit een struik naar de grond kruipt: ‘op uw buik zult gij kruipen…’.

Gespannen en met de handen bij elkaar geknepen luisteren Adam en Eva naar hun vonnis. En tot de Eva sprak hij: “De lasten van uw zwangerschap zal ik verzwaren en met smart zult gij kinderen baren.” … En tot Adam: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en omdat u van de boom hebt gegeten waarvan ik u verboden heb te eten is de aardbodem vervloekt. Alleen door levenslang te zwoegen zullen jullie ervan kunnen eten. In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, totdat gij terugkeert tot de aarde waaruit gij bent genomen …” (Genesis 3: 14-19)


Adam en Eva krijgen kleren van God

God kleedt Adam en Eva.


Het vonnis pakte zwaar uit voor Adam en Eva en ook voor al hun nakomelingen. Behalve de straffen voor Adam en al zijn mannelijke nazaten en Eva en haar vrouwelijke nazaten werd hen en de mensheid in zijn algemeenheid vreselijke ellende in het vooruitzicht gesteld. Zo wordt expliciet vermeld dat de toegang tot de levensboom wordt versperd … de mens werd sterfelijk! (Genesis 3: 22-23) Toch was er blijkbaar enige clementie! Buiten de muren van de hof van Eden zal er wel geen sprake zijn geweest van een paradijselijk weertje! De vijgenbladeren zouden de kou op aarde niet veel dragelijker maken: ‘Jahweh maakte kleren van dierenhuid voor de mens en zijn vrouw en bekleedde hen daarmee’. (Genesis 3:21)


Het moment dat God Adam en Eva in de kleren steekt wordt maar zelden afgebeeld. Op het mozaïek heeft Adam zijn kleren al aan en God helpt Eva bij het aantrekken van haar met bont gevoerde mantel.


God verdrijft Adam en Eva uit het Paradijs.

Inscriptie: Hic expellit eos de paradiso. Hic incipiunt laborare: Hij verdrijft ze uit het paradijs. Hier beginnen ze te werken.


Nadat God hen kleding had gegeven worden Adam en Eva naar de poort van het Paradijs gebracht. Wellicht hadden zij nog hoop dat het vonnis een waarschuwing was en dat God het daarbij zou laten. Eva lijkt nog even om te kijken om te bezien of het echt menens is en Adam moet blijkbaar nog een extra zetje van God krijgen om hem door te laten lopen. Het is dus weldegelijk menens!

Adam en Eva hebben hun eerste stappen al op de woeste aarde gezet. De tegenstelling tussen de donkere aarde en het groen achter de paradijspoort zal een bewuste keuze zijn geweest. Volgens de ontwerper van het mozaïek kregen Adam en Eva blijkbaar ook nog wat spullen mee die zij kunnen gebruiken bij het werk dat zij op aarde moeten verrichten. Adam houdt een landhak in de hand en Eva een spinrokken.

De werktuigen worden direct in gebruik genomen! Eva zit op een fraaie stoel en houdt het spinrokken en wellicht ook nog een spintol in haar hand.

Adam moet werken ‘in het zweet van zijn aanschijn’. Met een hak bewerkt hij het land. Zijn inspanningen hebben blijkbaar resultaat: achter hem zien we kleurrijke planten groeien … de woeste aarde wordt in cultuur gebracht … rechts boven graast een ram.


Gebruikte Literatuur:

- Bruno Bertoli, I Mosaici di San Marco, Milaan 1991

- Joachim Poeschke, Mosaiken in Italien, 300-1300, München

2009

- Wikipedia: ‘Cotton Genesis, geraadpleegd op 27-10-2023





212 weergaven

Comments


bottom of page