top of page
  • Foto van schrijverPaul Bröker

Asklepios, Aesculapius, Asclepius, Jezus Christus en de slang

Over het overleven van een heidense geneesheer in de christelijke cultuur, deel II: Asclepius, Jezus Christus en de slang … én de haan en de pauw 



Pauw, detail van een muurschildering in de catacomben van Priscilla,

3de eeuw n. Chr. Rome

 

Asklepios komt naar Rome, het  mythologisch verhaal

Het tweede artikel van deze serie vertelt het verhaal over de komst van Asklepios naar Rome. In het Latijn wordt de gelatiniseerde naam Asclepius of Aesculapius gebruikt. De eerste eeuwen van onze jaartelling kunnen zowel worden aangeduid als vroegchristelijk of als laat-Romeins. Het is dezelfde cultuurperiode. De vroegchristelijke cultuur wortelt immers in de klassieke cultuur. Met het verhaal van vandaag wil ik vooral de vraag beantwoorden hoe het kon gebeuren dat een klassieke, heidense heilgod in de christelijke cultuur tot in onze tijd kon overleven.

 

De Griekse god van de geneeskunst Asklepios werd als Asclepius of Aesculapius ook in Rome vereerd. Aan deze verering gaat een mythologisch verhaal vooraf. In de Metamorfosen (Boek XV: 622-744) van Ovidius (43 v. Chr.-18 na Chr.) wordt de komst van Asclepius naar Rome uitvoerig beschreven.

 

Rond 293 voor Christus werd Rome geteisterd door een pestepidemie die al vele doden had geëist. De Romeinse senaat was bevreesd voor nog veel meer slachtoffers en voor het vroegtijdige einde van de eeuwige stad. Het was al een lange traditie in Rome om bij dit soort crisissituaties de Sibillijnse boeken te raadplegen. Die crisis was er nu zeker! De senaat gaf de opdracht de boeken te openen. In deze profetische boeken las men het advies om in Rome een tempel te bouwen voor Asclepius. De senaat gaf opdracht tot de bouw van de tempel en stuurde een gezantschap naar Epidaurus om daar het beeld van de godheid te bemachtigen om het in de nieuwe tempel in Rome te plaatsen. Er wordt ook verteld dat de senaat een afvaardiging naar Delphi had gestuurd, naar de tempel van Apollo. Daar hoopte men van het orakel te vernemen hoe Rome van de ondergang zou kunnen worden gered. Daar aangekomen droeg Apollo de afvaardiging op de hulp van zijn zoon Asclepius in te roepen. Het Romeinse gezantschap begaf zich vervolgens naar Epidaurus. De afvaardiging verzocht het cultusbeeld, dat er blijk van had gegeven dat de god van de geneeskunst zich daarin sterk manifesteerde, mee naar Rome te mogen nemen. De asklepiaden waren natuurlijk niet voetstoots bereid het kostbare beeld uit hun tempel aan de Romeinen af te staan. Men besloot het oordeel van de god zelf af te wachten. 

Crispijn van de Passe de Oude, Asclepius ontvangt senatoren uit Rome, Gravure in een geïllustreerde uitgave van de Metamorfosen van Ovidius, gravure op papier: 83 x 28 mm., 1602-’07, Rijksmuseum 

 

Uit het vierregelig onderschrift kan worden opgemaakt dat

het Romeinse gezantschap door Asclepius in de tempel van Epidaurus wordt ontvangen. De Romeinse afvaardiging krijgt van Asclepius te horen dat hij tegemoet zal komen aan hun wens naar Rome te gaan.

 

Ovidius vertelt dat In de nacht daarop de godheid verschijnt aan een van de Romeinen. De god gaf te kennen dat zijn beeltenis inderdaad in Epidaurus moest blijven. De teleurgestelde Romein werd echter door de god in het vooruitzicht gesteld dat hij de volgende dag in de gedaante van een slang naar Rome zou gaan. Asclepius: "Ik zal u volgen, heb geen angst, maar laat mijn beeld hier achter. Maar let vooral op deze slang die om mijn staf kronkelt, bekijk hem heel precies, zodat u hem kunt herkennen. In die gedaante zal ik mij veranderen."

 

Tekst boven de voostelling: AESCULAPIUS IN SERPENTEM MUTATUS COMITATUR ROMANI: Aesculapius, veranderd in een slang, vergezelt de Romeinen

 

De volgende morgen verzamelden de tempelpriesters en de Romeinen zich in de tempel bij het beeld van de godheid. In de tempel werd de god gevraagd zelf aan te geven waar hij zou willen wonen. Ovidius: "Nauwelijks had hun stem geklonken of een luid gesis diende de godheid aan, een slangengedaante met hoge gouden kam. Zijn komst bracht altaar, beeld en deuren, ja zelfs de marmervloer en het gouden dak tot sidderen. Daar, midden in de tempel, stond hij met het bovenlichaam hoog opgericht; de blik waarmee hij rondkeek spatte vuur." Door die plotselinge verschijning van de god met welhaast draakachtige trekken, die ook nog eens vuur spuwde raakte de menigte verstijfd van schrik. De opperpriester herkent de godheid en roept op hem te aanbidden.  

Op de anonieme prent zien we aan de linkerkant het beeld van Asclepius in de tempel van Epidaurus. Rechts van het beeld heeft de Godheid zich in een draakachtig wezen veranderd dat vuur spuwt en door wolken wordt omgeven. In het midden van de menigte staat de opperpriester die met gebaren de mannen tot kalmte probeert te manen.



Aan de rechterkant van dit detail zien we dat Asclepius in de gedaante van een slang/draak met gespreide vleugels bij de haven van Epidaurus is aangekomen. Hij staat op het punt aan boord te gaan van het Romeinse schip dat hem naar Rome zal brengen.


Het schip komt aan bij het Tibereiland. Daar kroop Asclepius aan wal en nam zijn godsgedaante aan en maakte een einde aan de pest. Ovidius eindigt het verhaal met de opmerking: Zo kreeg Asclepius als vreemde god een plaats in Rome.

 

Esculaap op het Tibereiland in Rome, ca. 300 v.Chr.

 

Er is nog maar weinig over van de oorspronkelijke Romeinse tempel van Asclepius. Men gaat ervan uit dat de Sint Bartolomeuskerk op het eiland is gebouwd op de restanten van de tempel. In de onderste verdieping van de kerk kunt u een museum bezoeken met de fundamenten van de tempel. Op een van de muren treft men de waarschijnlijk vroegste bevestiging aan van de cultus rondom Asclepius in Rome: een reliëf met een esculaap.

De esculaap van de klassieke god van de geneeskunst kennen we nog maar al te goed als symbool van bijvoorbeeld artsen en apothekers. We zullen zien dat Jezus Christus in de Romeinse - vroegchristelijke periode veel aspecten overneemt van de klassieke god van de geneeskunst.

 

Asclepius in de christelijke cultuur; Jezus Christus als universele genezer

In de evangeliën gaat de verkondiging van het Rijk Gods, zowel door Jezus als door de apostelen, hand in hand met de genezing van zieken en de opwekking van doden. Daarmee maakte Jezus duidelijk dat alleen hij een einde kon maken aan de gevolgen van de zondeval. Wanneer Jezus naar het huis van Maria en Marta kwam, vernam hij dat hun broer Lazarus was overleden. Jezus zegt tegen Marta: "Ik ben de opstanding en het leven; wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven." (Johannes 11: 25) Daarop gingen ze naar het graf van Lazarus waar Jezus de dode opwekte.

De leer van het christendom is een echte genezingsleer. De Blijde Boodschap moet vooral worden opgevat als een boodschap van herstel en van geestelijke gezondmaking. Het was Jezus’ roeping de mensheid van de zonden te verlossen en een zorgeloos eeuwig leven te bieden.

 

Jezus de grote genezer in het Nieuwe Testament, ivoren Byzantijns reliëf met genezingen van Jezus, Museo Nazionale, Ravenna

 

Het ivoren reliëf in Ravenna was aangebracht op de voorzijde van een evangelieboek uit de 11de eeuw. In het midden zetelt Jezus als verkondiger van zijn leer zoals die in het evangelieboek door de evangelisten werd opgetekend. Tijdens zijn leven op aarde geeft Jezus er blijk van een halt te kunnen toeroepen aan de gevolgen van de zondeval. Hij geneest zieken en wekt doden tot leven. Wanneer zijn boodschap wordt nagevolgd zullen de mensen na hun aardse dood in eeuwigheid in alle gelukzaligheid in de nabijheid van God leven.

Links van de voorstelling in het midden van het reliëf geneest Jezus een blinde door zijn ogen aan te raken, daaronder geneest hij een geesteszieke die geboeid voor hem staat. Rechts wekt Jezus Lazarus op uit de dood en daaronder heeft hij de lamme genezen die zijn bed nu op de schouders draagt en kan lopen: ‘Sta op neem uw bed mee en wandel’.

Bij elk wonder houdt Jezus het kruis op zo’n manier in zijn handen dat het lijkt alsof hij daarmee geneest. Dat wordt bevestigd in de voorstelling boven de genezingen. Twee gevleugelde overwinningsgoden dragen een overwinningskrans met daarin een kruis. Door de kruisiging van Jezus werd het kwade verslagen en een einde gemaakt aan ziekte, dood en andere aardse ellende.

 

In het eerste artikel van deze serie schreef ik al dat in de vroegchristelijke theologie het christendom als een genezingsleer werd opgevat. Zo schreef Ignatius van Antiochië (Syrië: 35-50 – Rome: 110-117) : "Er is één geneesheer, Jezus Christus onze Heer". Ook de grote kerkvader Augustinus laat zich in bewaard gebleven preken in soortgelijke bewoordingen uit. Hij gebruikte geregeld de aanduiding ’Christus-Medicus’.

De overeenkomst tussen de goddelijke genezer Asclepius en de goddelijke genezer uit het Nieuwe Testament was voor velen te significant om er niet een christelijke betekenis in te mogen zien. Net als zoveel klassieke goden, godsdienstige plechtigheden en religieuze feesten, werd ook Asclepius in het christendom ingepast. Een aantal van de belangrijkste kerkvaders was geschoold in de klassieke filosofie. Het valt op dat al heel vroeg de christelijke theologie zoveel mogelijk wordt verzoend met de klassieke filosofie en mythologie.

 

Voor de kerstening van de klassieke geneesheer-godheid waren wel enige aanpassingen noodzakelijk. We komen Asclepius tegen in de zogenaamde Ovide moralisé. Het gaat hierbij om een type tekst waaraan vanaf ca. 1320 werd gewerkt. Kenmerkend is dat het gaat om uitgaven waarin de verhalen uit de Metamorphosen van Ovidius op een christelijke wijze worden geïnterpreteerd, uitgelegd én van een christelijke moraal worden voorzien.

Opvallend in dit verband is een afbeelding in de Ovide moralisé van Colaert Mansion (ca. 1430-1484). Rondom de staf van Asklepios kronkelt niet de traditionele slang. Er zijn twee draakjes aan gespiesd. In zijn laatmiddeleeuwse chirurgijnkleding wordt Asclepius voorgesteld als heelmeester die het aardse kwade, in de christelijke cultuur vaak voorgesteld als een draak, heeft verslagen.

 

Als christelijke uitleg lezen we in de Ovide moralisé van Colaert Mansion het verhaal over Asklepios die door zijn vader Apollo naar Rome was gezonden om de stad van een dodelijke ziekte te bevrijden. In de Ovide moralisé van Colaert Mansion werd de parallel getrokken tussen de opdracht van Asklepios en de opdracht van Christus. God de Vader zendt zíjn zoon naar de in zonden vervallen mensheid om de vijand van de mensen te verslaan, om hen van alle aardse kwalen te verlossen en uitzicht te bieden op een eeuwig leven. Er worden nog meer paralellen genoemd: beiden waren een zoon van God en zoon van een aardse vrouw, beiden waren als mens sterfelijk, beiden werden na hun dood ten hemel opgenomen en verenigd met hun vader.

 

In de Metamorphoses Ovidiana (1340) laat Petrus Berchorius (14de  eeuw), abt van de St. Eligiusabdij bij Parijs, zich in soortgelijke bewoordingen uit als Mansion. Ik hecht eraan om ook de versie van Berchorius te noteren om duidelijk te maken hoe men in die tijd dacht over de opdracht die Jezus van zijn Vader had gekregen. Volgens Berchorius was Asclepius door Apollo naar Rome gezonden om de stad van een dodelijke ziekte te bevrijden. Berchorius zag in de opdracht van Asklepios opmerkelijke overeenkomsten met Christus. God de Vader zendt zíjn Zoon om te zegevieren over de dodelijke vijand van de mensen om hen van alle aardse kwalen te genezen en uitzicht te bieden op een eeuwig leven.

 

De slang I

Het Christus-Medicus motief is echter al veel ouder. In de vroegchristelijke periode nemen kunstenaars veel over uit de laat-antieke beeldtaal. Het wekt daarom geen verbazing dat men voor een voorstelling van Christus als medicus te rade ging bij de klassieke beeldtaal. We hebben in het eerste artikel van deze reeks gezien dat de slang onlosmakelijk was verbonden met Asclepius.


Asclepius en Hygieia, marmeren votiefreliëf, 2de eeuw n. Chr., Rijksmuseum voor Oudheden, Leiden

 

Op het votiefreliëf in het Rijksmuseum voor Oudheden kruipt van onder de troon van Asclepius een slang naar boven. De god legt zijn linkerhand op de kop van het dier.


Sarcofaag met tronende Christus tussen de apostelen Petrus en Paulus met een leeuw en een slang aan zijn voeten, Sarcofaag, 5de eeuw n. Chr.,

Basilica di San Francesco, Ravenna

Detail sarcofaag in de Basilica di San Francesco, Ravenna

 

Op de  sarcofaag uit het eerste kwart van de vijfde eeuw in de Francescokerk van Ravenna zien we een soortgelijke voorstelling als op het reliëf in Leiden. Ook op de sarcofaag richt een slang zich op vanaf de voeten van Jezus.

Door voort te borduren op de manier waarop Asclepius werd voorgesteld, zullen de pas bekeerde gelovigen weinig problemen hebben gehad met het herkennen van Christus als de nieuwe goddelijke genezer. De Christen die in de sarcofaag lag begraven, mocht de hoop koesteren dat hij door Christus uit de dood zal worden verlost.

 

Al in de vroegchristelijke tijd wordt Christus voorgesteld als heelmeester die al het kwade op aarde overwint. Door deze goddelijke arts wordt de mensheid genezen van alle aardse kwalen. In tegenstelling tot zijn aardse vakbroeders kan hij zieken niet alleen genezen, maar ook eeuwig leven in het vooruitzicht stellen. Dat is een veelvoorkomend thema op Romeinse-vroegchristelijke sarcofagen. Ik heb hier al eerder over geschreven in het artikel Sarcofagen I, voegchristelijke grafkunst in Arles, 12 nov. 2022, op deze blog. In dat artikel wordt de nadruk gelegd op Jezus die op aarde is gekomen om de mensen te genezen en op te wekken uit de dood.

 

Op de christelijke sarcofagen treffen we nog andere voorstellingen aan die in verband moeten worden gebracht met het Christus-Medicusmotief. Het gaat hierbij om een kleine, steeds terugkerende selectie verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament die de dode uitzicht biedt op een mogelijkheid de dood te overwinnen. Wanneer er verhalende voorstellingen van thema’s uit het Nieuwe Testament op deze marmeren doodskisten zijn aangebracht, gaat het bijna steeds om thema’s waarbij Christus mensen behoedt voor onheil als honger en dorst, zieken geneest, en doden tot leven wekt. De meest voorkomende onderwerpen zijn de opwekking van Lazarus (Johannes 11:1-4), de genezing van de lamme (Mattheus 9:1-8) de genezing van een blinde (Johannes 9:1-7) en de wonderbare vermenigvuldiging van de vijf broden en vijf vissen om een grote hongerige menigte te spijzigen (Johannes 6:1-13). Natuurlijk was ook een voorstelling van Jezus’ eigen opstanding uit de dood voor de mensen buitengewoon betekenisvol. Daarmee toonde hij de weg die ook zij na hún dood kunnen gaan.

Behalve Nieuwtestamentische verhalen komen we reliëfs met veelzeggende thema’s uit het Oude Testament tegen: Noah die met de ark de zondvloed overleeft (Genesis hfst. 6 t/m 8), het offer van Isaak dat op het laatste moment niet door ging (Genesis 22:1-19), de ontsnapping van het Uitverkoren Volk bij de doortocht door de Rode Zee (Exodus 14:19-31), Mozes die water uit de rots slaat om zijn dorstige volk te laven (Exodus 17:1-7 en Numeri 20:1-13), Daniël in de leeuwenkuil (Daniël 6) en het verhaal van Jonas die na verzwolgen te zijn door een zeemonster het er uiteindelijk toch nog levend vanaf bracht (Jonas 2) en de redding van de drie jongelingen uit de vurige oven (Daniël 3). Wanneer u goed kijkt ziet u de laatste twee thema’s op het ivoren reliëf met Jezus als genezer in het Museo Nazionale in Ravenna. (zie vrijwel bovenaan in dit artikel)

 

Het is duidelijk dat het ook hier gaat om verhalen over mensen die de dood voor ogen stond of al dood waren. Door goddelijk ingrijpen werden zij aan de dood onttrokken. Op de christelijke sarcofagen moesten de voorstellingen de mensen de hoop geven dat ook zij gered kunnen worden.


Sarcofaag van Marcus Claudianus, ca. 350-375 n. Chr.,

Museo Nazionale Romano, Palazzo Massimo alle Terme, Rome

 

Detail sarcofaag van Marcus Claudianus


Vanaf linkerkant van het detail van de sarcofaag staat Jezus voor een aantal wijnkruiken. De middelste raakt hij met zijn staf aan en het water verandert in wijn: het wijnwonder tijdens het bruiloftsfeest te Kana. Rechts van de vrouw staat Jezus voor een aantal korven met brood: de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Daarnaast geneest Jezus een blinde man en helemaal rechts wordt de opwekking van Lazarus voorgesteld. De vrouw daaronder is naar mijn gevoel een van de zussen van Lazarus die dankbaar voor Jezus’ opwekking van haar broer voor hem op de knieën is gevallen. Meestal wordt echter verwezen naar Jezus’ genezing van de vrouw die aan bloedvloeiing leed en genas door het kleed van Jezus aan te raken.

 

De haan

Ook andere voorstellingen op laat-Romeinse / vroegchristelijke stenen lijkkisten zinspelen op een mogelijkheid van een nieuw leven na de dood. Op sommige christelijke sarcofagen treffen we een voorstelling aan waarvan we in het eerste artikel van deze reeks al zagen dat deze in verband kan worden gebracht met Asclepius: de haan.

Op dit detail van de sarcofaag van Marcus Claudianus wekt Jezus Lazarus op uit zijn graf. Aan de voeten van Jezus staat een haan. Met betrekking tot de haan bij Jezus wordt wel verwezen naar het verhaal van de verloochening van Petrus. Dat verhaal past naar mijn gevoel niet bij het hoofdthema op sarcofagen zoals ik dat hierboven heb samengevat.

De haan wordt opgevat als de aankondiger van de dageraad. Een ernstig zieke bevond zich in de macht van de dood. Genezing werd opgevat als terugkeer naar het leven. Na het verslaan van de duisternis van de nacht stelde Asclepius de genezen mensen bij het wakker worden uit de tempelslaap in staat de dageraad van de nieuwe de nieuwe dag te aanschouwen. Zij voelden zich herboren. Bij de opwekking van Lazarus past die haan op de sarcofaag natuurlijk heel goed bij Jezus!

De haan als aankondiger van de nieuwe dag verwijst op de christelijke sarcofaag natuurlijk niet naar de heidense geneesheer Asclepius, maar naar de genezingen en opwekkingen die werden verricht door ‘Christus Medicus’ zoals Jezus door Augustinus werd getypeerd.

De klassieke tijd loopt door in de vroegchristelijke periode. In die tijd werden weliswaar uiterlijke aspecten van de klassieke goden overgenomen, maar niet hun godheid! Asclepius wordt in de christelijke cultuur niet als god, maar als personificatie van de geneeskunst voorgesteld. Zie in de literatuurlijst het fraaie boek van Seznec: The Survival of the Pagan Gods. 


Detail van een gravure uit Kortbondige Spreuken wegens de ziektens, te kennen en te geneezen van de Nederlandse arts, Herman Boerhaave, Amsterdam, 1741


Op de prent uit het boek van de Nederlandse arts Herman Boerhaave (1668-1738) zetelt de personificatie van de geneeskunst op een hoge troon. Hij is te herkennen aan zijn slangenstaf én aan de haan die rechts voor hem staat. De voorstelling van de personificatie van de geneeskunst is geïnspireerd op het cultusbeeld in Epidaurus. Dat wil dus niet zeggen dat men in de tijd van Boerhave die antieke heilgod als god vereerde. Voor hem was een andere God in de plaats gekomen.


Christus als geneesheer tegen het kwade

Omdat Christus heeft aangetoond dat hij over de gave van de geneeskunst beschikte, is het niet vreemd dat hij als arts wordt voorgesteld.

 

Op deze houtsnede uit omstreeks 1510 herkennen we Christus aan het kruisaureool en aan zijn gelaat. Met een urinaal in de hand wordt hij op de houtsnede voorgesteld als een medicus. Hij houdt het urineglas tegen het licht om de inhoud beter te kunnen beoordelen. In de klassieke oudheid was het doorlichten van de urine al een bekend verschijnsel. Na verloop van tijd kon men er steeds meer ziektes of aandoeningen mee vast stellen.

Onder de houtsnede staat een tweeregelig versje (hier niet mee gefotografeerd): Doctor Jhesus die meester principael / Staet en siet in den urinael.

 

Ulrich Pinder's staalkaart t.b.v. de beoordeling van urine,

1506, Folger Shakespeare-Library, Washington, D.C., Verenigde Staten 

Aan de hand van de Tabule urinarum kon een diagnose worden gesteld.

 

Het zogenaamde ‘piskijken’ werd zo’n herkenbare medische handeling dat een dokter aan de hand van een urinaal als dokter op kunstwerken herkenbaar is.

 

 Miniatuur met de bedlegerige John, hertog van Normandië, en artsen die zijn urine onderzoeken, ca. 1380–1400

 

Jan Steen, De Piskijker, olieverf op doek: 41 x 35,5 cm., ca. 1633-1635,

Museum De Lakenhal, Leiden

 

Terwijl de arts zowel de urine controleert en de pols voelt van de jonge vrouw, wachten moeder en dochter gespannen op de uitslag. Het verhaal wil dat er op het schilderij een zwangerschapstest wordt uitgevoerd! Er wordt dan gewezen naar het testje op de voorgrond waarin gloeiende kooltjes liggen. Vanaf de vloer ligt er een veter in de kooltjes te smeulen. Er komt een streep rook naar boven. Wanneer de jonge vrouw de rook inademt en moet braken is zij zwanger, wanneer zij niet overgeeft is de test negatief. Het motief van een dokter bij een jonge vrouw in combinatie met dat testje en die rokende veter komt in de Nederlandse 17de-eeuwse schilderkunst veel voor.

 


Jezus als arts met een urinaal en een aureool om het hoofd, uit de anonieme serie De vier gedaanten van de arts, ca. 1600-1625, naar een gravure van Hendrick Goltzius, Museum Boerhaave, Leiden

 

De pauw

De pauw is geen dier dat in de klassieke tijd met Asclepius in verband werd gebracht. Toch vernemen we uit de Romeinse tijd al over pauwen die opgevat worden als symbool van onvergankelijkheid en onsterfelijkheid. Met een kleine omweg komen we toch weer bij Jezus als geneesheer uit.

 

De Romeinse schrijver Plinius de Oude (23/24-79 n. Chr.) verzamelde in Naturalis historia (ca 150) alles wat hij aan wetenswaardigheden en feiten bij oude schrijvers, filosofen en andere vermaarde figuren kon vinden. Hij gebruikte zijn aantekeningen om een compleet beeld van de wereld te schetsen. Zo vernemen we van Plinius dat het vlees van een pauw, na de dood van het dier niet tot ontbinding zou overgaan. In De civitate Dei, Over de stad van God (413-426) onderschrijft en herhaalt Augustinus de woorden van Plinius en voegt daar nog aan toe dat de pauw, die zijn staartveren verliest en ze in de lente weer ziet aangroeien een symbool is voor de onvergankelijkheid van de menselijke ziel en voor verjonging en verrijzenis.

De pauw komt daarom vanaf die tijd naar voren als symbool van onsterfelijkheid. Met deze betekenis komen pauwen erg veel voor in de christelijke catacomben en op christelijke sarcofagen.

 

Pauw in de catacomben van Priscilla, 3de eeuw n. Chr. Rome

  

 Sarcofaag, 5de eeuw, Basilica of Sant'Apollinare in Classe, Ravenna

 

Op de zijkant van de sarcofaag wordt het kruis van Jezus door twee pauwen geflankeerd. De pauwen staan in het paradijs op een berg. Op de flanken van de berg ontspringen de vier paradijsstromen (Genesis 2:10), bronnen van levend water, bronnen die nooit zullen ophouden te stromen.

De voorstelling getuigt van de redding die is verkregen door het offer van Christus aan het kruis. Daardoor kunnen de mensen hun onsterfelijkheid terugkrijgen en voor eeuwig in het paradijs zijn.


 De zogenoemde Pauwensarcofaag, 5de eeuw, San Vitale, Ravenna

 


Apothekerspot met twee pauwen


We komen pauwen buitengewoon vaak tegen op oude apothekerspotten.

 

Delfts aardewerken apothekerspot met twee pauwen begin, 17de eeuw

De pot was bestemd voor 'Theriac van Andr[omache]'

 

Theriak; Christus als antidotum tegen het helse gif

Theriak bestond uit een groot aantal verschillende stoffen. Ik heb de indruk dat de samenstelling van dit buitengewoon populaire geneesmiddel sterk kon wisselen. Essentieel was blijkbaar een hoog percentage slangenvlees en opiaten die nooit lijken te ontbreken. Het geneesmiddel was vooral bekend om zijn anti-vergiftigende eigenschappen. Vermaard was blijkbaar de samenstelling van de theriak van Andromache, de lijfarts van keizer Nero.

 

Men moet al in de oudheid van de genezing brengende activiteit van de slang zo overtuigd zijn geweest, dat slangenvlees in een bepaalde vorm gedoceerd, zijn placebo effect niet zal hebben gemist en daarom in veel gevallen ook werkelijk genezing bracht. Tot in de 19de eeuw werd dit geneesmiddel, in steeds wisselende samenstellingen toegepast. Steeds waren opiaten en slangenvlees de belangrijkste ingrediënten.

 

 Jan van Eyck, De Heilige Hieronymus in zijn studeerkamer, olieverf op paneel: 20,6 x 13,3 cm., 1442, The Detroit Institute of Arts, Detroit, Verenigde Staten


Detail Jan van Eyck, Heilige Hieronymus in zijn studeerkamer

 

Behalve veel boeken treffen we in de boekenkast van Hieronymus een apothekerspot aan met daarop het opschrift Tyriaca. Daarbovenop ligt een appel. De betekenis van de theriakapot en de appel is niet moeilijk te achterhalen. De appel verwijst naar het verhaal van de zondeval en vanwege de klankovereenkomst van de Latijnse woorden màlum: appel en malum: het kwade, naar zonde in zijn algemeenheid. De pot met theriak, het geneesmiddel dat in het bijzonder zijn kracht en waarde als tegengif aan de slang ontleende, werd tot symbool van hét universeel geneesmiddel: Christus-Redder. Op het schilderij van Jan van Eyck wordt de apothekerspot met theriak opgevoerd als symbool van redding.

 

Apothekerspot bestemd voor theriak, 1782,

apotheek van het Hôtel-Dieu de Beaune, Frankrijk

Vooral omdat de vrouw op deze pot een druiventros in de hand heeft zouden het Maria en Jezus kunnen zijn die op de voorkant van de theriacapot zijn afgebeeld. Door de komst van Jezus en zijn vergoten bloed, de wijn van de druiventros zou het kwade kunnen worden verslagen. Jezus als antigif tegen de slang die het kwade in de wereld heeft gebracht. 


Theriak en het monogram IHS of IHC, zijn op apothekerspotten in zekere zin synoniem. Jezus en theriak werden opgevat als universele genezers dat kon helpen tegen de meest uiteenlopende kwalen … en als antidotum tegen de giftige beten van de helse slang in het bijzonder!

 

De slang II, Jezus de nieuwtestamentische slang

De staf van Aäron is veranderd in een slang die de slangen van de geleerden van de faro verslindt, illustratie in Die Kölner Bibel, 1478-80,

Museum für Wesfälische literatur, Oelde, Duitsland


In het verleden werden er nog meer christelijke parallellen met Asclepius getrokken. In de Middeleeuwen werd gewezen op het verband tussen de slangenstaf van Asclepius en de staf van Aäron.

Toen Mozes en Aäron de invrijheidsstelling van het Joodse volk bij de farao bepleitten werd duidelijk dat zij door een machtige God waren gezonden. Aäron wierp zijn staf op de grond die meteen in een slang veranderde. De geleerden en tovenaars van de farao konden dat trucje ook wel, maar hun slangen werden opgepeuzeld door de slang van Aäron.

Alsof het nog zijn staf is houdt Aäron op de miniatuur in De Keulse Bijbel

de slang bij zijn staart vast. Het dier is inmiddels bezig met een van de slangen van de geleerden of tovenaars van de farao. Om de farao te overtuigen sloeg Aäron met zijn staf op het water van de Nijl. Het water veranderde in bloed, de vissen gingen dood en de mensen konden het water niet meer drinken. De plaag duurde zeven dagen en werd over heel Egypte gevoeld. (Exodus 7: 1-18) Op de miniatuur is het overigens niet Aäron, maar Mozes die op het punt staat met zijn staf op het water te slaan!


Miniatuur met Mozes en Aäron voor de farao, de broers staan voor de rivier waarvan het water rood is geworden en waarin de vissen sterven. Op de achtergrond zwoegt het volk van Israël onder de Egyptische slavernij.


De farao liet zich niet overtuigen. Er werden nog veel meer verschrikkelijke plagen over Egypte afgeroepen en uiteindelijk kon Mozes zijn volk uit de Egyptische slavernij verlossen en het naar het aardse beloofde land leiden. Jezus was op aarde gekomen om zíjn volk te verlossen van de aardse slavernij en ballingschap en heeft het de weg gewezen naar het hemelse Beloofde Land.


Verbanden werden ook gelegd tussen de door Mozes in de woestijn opgerichte koperen slang en de kruisiging van Jezus. In het boek Numeri wordt beschreven dat toen de Joden op weg naar het beloofde land door de woestijn trokken de tocht wel erg lang duurde en er werd honger en dorst geleden. Zij waren huiverig voor de toekomst. Het volk verlangde hevig terug naar de ‘vleespotten van Egypte’ (Exodus 16:3). Het juk van de Egyptische slavernij leek een rooskleuriger vooruitzicht dan in de woestijn om te moeten komen van honger en dorst. Zij verweten God en Mozes dat zij door hun toedoen in de ellende waren gekomen. God strafte hen met een plaag van giftige slangen. Velen werden door de dieren gebeten en stierven. Toen het volk zijn dwaling inzag, vroeg het Mozes God te verzoeken de slangen terug te sturen naar hun holen. God sprak daarop tot Mozes: “Maak een slang en bevestig die aan een paal; dan zal ieder die gebeten wordt en ernaar opziet in leven blijven.” Nadat Mozes een koperen slang op een paal had opgesteld, bleef iedereen die door een slang gebeten was en naar het beeld opkeek in leven. (Numeri 21: 4-9)


Pagina met de kruisiging geflankeerd door het offer van Abraham en rechts Mozes die de koperen slang opricht, Biblia Pauperum, 14de eeuw, British Library, Londen


Pagina uit de zogenoemde Bamberger Biblia Pauperum, ca. 1462-‘63, met de kruisiging, linksonder het offer van Abraham met daarnaast de oprichting van de koperen slang, Bayerische Staatsbibliothek, München

 

Op de beide pagina’s van de Biblia Pauperum wordt de oprichting van de slang door Mozes in verband gebracht met de kruisiging van Jezus. De pagina in de Bamberger Biblia Pauperum toont rechts twee Joden van wie de nek door slangen wordt omstrengeld.

De voorstellingen links met het offer van Abraham wordt ook in verband gebracht met de kruisiging, maar laat ik in dit artikel buiten beschouwing.

 

Door de zondeval zijn wij allen vergiftigd door de beten van de slang en zullen wij allen sterven.

De koperen slang die Mozes in de woestijn oprichtte om zijn volk te redden, wordt in het evangelie van Johannes door Jezus zelf opgevat als een prefiguratie, een vooruitwijzing naar zijn eigen kruisdood. Híj is de koperen slang van het Nieuwe Verbond door wie de dood overwonnen zal worden. Jezus: “Zoals Mozes de koperen slang in de woestijn oprichtte, zo wordt ook de Mensenzoon opgericht; opdat ieder, die in hem gelooft, het eeuwig leven zal hebben.” (Johannes 3: 14-15). De koperen slang die de joden genas van de slangenbeten, werd welhaast door iedereen verstaan als een vooruitwijzing naar Jezus‘ kruisdood.

De overeenkomst in de helende werking is moeilijk mis te verstaan: God schonk de Israëlieten op wonderbaarlijke wijze genezing. De mensen die, net als het volk van Israël met geloof en vertrouwen naar het kruis opzien, zullen door Christus van de beten van de helse slang worden genezen en het eeuwig leven ontvangen. In de middeleeuwse Glossa Ordinaria (9de eeuw) wordt dit beeld bevestigd en uitgebreid. Christus is de nieuwe slang die de oude paradijsslang had overwonnen. De slang uit het paradijsverhaal had de dood gebracht door Adam en Eva aan te zetten te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Daarmee had de duivel een belangrijke overwinning behaald. Na de zondeval en de verdrijving uit het paradijs waren Adam en Eva en al hun nakomelingen sterfelijk geworden. Door de helende werking van de kruisdood van Jezus konden het kwade en de dood worden overwonnen en genezing en redding worden bewerkstelligd.

 

Het is duidelijk: de betekenis en symboliek van de slang vertegenwoordigt twee aspecten. Het dier kan blijkbaar zowel onheil als genezing en voorspoed brengen. Vanwege zijn rol in het verhaal van de zondeval staat de slang voor de dood en in het verhaal van de koperen slang voor dood en redding.

Door zijn optreden in het boek Genesis heeft de paradijsslang een slechte reputatie. Net als in zoveel culturen wordt in de christelijke cultuur de slang opgevat als vijand van de mensheid. De slang is de vertegenwoordiger van de dood en van de duivel die de mens tot het kwade verleidt en hem daardoor in het verderf stort. Ondanks deze negatieve aspecten werd slangenvlees gebruikt als belangrijk bestanddeel van allerlei geneesmiddelen. Tevens wordt de slang die jaarlijks zijn vel afwerpt, een nieuwe huid krijgt en daarmee ‘herboren’ wordt, vanouds geassocieerd met genezing, verjonging en nieuw leven. Bij die laatste aspecten moeten we denken aan de slang van Asclepius, aan de slang die Mozes oprichtte en die door Jezus in verband werd gebracht met zijn eigen kruisdood. Door daar aan te denken kon de klassieke voorstelling van een slang kronkelend rond een staf overleven als embleem van apothekers en artsen.

 

Conclusie

Het esculaapteken, een voorstelling van de staf van de klassieke heilgod met een eromheen kronkelende slang, is tot op heden het symbool van de geneeskunde. Dit attribuut van Asclepius wordt verklaard uit het verhaal over de gestorven Glaukos. Het was deze opwekking uit de dood die Hades deed besluiten Asklepios bij Zeus aan te klagen. Asclepius moest de opwekking van Glaukos uiteindelijk met zijn eigen dood bekopen. Door die opwekking en zijn daaropvolgende dood konden er parallellen met Christus worden getrokken. De voorspelling die de profetes Ocyrhoë deed toen zij de pasgeboren Asclepius zag, werd in de Middeleeuwen in verband gebracht met oudtestamentische voorspellingen van de komst van Jezus op aarde en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid tot redding van de mensheid. Ocyrhoë: Jongen, groei maar op tot de redder van de hele wereld. Steeds weer zal de mensheid zijn leven aan jou te danken hebben. Je hebt de kracht hun zielen te doen herleven.” (Metamorphosen, Boek II). Daarna doet zij de voorspelling dat de redding van de mensheid  ten koste van zijn eigen leven zal gaan. Maar na zijn aardse dood zal hij door zijn vader tussen de onsterfelijke goden op de Olympus worden opgenomen.

Net als Asclepius heeft Jezus de mensen van ziekte en de dood gered. Ook hij heeft dit met zijn leven moeten bekopen. Na zijn dood werd hij eveneens opgenomen in het hemelrijk van zíjn Vader. Als prefiguratie van Jezus, als voorafbeelding van de nieuwtestamentische universele genezer, kon de antieke heilgod Asklepios / Asclepius voortleven in de christelijke cultuur.

 

Gebruikte literatuur 

·  J. Schouten, De slangestaf van Asklepios symbool van de geneeskunde proefschrift Utrecht 1963

·  J. Seznec, The Survival of the Pagan Gods, Princeton 1972

·  E.M. Moorman, en W. Uiterhoeve, Van Achilleus tot Zeus, thema’s uit de klassieke mythologie in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater, Nijmegen, 1987

·  Ovidius, Metamorphosen, vertaald in het Nederlands door M. D’Hane- Scheltema, Amsterdam 1998. De citaten van Ovidius in dit artikel zijn ontleend aan dit boek.

·  Paul Bröker, Asklepios, Aesculapius, Jezus Christus en de slang. Over de overleving van een klassieke geneesheer, in: Geschiedenis der Geneeskunst, 1999, p. 341-350

 

P.S. Wanneer ik mijn planning van de volgende week overzie, zie ik geen kans om een nieuw artikel te schrijven. De week daarna wil ik deze reeks voortzetten met een flink aantal heiligen die ieder zo hun eigen medisch specialisme blijken te hebben.

 

194 weergaven

Comments


bottom of page