• Paul Bröker

Gerechtigheidstaferelen: over partijdige en onpartijdige rechtspraak I


Dit is het eerste artikel in een serie van drie of vier die gaat over zogenaamde gerechtigheidstaferelen. Met een regelmaat van ongeveer een keer per maand kunt u de volgende artikelen van deze serie verwachten.



De rechter op de stoel van God


In Politeia (ca. 380 v. Chr.) schetst de Griekse filosoof Plato (427-347 v. Chr.) zijn ideeën over de inrichting van de ‘Staat’, zoals de titel van de Nederlandse vertaling van het boek luidt. Het boek is in dialoogvorm geschreven. De dialogen zijn echter fictief. Plato laat de gesprekspartners, onder wie Socrates (ca. 469-399 v. Chr.) onder andere discussiëren over rechtvaardigheid. Het boek sluit af met het verhaal over de soldaat Er. Er is gesneuveld in de strijd. Na tien dagen blijkt diens lichaam nog niet aan ontbinding onderhevig te zijn. Wanneer men het lichaam gereed heeft gemaakt voor de begrafenisrituelen en het op de brandstapel legt komt Er weer tot leven. Hij vertelt over zijn reis gedurende de periode na de dood. Bij monde van Socrates filosofeert Plato daarna over het idee dat mensen die een goed leven hebben geleid na de dood worden beloond en dat mensen die het kwade zochten worden gestraft.


In Staat introduceert Plato vier deugden die hij van groot belang acht voor het goed functioneren van de ideale staat:

Iustitia (Rechtvaardigheid)

Temperantia (Matigheid)

Fortitudo (Moed, Sterkte)

Prudentia (Voorzichtigheid, Verstandigheid, Wijsheid)


De kerkvader Ambrosius (339-397) noemt de genoemde deugden de ‘kardinale deugden’. In het christendom werden de vier kardinale deugden samen met de drie goddelijke deugden (Geloof, Hoop en Liefde) samengevoegd tot de zeven deugden.


Voor Plato vormt Justitia de belangrijkste deugd in de ideale staat. Wanneer de machthebbers én de burgers bij hun doen en laten door Rechtvaardigheid worden geleid, vormt dat de basis voor het goed functioneren van de andere deugden.

In de Ethica Nicomachea van Aristoteles (383-322 v. Chr.) werden de ideeën van Plato over de grondslagen van een goed georganiseerde staat uitgewerkt. Het hele vijfde boek van de Ethica Nicomachea is gewijd aan de deugd van de rechtvaardigheid. Op basis van Aristoteles werden de deugden door de invloedrijke theoloog en filosoof Thomas van Aquino (1225-1274) opgenomen in de christelijke filosofie en moraalleer, de staatsorganisatie en de kerkelijke organisatie. Daarvoor was ook de wetgeving van keizer Justinianus (527-565) van grote invloed.

In het christelijke Europa wordt al in vroege handboeken (vanaf ca. de 13de eeuw) met betrekking tot de rechtspraak erop gewezen dat een puur onafhankelijke rechtspleging de belangrijkste voorwaarde is voor het eerlijke verloop van een proces. De rechters dienen bij het uitoefenen van hun functie te oordelen zonder aanzien des persoons; zij mogen zich door niets anders laten leiden dan het zoeken naar de waarheid en daarnaar te oordelen.


De Zeven Hoofdzonden, Hieronymus Bosch

Wanneer we naar de praktijk in het verleden kijken schortte het blijkbaar nog wel eens aan de onkreukbaarheid van de zittende magistratuur. Tekenend voor de wantoestanden bij de rechtspleging is het schilderij met de zeven hoofdzonden van Hieronymus Bosch.

Detail van De Zeven Hoofdzonden en de Vier Uitersten, Hieronymus Bosch,1520-1525 olieverf op paneel: 150 x 120 cm, Museo del Prado, Madrid


De buitenrand van de grote cirkel op het schilderij is verdeeld in zeven compartimenten. Daarin worden de zeven hoofdzonden als genretaferelen voorgesteld. We hoeven niet te twijfelen aan de betekenis van de voorstellingen. Elk tafereel gaat namelijk vergezeld van een opschrift in het Latijn. Linksboven vindt een openbare rechtszitting plaats. Onderaan, links van het midden op die voorstelling lezen we Avaricia. Hier is blijkbaar de zonde van de hebzucht (Avaritia) in beeld gebracht!

Avaritia, detail van De Zeven Hoofdzonden en de Vier Uitersten, Hieronymus Bosch


In het midden herkennen we een baljuw. Hij is namelijk afgebeeld met een lange zwarte stok met knoesten. Deze zogenaamde baljuwroede of gerechtsroede is het uiterlijke waardigheidsteken dat past bij zijn rechterlijke functie. De baljuw was in een stad de belangrijkste vertegenwoordiger van de landsheer of de graaf. Hij had ook de bevoegdheid om recht te spreken. Zijn rode met wit bont afgezette mantel is een vroege voorstelling van de traditionele toga van rechters.

Op het schilderij van Bosch wordt de baljuw geflankeerd door mannen die een geschil hebben. De man links licht zijn kant van het verhaal toe. De rechter heeft zijn lichaam en gezicht naar hem toe gebogen. Hij is ogenschijnlijk een en al oor. Ongetwijfeld heeft hij de goed gevulde geldbeurs van de man opgemerkt. Tegelijkertijd zien we dat de baljuw zijn open linkerhand heimelijk naar achteren houdt. De man rechts begrijpt het gebaar en staat op het punt zíjn argumenten kracht bij te zetten door een gouden muntstuk in de hand van de omkoopbare rechter te leggen. Uit hebzucht vindt de baljuw het blijkbaar geen enkel probleem om van beide partijen steekpenningen aan te nemen. Het gezegde ‘van twee walletjes eten’ is hier wel heel treffend in beeld gebracht.


Vrouwe Justitia

Op plaatsen waar recht werd/wordt gesproken treffen we vaak voorstellingen aan van Vrouwe Justitia. Het is de personificatie van een eerlijke rechtspraak. Vrouwe Justitia is te herkennen aan een aantal attributen. In de Iconologia (1593, in 1644 in het Nederlands vertaald) van Cesare Ripa (1560-1622) lezen we welke attributen Vrouwe Justitia zoal kan hebben: zij draagt een zwaard, een weegschaal en vaak is zij geblinddoekt. Ripa legt uit waarom hij Justitia die uiterlijke kenmerken geeft:

- Het zwaard wijst erop dat de straf niet mag uitblijven wanneer die volgens het recht wordt vereist. We moeten dus denken aan het zwaard van de beul.

Ripa geeft nog een tweede betekenis voor het zwaard: hij merkt op dat een zwaard aan beide kanten even scherp geslepen dient te zijn. Het maakt dus niet uit met welke kant van het zwaard je iets raakt. Zo mag het voor een rechter ook niet uitmaken aan welke kant hij persoonlijk staat. Beide kanten van een zaak dienen even scherp belicht te worden.

- De weegschaal verwijst naar het idee dat een rechter de verschillende argumenten die door de partijen naar voren worden gebracht nauwkeurig tegenover elkaar moet afwegen teneinde tot een uitgebalanceerd vonnis te komen.

- Vrouwe Justitia is geblinddoekt omdat rechters niets mogen zien dat hen van een eerlijk vonnis afleidt. Daar komt nog bij dat een rechter moet oordelen zonder aanzien des persoons. Het mag dus niet uitmaken wie er voor hem staat: vriend of vijand, een familielid of een lastige buurman, een machtig heerschap of een persoon die geen enkele status heeft, een arme drommel of iemand die meent met geld alles naar zijn hand te kunnen zetten. De blinddoek moet de rechter erop wijzen dat hij altijd een neutraal standpunt dient in te nemen.

Vrouwe Justitia, Dirck van Delen, 1656, olieverf op paneel: 161 x 154 cm

oude Stadhuis van Arnemuiden


Op het schilderij van Dirck van Delen (1605-1671) staat een geschilderd beeld van Vrouwe Justitia in het midden. Zij draagt de attributen die Cesare Ripa voorschrijft. Boven haar lezen we: “GERECHTICHEYT Verhoocht een Volck, Maer de Sonde is een Schantvlecke der Natien.”

Rechts in een nis staat Mozes met een wetboek in de hand. Hij heeft aan het Joodse volk Gods wetten overgedragen. Onder hem lezen we een tekst uit het Boek Spreuken: “Wie den godtloosen rechtveerdicht, ende den rechtveerdigen verdoemt, sijn den heere eenen grouwel, toe die beyde.”: Wie een goddeloze vrijspreekt en wie een rechtvaardige veroordeelt zijn beiden een gruwel voor de Heer. (Boek Spreuken 17:1)










Details van Vrouwe Justitia, Dirck van Delen






Het schilderij was bestemd voor de ruimte waar in het stadhuis van Arnemuiden rechtszittingen plaats vonden.

Van bijna alle schilderijen die in dit artikel worden besproken staat vast dat zij afkomstig zijn uit voormalige rechtszalen. Daar moesten de schilderijen rechters aansporen tot een eerlijke rechtspraak. We zullen zien dat met de voorstellingen op schilderijen ook getuigen werden aangemoedigd geen valse getuigenis af te leggen.

De triomf der Gerechtigheid, Garbriël Metsu, olieverf op doek: 66,8 x 85,7 cm

ca. 1655-1657, Mauritshuis, Den Haag


Ook op het schilderij van Gabriël Metsu (1629-1667) is Vrouwe Justitia te herkennen aan haar traditionele attributen. Opvallend is dat zij hier niet zomaar stilstaat, maar handelend optreedt. Door haar arm met de weegschaal omhoog te houden spreidt zij tegelijkertijd de onder haar borst vastgeknoopte bruingele omslagdoek beschermend uit over een knielende vrouw met een kind aan de borst. Haar zoontje knielt naast haar. De moeder is blijkbaar onrecht aangedaan. Samen met haar zoon richt zij zich smekend tot Justitia.

List en Bedrog, detail van De triomf der Gerechtigheid, Garbriël Metsu


Links op de voorgrond ligt de personificatie van List en Bedrog. Zijn belangrijkste attribuut bevindt zich naast zijn hoofd: het masker. Tegenover de vrouw heeft hij zich anders voorgedaan dan hij werkelijk is. Hij heeft niet zijn ware aard getoond. Hij heeft haar met mooie praatjes misleid. Door list en bedrog heeft hij haar het geld afgetroggeld dat links op de voorgrond ligt. Door Justitia is de man ontmaskerd en toont nu zijn ware gezicht. Het contract dat hij de vrouw heeft laten ondertekenen wordt hem door een nors kijkend engeltje als bewijs verwijtend voorgehouden.

List en Bedrog is door Vrouwe Justitia onder de voet gelopen. Met het zwaard van de gerechtigheid houdt zij hem in bedwang.

detail van De triomf der Gerechtigheid, Garbriël Metsu

Justitia is opgekomen voor de zwakke partij. Het onrecht dat de vrouw is aangedaan wordt overwonnen. Daarom wordt Justitia door een engeltje met de overwinningskroon gehuldigd. Deze personificatie van Triomf is gebaseerd op Nike (Griekse mythologie) of Victoria (Romeinse mythologie), de klassieke godin van de Overwinning. Daarboven zien we een engeltje de loftrompet blazen. Hij bazuint haar roem en triomf over de wereld. De personificatie van Roem is gebaseerd op Fama, de Romeinse godin van Faam/Roem.

De menselijke wet is gegrondvest op de goddelijke wet, Jacob Jordaens, olieverf op doek: 240 x 231 cm, 1664, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen


Ook op het schilderij van Jacob Jordaens (1593-1678) is Vrouwe Justitia gemakkelijk te herkennen aan haar attributen. De blinddoek is echter wel erg doorzichtig, meer een voile! Bijzonder is dat zij de weegschaal en het zwaard krijgt aangereikt door de engel rechts achter haar. Van het engeltje rechts op het schilderij krijgt Justitia nog een belangrijk attribuut aangeboden: de geknoeste gerechtsroede die we al tegenkwamen op het schilderij van Hieronymus Bosch. Met de hemelse gaven wordt verwezen naar de goddelijke permissie en/of opdracht om recht te spreken.

Bijzonder is ook dat rechts van Vrouwe Justitia een engeltje een brandende toorts draagt. Ook dat kan een een attribuut van Justitia zijn. Cesare Ripa schrijft: "Justitia is een Vriendinne van het licht omdat zij klaarheid moet brengen in duistere zaken."

Vrouwe Justitia is gezeten op een leeuw, een blijk van haar macht en aanzien.

Op het schilderij van Dirck van Delen zagen wij al dat Mozes als wetgever een belangrijke rol speelt binnen de christelijke rechtsbeginselen. Net als Justitia haar zwaard en weegschaal vanuit de hemel krijgt aangereikt, zo kreeg Mozes de Stenen Tafelen met de tien geboden op de berg Sinaï van God aangereikt. (Exodus 20: 3-17)

Op het schilderij van Jordaens toont Mozes de wetstafelen. Normaal lezen we op de stenen tafelen van Mozes de tekst van de tien geboden. Op dit schilderij lezen we echter teksten uit het Boek Deuteronomium waarin Mozes in een aantal toespraken een toelichting geeft op de wetten.

De menselijke wet is gegrondvest op de goddelijke wet, Jacob Jordaens


De broer van Mozes, Aäron is gehuld in zijn mantel van hogepriester. Met een stok wijst hij de rechters erop het belang in te zien van de teksten uit dat Bijbelboek. Op de linker tafel lezen we: VERHOORT VWE / BROEDEREN GHY / RECHTERS ENDE / RECHTET RECHT / TVSCHEN EEN YGEL / YCK EN SYNEN / BROEDER EN DEN / VREMDELINCK. “(En ik (Mozes) heb de rechters geboden): luister goed naar de geschillen van beide partijen en oordeel rechtvaardig tussen de een en de ander, of het nu uw broer is of een vreemdeling.” (Deuteronomium 1:16)

De tekst op de rechter tafel is niet goed te lezen, maar wanneer we een aantal woorden eruit halen wordt duidelijk dat het gaat om de tekst die direct volgt op het voorafgaande citaat uit het Boek Deuteronomium: “Gij moogt geen aanzien van personen bij de rechtspraak doen gelden; naar de armen moet gij evengoed luisteren als naar de aanzienlijken. Gij mag voor niemand bevreesd zijn, want rechtspreken is iets goddelijks.” (Deuteronomium 1:17)

In beide citaten wordt rechters op het belang gewezen van een oordeel zonder aanzien des persoons. Voor de wet is iedereen gelijk: “of het nu uw broer is of een vreemdeling.” en: “naar de armen moet gij evengoed luisteren als naar de aanzienlijken”.


De rechter op de stoel van God

Het aangehaalde citaat uit Deuteronomium maakt ook duidelijk dat ‘rechtspreken iets goddelijks is' (Deuteronomium 1:17). Koningen, keizers, hertogen en andere machthebbers vatten hun taak op als een goddelijke roeping. Zij waren door God aangesteld om de goddelijke orde op aarde te herstellen en/of in stand te houden. Dat werd als een belangrijke legitimatie aangevoerd om over anderen recht te mogen spreken en straffen op te leggen. Machthebbers waren ook gelegitimeerd om rechters aan te stellen om in hun naam over anderen te oordelen. In ons land worden rechters nog steeds door de Kroon benoemd. In feite is een Kroonbenoeming nu een zaak van de regering. Het is nog niet zo lang geleden dat in elke rechtszaal een portret van ons staatshoofd hing en nog steeds is dat vaak het geval. Hiermee werd erop gewezen dat er namens hem wordt rechtgesproken.

Op het schilderij van Jordaens zagen we al dat de belangrijkste attributen van Vrouwe Justitia haar vanuit de hemel worden aangeboden. De rechters wordt voorgehouden dat zij een goddelijke opdracht hebben. De rechter nam als het ware plaats op de stoel van God en spiegelde zich daarbij vooral aan God als rechter bij het Laatste Oordeel. De Goddelijke rechter is daarbij volledig onomkoopbaar, onbevooroordeeld en rechtschapen, zijn oordeel is volkomen eerlijk. God kent de verschillende motiveringen en ook alle zonden van de mensen. Dat wordt duidelijk gemaakt op het schilderij van Hieronymus Bosch. In het midden is Jezus binnen het alziende oog van God afgebeeld. God ziet alle zonden van de mensen: tekst op het schilderij: Caue, caue, d(e)us videt: Pas op, pas op, God ziet (alles).

Het alziend oog van God

detail van De Zeven Hoofdzonden en de Vier Uitersten, Hieronymus Bosch


Goddelijke en wereldlijke rechtspraak

Vanaf de 14de eeuw zijn opdrachten bekend tot het schilderen van voorstellingen van het Laatste Oordeel ten behoeve van plaatsen waar recht werd gesproken. Meestal vond de rechtspleging plaats in een stadhuis, in een speciaal voor dat doel ingerichte ruimte. De bedoeling van voorstellingen van het Laatste Oordeel in een rechtszaal was om te benadrukken dat hier namens God wordt rechtgesproken. Tevens werd de rechters een spiegel voorgehouden van absolute gerechtigheid, van een compleet onafhankelijke manier van rechtspreken. De rechters werd met de voorstelling van het Laatste Oordeel ook voorgehouden dat zij zich moeten realiseren dat het definitieve oordeel, ook over hun eigen handelen, bij God ligt. De rechter moet beseffen dat hij dan ook verantwoording moet afleggen voor al zijn daden, ook over de vonnissen die hij heeft uitgesproken. Wanneer hij zich daarbij door eigen belang heeft laten leiden, dan wacht op de Dag des Oordeels de hel. Met zijn corrupte gedrag heeft hij immers God, in wiens naam hij handelt beledigd.


De aloude voorstelling van het Laatste Oordeel zoals we die vanaf de 11de eeuw op timpanen van kerken tegenkomen, kon direct worden overgenomen ten behoeve van de rechtszalen. Bij voorstellingen van het Laatste Oordeel zien we bijna altijd dat God wordt afgebeeld in de rode toga van magistraten. Het zwaard en de weegschaal waarmee de aartsengel Michael op voorstellingen van het Laatste Oordeel wordt afgebeeld kon direct worden aangewend ten behoeve van Vrouwe Justitia. Ook de goddelijke rechter hanteert op voorstellingen van het Laatste Oordeel vaak het zwaard van de straf.

Stadsrechter Niklas Strobel en de hemelse en wereldlijke gerechtigheid, anoniem olieverf op paneel: 128 x 99 cm, 1478, Stadtmuseum, Graz


Op het schilderij in het Stadtmuseum van Graz tonen de gouden letters onderaan dat rechter Niklas Strobel zich heeft laten portretteren. De magistraat heeft de uiterlijke waardigheidstekenen die bij zijn functie passen: de gerechtsroede en het rode ambtsgewaad. Naast hem zitten schepenen op een bank. Op de voorgrond legt een vrouw de eed af. In het landschap direct achter de bank is het Laatste Oordeel in volle gang. Links en rechts ter hoogte van het hoofd van de rechter zijn de graven geopend en de doden staan op. Aan de rechterzijde van Niklas Srobel wordt een uitverkorene door een engel begeleid. Hij brengt hem naar de hemel. Het zwartgeblakerde duiveltje aan de andere kant sleept twee zieltjes naar de hel.

detail van Stadsrechter Niklas Strobel en de hemelse en wereldlijke gerechtigheid


De opgestane zielen behoren traditioneel tot de voorstelling van het Laatste Oordeel. Daarboven zien we de hemelse rechter in een zelfde kleur mantel als de rechter op aarde. Deze laatste spiegelt zich aan de voorstelling van het Laatste Oordeel. Tevens wordt bij hem het gevoel opgeroepen dat er dan ook over zíjn vonnissen wordt beslist. Is hij wel helemaal onafhankelijk geweest? Een gelovig rechter, en daarop wil de geportretteerde rechter zich ongetwijfeld laten voorstaan, zal zich dat zeker bij elke uitspraak weer afvragen.


De eedaflegging, Derick Baegert, olieverf op paneel: 149,5 x 173,5 cm, 1493 – 1494, afkomstig uit het oude raadhuis van Wesel (Duitsland), nu: Städtisches Museum, Wesel


Derick Baegert (1435/1440-1515) maakte voor de plaats in het stadhuis van zijn geboortestad waar recht werd gesproken ook een voorstelling met een combinatie van hemelse en wereldlijke rechtspraak. De schilder voert de spiegeling zelfs zover door dat de aardse rechter de hemelse rechter op het schilderij in de linkerbovenhoek van de voorstelling imiteert met de beweging van zijn armen. Op vroege voorstellingen van het Laatste Oordeel was het al gebruikelijk dat de goddelijke rechter de rechterhand opheft. We moeten het gebaar opvatten, als een welkomgebaar als de uitnodiging waarvan in het Evangelie van Mattheus sprake is: “Dan zal hij zeggen tot degenen die zich aan zijn rechterzijde bevinden: Wees welkom gezegenden van mijn vader en beërf het koninkrijk dat voor u is bereid vanaf de grondlegging van de wereld.‘‘ (Mattheus 25: 34) De andere hand richt de rechter ter veroordeling met een soort van wegwerpgebaar naar beneden: “Dan zal hij zeggen tot degenen die zich aan zijn linkerzijde bevinden: Gaat weg van mij vervloekten, naar het eeuwige vuur, hetwelk door de duivel en zijn engelen is bereid.“ (Mattheus 25: 41)

In de linker bovenhoek van het schilderij zien we links achter de rechter een voorstelling met het Laatste Oordeel. Dit moet de rechter en ook getuigen inspireren om zich te laten leiden door de ideale manier van rechtspreken door de hemelse rechter. De teksten op het schilderij maken duidelijk dat de rechter en de getuige worden aangespoord tot eerlijkheid. Op de tekstbanderol boven de rechter lezen we: Siet hier besynt wael wat ghi duet. Suert (zweert) nyet valselick um tytlick guet, want got die heer die weit dat wael, int leste gericht he it ordellen sael. De rechter dient zich dus goed te bezinnen op wat hij doet: ‘besynt wael wat ghi duet’. Er wordt hem te verstaan gegeven dat God alles ziet en weet: ‘want got die heer die weit dat wael’. Bij het Laatste Oordeel zal hij daarnaar oordelen: ‘int leste gericht he it ordellen sael‘.

Op de voorgrond, links van het midden staat een gerechtsdienaar in een rode mantel. In beide handen houdt hij eerbiedig het eedblok voor zich uit. Rechts van hem zien we een getuige die op het punt staat daarop de eed af te leggen. Voordat hij dat doet krijgt de man raad van zowel een engel als een duivel. De duivel probeert hem aan te zetten om een valse getuigenis af te leggen: Hald up die hant, wilt u nyet scamen, swert in alre duvel name: je hoeft je niet te schamen, zweer in mijn naam!

De duivel bevindt zich direct achter de getuige. We herkennen hem aan zijn vurige ogen en mond en hij heeft de hoorns van een bok. Een deel van de rest van zijn lichaam, compleet met staart bevindt zich links van de man. De duivel pakt de getuige bij de rechterhand waarmee hij op het punt staat de eed af te leggen. Voordat de getuige dit doet moet de duivel hem ervan overtuigen dat zíjn advies het juiste is.

De engel doet er alles aan de getuige aan te zetten tot het afleggen van een eerlijke getuigenis: Swert niet valselick wat ghi duet, gi verliest got dat ewighe guet. De man wordt gewaarschuwd zich te realiseren dat wanneer hij ‘valselijk zweert het eeuwige goede bij God zal verliezen’.

De rechter kijkt naar de man die de eed moet afleggen én wijst hem met zijn rechterhand op het schilderij met het Laatste Oordeel. Hiermee wordt een direct verband gelegd met de wereldlijke rechtspleging en die in de hemel. De man links van de rechter wijst de aanwezigen in de rechtszaal op het gevaar dat de getuige loopt. De getuige zal zich er terdege van bewust zijn, dat wanneer hij voor tijdelijk voordeel gaat, hij bij het Ultieme Oordeel zwaar wordt gestraft. Hij zal zich ook realiseren dat hij met het uitspreken van de eed God heeft aangeroepen. Wanneer hij een valse verklaring aflegt heeft hij dus ook God beledigd, een doodzonde! Iemand die meineed pleegt kende de straf daarop: eeuwige hel en verdoemenis.


De hemelse en wereldlijke rechtspraak, Jan van Brussel olieverf op paneel: 188 x 135 cm ca. 1475, afkomstig uit het stadhuis van Maastricht, nu: Bonnefantenmuseum Maastricht


Tot 2018 hing het schilderij van Jan van Brussel in de oude raadszaal van het stadhuis van Maastricht. Indertijd vonden daar de rechtszittingen plaats. Het is geschilderd door de Maastrichtse schilder Jan van Brussel. Hij was tussen 1464 en 1476 werkzaam in Maastricht en mogelijk rond 1490 in Luik.

Laatste Oordeel, detail van De hemelse en wereldlijke rechtspraak, Jan van Brussel


Het bovenste gedeelte van het schilderij bestaat uit een traditionele voorstelling van het Laatste Oordeel. Christus is gehuld in de rode mantel van een rechter. Vanuit het schilderij bezien, treffen we aan de linkerkant van zijn gelaat het zwaard van Justitia dat wordt gedragen door een engel. De engel aan de ander zijde draagt een grote bloeiende witte lelietak. Bij het Laatste Oordeel is dit een teken van de zuiverheid en eerlijkheid van de goddelijke rechtspraak. Tevens staat het symbool voor Gods barmhartigheid en diens vergeving van zonden. Aan de voeten van de hemelse rechter dragen drie engelen naakte zieltjes naar God. Zij zijn er bij het oordeel goed vanaf gekomen; hun zonden zijn vergeven.

engelen dragen zieltjes naar de hemel, detail van De hemelse en wereldlijke rechtspraak, Jan van Brussel


Tegen de rechterrand van het paneel, iets boven het midden zien we wat er gebeurt met de zielen van de mensen van wie de zonden te groot waren om vergeving te krijgen. Tussen de rotsen trekt een duivel een aantal zielen in een ketting naar de afgrond. Een van de zielen is al in de diepte geworpen. Hij is in een vrije val terecht gekomen die zal eindigen in het hellevuur.

een duivel trekt zielen naaf de afgrond van de hel,

detail van De hemelse en wereldlijke rechtspraak, Jan van Brussel


In het onderste deel van het schilderij vindt een wereldlijke rechtspleging plaats. Achter en naast de balie hebben een aantal rechters en/of schepenen plaatsgenomen. Zij moeten zich buigen over een geschil tussen de twee personen die voor de rechtbank staan. Beiden hebben uit respect voor de rechtbank hun hoed afgenomen.

aardse rechtspraak, detail van De hemelse en wereldlijke rechtspraak, Jan van Brussel


De schilder brengt het verschil in maatschappelijke status van de mannen die voor de rechters staan duidelijk in beeld. De man op de voorgrond is armoedig gekleed. Hij kijkt niet erg zelfverzekerd naar de rechters, een beetje angstig zelfs. Zijn kleding is op verschillende plaatsen opgelapt en zijn hozen zijn naar beneden gezakt. Hij heeft de rechters niet veel meer te bieden dan een onderdanige houding. Dat alles is volledig in tegenstelling met het arrogante heerschap naast hem. Zijn status is af te lezen aan het wapen dat hij aan zijn gordel draagt. In zijn dure met bont afgezette mantel staat hij kaarsrecht en zelfverzekerd voor rechtbank; hij is ervan overtuigd dat zijn positie de doorslag zal geven. Ook de hoed die hij voor zich in de handen houdt is van bont. De hoed van de andere man is duidelijk minder kostbaar.

Van een arme man hebben corrupte rechters minder te verwachten dan van een rijke. Dat weet ook de duivel die achter de rechters is verschenen. Hij heeft twee gouden muntstukken in de hand en richt zich tot de zittende magistratuur. Op de tekstbanderol boven de duivel lezen we de woorden die hij hun influistert:


Gij die sijt heren leert recht verkeren, nempt goet en gelt

Die gy hebt leyt diens syt bereyt te doen gewelt

nempt altyt baet dat is myn raet ist recht of crom

Des nyet en laet anders gy gaet voer gheck en dom


Het is duidelijk dat de duivel de rechters met zijn woorden wil aanzetten hun machtspositie te gebruiken om zich te verrijken met goederen en geld: ‘nempt goet en gelt’. Hij raadt hun zelfs aan bereid te zijn om daarbij geweld te gebruiken, als zij er zelf maar 'baet' bij hebben. Men moet voor eigen voordeel gaan, ook al moeten zij daarvoor het recht krom buigen. Als men dat niet doet dan zullen de mensen de rechters uitlachen en hen voor gek en dom uitmaken: ‘anders gy gaet voer gheck en dom’! Het is begrijpelijk dat de arme man zich minder op zijn gemak voelt. Hij heeft geen geld en ook geen maatschappelijke status. Daarom vreest hij ook geen vrienden te hebben onder de rechters.

Gelukkig voor de arme man wordt er tegenwicht geboden. Achter de twee mannen staat een engel. Deze richt zich tot de rechters en houdt hun voor dat de duivel er alleen maar op uit is hen in het verderf te storten. Wanneer zij op zijn verlokkingen ingaan zal het slecht met hen aflopen. Hij waarschuwt voor de gevolgen die het zal hebben wanneer zij zich door de raad van de duivel laten leiden:


Gij die syt raedt, U ougen opslaet aen deze figuren

Die saken verstaet mit goeder maet, doet recht al pure

Des nyet en laet, om gunst oft haet noch om ghyen hure (verdienste)

Anders ghy gaet die rechte straet ten hellscher vure


De rechters worden door de hemelse en duivelse raadgevers aan het twijfelen gebracht. Natuurlijk is hun de goedgevulde beurs opgevallen die de rijke man zo opzichtig aan zijn riem draagt. Dat geld staat hun heus wel aan! Daarnaast zijn zij natuurlijk ook bang voor het hellevuur dat de engel hun in het vooruitzicht stelt wanneer zij voor het goud van de duivel gaan: Anders ghy gaet die rechte straet ten hellscher vure. De engel zet zijn woorden kracht bij door met de linkerhand nadrukkelijk te wijzen op hetgeen er achter hem gebeurt. Daar zien we in het hellevuur een aantal duivels aan het werk met het eeuwig kwellen van verdoemden. Wanneer de rechters het advies van de duivel volgen leidt dit linea recta naar de hel.

stadsgezicht Maastricht met rechtsboven het galgenveld,

detail van De hemelse en wereldlijke rechtspraak, Jan van Brussel


We zagen al dat er boven het tafereel van de hel een duivel zielen in een ketting naar de hel voert. Tevens zagen wij dat er een persoon in een spelonk is gegooid die naar de hel leidt. Deze laatste taferelen lopen door vanuit een landschap waarin een stadgezicht van Maastricht is opgenomen. Het is het oudst bekende stadsgezicht van deze stad. Herkenbaar zijn onder andere de Servaaskerk, en het stadsdeel Wijck met de oude Martinuskerk en de Kruittoren. Helemaal rechts, achter de rotsen die naar de hel leiden, herkennen we aan de hoge palen het galgenveld. De misdadigers kunnen van daaruit direct naar de hel worden afgevoerd.

Boven de zuil in het midden, die de overkapping van de open rechtszaal draagt zien we de stedenmaagd(?) van Maastricht. Zij draagt een schild met het wapen van de stad: een vijfpuntige witte ster op een rode achtergrond.

Het herkenbare stadsgezicht en het stadswapen geven de voorstelling een actualiteit die zeker door de rechters begrepen zal zijn. Zij voelden zich direct aangesproken tijdens de rechtspleging. De rechters in de gerechtszaal van Maastricht worden opgeroepen wijs te zijn en lering te trekken uit de ongelukkige figuren in de hel. Het gerechtigheidstafereel had de bedoeling de rechters aan te sporen tot integriteit en te komen tot een onpartijdige en rechtvaardige uitspraak. Dat komt de rechtspraak en ook hun eigen zielenheil ten goede.


We hebben gezien dat de gebruikelijke voorstelling van het Laatste Oordeel zich heeft ontwikkeld tot een voorstelling die gebruikt kan worden om rechters en getuigen op te roepen zich eerlijk op te stellen en niet omkoopbaar te zijn. Wanneer zij zich daar niet aan houden levert dat kortstondig aards gewin op, maar uiteindelijk leidt het tot een eeuwige straf in het hiernamaals. Men zal bij het definitieve oordeel rekenschap van zijn daden moeten afleggen bij de hemelse rechter. We noemen een schilderij dat aanzet tot een eerlijke rechtspraak een gerechtigheidstafereel, een exemplum iustitae: een lichtend voorbeeld voor de rechtspraktijk op aarde.


Het volgende artikel in deze serie gaat over verhalen uit de klassieke geschiedenis, het Oude Testament en de (vaak legendarische) geschiedenis die als inspirerend voorbeeld aan rechters werd voorgehouden. In die verhalen wordt de rechter duidelijk gemaakt dat wanneer hij zich laat leiden door persoonlijke motieven en een oneerlijk vonnis uitspreekt de gevolgen verschrikkelijk zijn.


Bij het nalezen van het artikel moest ik denken aan een zin uit een conference van Freek de Jonge: “Ieder oordeel voor het Laatste Oordeel is een vooroordeel.”



Gebruikte literatuur

- Ripa, Cesare, Iconologia of Uytbeeldinghe des verstands. Inleiding: Becker, Jochem (Soest 1971, herdruk van de uitgave: Amsterdam 1644)

- Prinsen, A, Over Mozes en de wetstafel. Een schilderij van Jacob Jardaens in: Bulletin van de Oudheidkundige Kring “De Vier Ambachten”, 13de jaargang (1994)

- “Stroo, Cyriel en Dooren, Rita van, “Wat hemlieden toebehoort die vonnesse wijzen zullen” en Van Leeuwen, Jacoba, “Een tafereel van ons Heeren oordeele. De functie en de betekenis van een Laatste Oordeelvoorstelling in een middeleeuwse raadzaal” in:

Smeyers, Maurits e.a. (redactie), Dirk Bouts (ca. 1410-1475) een Vlaams primitief te Leuven (tentoonstellingscatalogus), Sint Pieterskerk, Leuven 1998

- Moelands M.A m.m.v. Mast, W.M. “De Verbeelding van het Recht en gerechtigheid in Nederland” in: Moelands, M. van der en Smidt, J. de,red.) in ‘Weegschaal & Zwaard, De Verbeelding van Recht en Historisch Museum, Den Haag 1999

- Broos, Ben, Liefde, List en Lijden. Historiestukken in het Mauritshuis, p. 209-215, Gent

- Bröker, Paul “Gerechtigheidstaferelen” in: Stufkens, Hein, (redactie) Gerechtigheid, Heeswijk 2015

- Martyn, George “Hemels Oordeel, wereldse rechtspraak” en Paumen, Vanessa “Rechtspraak naar het voorbeeld van de hemelse rechter” in: Huygebaert, Stefan e.a. (redactie), De kunst van het recht. Drie eeuwen gerechtigheid in beeld, (tentoonstellingscatalogus), Groeningenmuseum, Brugge, 2016

- Wikipedia: “Jan van Brussel” en “Gerechtigheidspaneel Maastricht”

472 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven