• Paul Bröker

Christenen en Joden in de christelijke kunst


Deel II: het antisemitisme verbeeld

Over de strijd tussen Ecclesia en Synagoge

Ecclesia en Synagoge, Meester van de Ursulalegende, twee panelen ca. 1475-1482, Groeningenmuseum, Brugge


Vorige week zagen we hoe het ideaalbeeld van de Ecclesia bipartita in de beeldende kunst werd weergegeven. Maar vanaf de vroegchristelijke periode waren er ook negatieve sentimenten met betrekking tot Joden. Wat dat betreft kunnen we wellicht stellen dat Jezus een slecht voorbeeld heeft gegeven. Hij moest in ieder geval niets hebben van de schijnheiligheid van de farizeeën en de halsstarrigheid van de schriftgeleerden wat betreft het vasthouden aan de letter van de joodse wet.


De farizeeër en de tollenaar

In de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar in de tempel heft Jezus openlijk de vermanende vinger op naar de farizeeër. Op de voorstelling in de Sant'Apollinare Nuovo staan de twee mannen in de tempel. Hun houding roept het verhaal van Jezus op: de farizeeër heeft zich frontaal opgesteld, zijn handen in gebed geheven; hij kijkt de beschouwer, en ook de Allerhoogste recht in de ogen. Dat kan hij zich permitteren, want hij is zich ten volle bewust van zijn deugdzaamheid. Tegenover deze zelfverzekerde farizeeër staat de gebogen tollenaar. Hij durft niet op te kijken, en klopt zich in een mea culpa gebaar op de borst, want hij realiseert zich dat hij een zondig mens is. Maar hij, en niet de farizeeër, verlaat de tempel als een gerechtvaardigd man. Jezus vat de gelijkenis bondig samen: “Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis, in plaats van de andere. Want hij die zich verheft zal vernederd worden en hij die zich vernedert, zal verheven worden.” (Lucas 8, 9-14)

De farizeeër en de tollenaar De penning van de weduwe

Mozaïeken in de Basilica Sant'Apollinare Nuovo, zesde eeuw, Ravenna


De penning van de weduwe

Ook het aandoenlijke verhaal over de penning van de weduwe is kenmerkend voor Jezus’ optreden tegen de joodse religieuze leiders uit zijn tijd. Het verhaal werd opgetekend door Marcus (12: 38-44) en Lukas (20: 45-47 en 21 en 21: 1-4). Beide evangelisten noteren allereerst hetgeen Jezus publiekelijk over de schriftgeleerden te vertellen heeft: “Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden in lange gewaden rond te lopen en die verwachten op de markt te worden gegroet; die de voorste zetels in de synagoge opeisen en de eerste plaatsen aan de gastmalen; die het goed van de weduwen verslinden en voor de schijn lange gebeden verrichten. Zij zullen des te strenger worden gevonnist.” Toen Jezus opkeek zag hij hoe zelfvoldaan de rijken hun geld in de offerkisten storten. Daarna zag hij een arme weduwe de offerkist naderen. Schuchter werpt zij er twee penningen in. Jezus sprak: “Voorwaar ik zeg u, deze arme weduwe heeft er meer in gestort dan alle anderen. Want allen hebben geofferd van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede gegeven, alles wat zij bezat, haar hele vermogen.”


Enfin, de evangeliën staan vol met bezwaren tegen de belangrijke vertegenwoordigers van het joodse geloof. Daar komt nog bij dat de invloedrijke kerkvader Augustinus (354-430) het standpunt van de collectieve en voortdurende schuld van de Joden aan de dood van Christus had verkondigd. Men zou onder andere daardoor mogen verwachten dat toen het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse Rijk (391) en toen vanaf 392 andere godsdiensten verboden werden, de Joden het zwaar te verduren zouden krijgen. Van een speciale groepsvervolging van Joden is in die tijd echter geen sprake. Later, in de tijd van Karel de Grote werden niet-christenen gedwongen tot het christelijk geloof over te gaan. Als volk van de Bijbel mochten Joden hun geloof echter openlijk blijven uitoefenen. Onder de opvolgers van de Karolingen, de Ottonen, genoten Joden keizerlijke bescherming. Noord Frankrijk, Speyer, Worms en Mainz konden zich in die tijd ontwikkelen tot geestelijke studiecentra voor Joden in Midden-Europa.


Ongeveer vanaf het derde kwart van de 11de eeuw keert het tij! Vanuit Rome werd het antisemitisme gestimuleerd en gestructureerd. Paus Gregorius VII liet in 1078 een bul uitgaan die oproept in christelijke landen alle Joden uit te sluiten van publieke functies. Er worden daarvoor heel wat redenen aangevoerd. Het voert in dit bestek te ver om daar uitgebreid op in te gaan. Sommige van die zaken komen aan bod bij de bespreking van de kunstwerken.

Paus Innoncentius III, paus van 1198-1216


In 1171 werden Joden voor het eerst massaal beschuldigd van rituele moord en niet lang daarna van sacramentsontwijding. Onder Paus Innoncentius III werd het antisemitisme binnen de Kerk geïnstitutionaliseerd. Tijdens het Vierde Lateraans Concilie (1215) werd officieel vastgelegd van wat in de praktijk al gebruikelijk was. Er werden maatregelen tegen de Joden afgekondigd; christenen mogen geen joodse arts bezoeken. Joodse artsen zouden zich met duivelse hulp en sluwheid onmisbaar maken als geneesheren. Joden moeten in getto’s worden ondergebracht en het dragen van een jodenhoed werd verplicht. Dit werd als volgt gemotiveerd: “In sommige streken zijn Joden door hun kleding goed te herkennen, maar in sommige provincies is het moeilijker Joden van christenen te onderscheiden. Om te voorkomen dat christenen seksuele contacten met joodse vrouwen hebben, of Joden seksuele contacten met christelijke vrouwen, dienen Joden van beide geslachten zich in alle christelijke landen in hun kleding te onderscheiden van christenen.”

Joden mogen geen openbare functies bekleden en ze moeten worden uitgesloten van ambachtelijke beroepen. Deze maatregel dwong hen in de geldhandel: geldwisselaars en pandbeheerders. Binnen de christelijke geloofsgemeenschap was het verboden om rente te vragen. Joden hadden geen religieuze problemen om geld te lenen aan christenen en daarvoor ook rente te bedingen. Binnen de opkomende kapitalistische economie was het nodig om geld te kunnen lenen. Zo konden joodse geldhandelaren uitgroeien tot werktuig en zondebok binnen de kapitalistische economie. Het geleende geld moest inclusief de overeengekomen rente natuurlijk worden terugbetaald. Dat was niet altijd even gemakkelijk. Wanneer Joden mensen aan hun afspraken hielden werden zij veelal beschouwd als gewetenloze en hebberige geldhandelaren en navolgers van Judas.


Het antisemitisme verbeeld

De meest courante beschuldigingen waren:

1. De collectieve schuld van Joden aan het lijden, de kruisiging en de dood van Jezus

2. Sacramentsontwijding, het ontheiligen van hosties

3. Rituele moord op christelijke kinderen

4. Vergiftigen van waterbronnen en het veroorzaken van de pest

De beeldende kunst laat zich niet onbetuigd!


De collectieve schuld van Joden aan het lijden, de kruisiging en de dood van Jezus

Door mensen op voorstellingen met een jodenhoed af te beelden kon direct op hun ‘verwerpelijke’ rol in de lijdensgeschiedenis van Jezus worden gewezen.

Joden willen Jezus stenigen (Johannes 10: 31-42), miniatuur in een Keuls evangeliarium

De mannen rechts dragen de typische spitse jodenhoed en houden dreigend stenen in hun handen. De apostelen achter Jezus (ook Joden!) dragen dit stigmatiserende hoofddeksel niet!

Houtsnede, ca.1475

De vier evangelisten vertellen het verhaal dat Jezus na zijn intocht in Jerusalem naar de tempel gaat. Op de houdsnede verjaagt Jezus een geldwissellaar uit de tempel. De man is met zijn jodenhoed herkenbaar als jood. De boodschap van de kunstenaar: Jezus moet niets hebben van de joodse geldhandelaren.

Geseling, miniatuur uit een psalmenboek uit 1260-1270

De geselaars dragen van Jezus een jodenhoed. Hiermee had de verluchter de bedoeling om de collectieve schuld van het lijden van Christus bij de Joden te leggen.

Jezus voor Pilatus. miniatuur uit een psalmenboek, Bazel, tweede helft 13de eeuw

Degenen die Jezus na zijn geseling voor Pilatus brengen zijn direct herkenbaar als Joden.

Kruisiging, miniatuur in een manuscript uit Lüttich, ca. 1300

Het kruis van Jezus wordt alleen maar geflankeerd door mannen met jodenhoeden. Ook de man die knielend de spijker door de voeten van Jezus slaat is herkenbaar als jood. Het is duidelijk dat de verluchter verwijst naar de eeuwige en collectieve schuld van Joden aan de kruisiging en de dood van Jezus.


Sacramentsontwijding, het ontheiligen van hosties

Verhalen over ontheiligingen van hosties door Joden komen veelvuldig voor. Wanneer er met een mes in een hostie wordt gestoken gaat deze in vrijwel alle verhalen bloeden. Hiermee wordt aangetoond dat het werkelijk om het lichaam van Jezus gaat. Het is een voorstelling van de eeuwige herhaling van het doorboren van het lichaam van de Gekruisigde en/of van de voorstelling van Jezus die door Joden aan het kruis werd genageld.

Duits vlugschrift met afbeeldingen en de beschrijving van de geschiedenis van de vermeende ontheiliging van hosties door Joden in de stad Passau, 1477


Links bovenaan begint het beeldverhaal met een man die hosties van een altaar steelt. De hosties worden verkocht aan Joden. Op een altaar worden de hosties ritueel doorboord en er vloeit bloed uit. Met dit wonder van de bloedende hostie wordt de lijfelijke aanwezigheid van Jezus in de geconsacreerde hostie aangetoond. De Joden worden gesnapt en proberen de hosties te verbranden. Volgens de tekst lukt dat niet. De hostie verandert in het kindje Jezus dat door engelen wordt weggedragen. (tweede afbeelding van links in de middelste rij). De Joden worden gearresteerd en we zien voorstellingen van vrouwen die met een grote hamer worden bewerkt. Mannen worden onthoofd, vastgebonden en met tangen worden lichaamsdelen van het lichaam getrokken, ze worden met vuur bewerkt en naar het galgenveld gevoerd. Na deze vertoning zien we christenen dankbaar bidden omdat het recht zijn beloop heeft gekregen en de schuldigen hun verdiende straf hebben ondergaan.

Ontheiliging van hosties door Joden in Passau, 16de eeuw, Oberhausmuseum, Passau.


In het Museum in Passau is de titel van het schilderij nu: Darstellung der angeblichen Hostienschändung durch Passauer Juden 1477: Voorstelling van de vermeende ontheiliging van hosties door Joden 1477)

Hostiewonder en de ontheiliging van een hostie , paneel van het altaarstuk van de Heilige Drie-eenheid uit het klooster Santa Maria de Vallbona de les Monges (Urgell), toegeschreven aan Guillem Seguer, 1340-1350, nu in Museu Nacional d'Art de Catalunya, Barcelona

Communie van de Apostelen / Instelling van de Eucharistie, Justus van Gent, paneel:

311 x 335 cm, 1443-1447, hoofdaltaar van de kerk Corpus Domini Urbino,

nu: Galleria delle Marche, Urbino. De zes panelen van de predella zijn van de hand van Paolo Ucello (1397-1475).

1. Wat was het geval? Een vrouw wil er voor haar man alles aan doen om zijn mantel terug krijgen die hij in onderpand had gegeven. Zij geeft te kennen dat zij het daarvoor benodigde geld echter niet heeft. Hierop laat de joodse geldschieter weten dat zij de mantel terug krijgt zonder dat hij daarvoor geld wil ontvangen. Het is voldoende dat de vrouw hem een geconsacreerde hostie brengt.

Tijdens de communie ontving zij een hostie. Die nam zij niet tot zich, maar verborg de hostie onder haar kleding en brengt die naar de joodse pandhouder. Op de voorstelling zien wij dat de vrouw de hostie aan de jood geeft.

2. Wanneer de joodse man de hostie in een pan boven het vuur legt, gebeurt het wonder. Op het paneel zien we dat de hostie zó begint te bloeden dat het bloed over de rand van de pan loopt en over de vloer en onder de huisdeur de straat op stroomt. Daarop wordt een aantal christenen gealarmeerd. Zij beuken de deur in en overmeesteren de joodse man en zijn gezin.

Op het paneel kijken de man, zijn vrouw en kinderen verschrikt naar wat er zich in hun woning afspeelt.

3. De wonderbaarlijke hostie wordt in feestelijke processie en in aanwezigheid van de bisschop naar de kerk gedragen alwaar deze opnieuw wordt geconsacreerd.

4. De vrouw die de hostie aan de joodse man heeft verkocht wordt ter dood veroordeeld en zal worden opgehangen. Er verschijnt echter een engel. Nu wordt duidelijk dat men in de hemel begreep dat de vrouw alleen maar uit naastenliefde voor haar man had gehandeld en de vrouw wordt vrijgelaten.

5. De vijfde episode is wel de meest hartverscheurende. De joodse koopman wordt samen met zijn vrouw en kinderen levend verbrand.

6. Het laatste paneel van de predella toont zowel engelen als duivels bij de draagbaar waarop de het lichaam van de joodse man in rood gewaad ligt.


Rituele moord op christelijke kinderen

Toen in 1475 in de stad Trente het jongetje, Simon genaamd, dood werd gevonden, werden, na een felle antisemitische preek van de plaatselijke bisschop, alle Joden in de stad gevangen genomen en gemarteld. Daarna werden vrijwel alle joodse inwoners van de stad gedood. Later bleek dat de plaatselijke bisschop iemand daarvoor opdracht had gegeven om een goed argument te hebben om bij de nadering van het joodse Pesachfeest tegen Joden te kunnen optreden. Ook dit verhaal is er een uit een grote hoeveelheid voorbeelden van vermeende rituele moord op christelijke kinderen.

Beatus Simon Martir Geïllustreerd vlugschrift met een

Gezegende Simon Martelaar beschrijving van het verhaal over Simon

Duitse houtsnede, ca. 1475-1480 in Trente, gedrukt in Neurenberg,

1470-1500

In veel teksten van dit soort vlugschriften wordt ervoor gewaarschuwd dat Joden voor hun paasrituelen bloed nodig hebben, het liefst van jonge christenkinderen! Die vangen ze, doden ze en eten ze op, terwijl zij hun afgetapte bloed in hun matses mengen. “Christenmoeders, pas op uw kinderen, wanneer Joden Pesach vieren.”


Vergiftigen van waterbronnen en het veroorzaken van de pest

In de 14de eeuw ging Europa gebukt onder de pest. Rond 1348 stierven ongeveer 25 miljoen mensen. Ook de pest leverde een goede aanleiding om een collectieve frustratie op een bevolkingsgroep te botvieren. De graaf van Savoye liet een aantal Joden zolang martelen dat ze wel moesten bekennen waterputten te hebben vergiftigd. Een kroniekschrijver uit Königshoven noteert op 14 februari 1348: “Op zaterdag, St. Valentijnsdag, verbrandden ze de Joden in Straatsburg op hun eigen begraafplaats. En wat men de Joden nog schuldig was, was allemaal vereffend en alle pand en schuldbrieven die ze bezaten werd aan de mensen teruggegeven. Het contante geld dat ze bezaten werd verdeeld onder de ambachten…Zo werden de Joden verbrand in Straatsburg en in hetzelfde jaar in alle steden langs de Rijn.”

Een jood vergiftigt een christelijke waterbron, houtsnede, 14de eeuw

Museum für Archäologie, Herne, Duitsland


De aangehaalde voorvallen zijn exemplarisch voor vele van dit soort gebeurtenissen. Gedurende de 13de, 14de en 15de eeuw komen dit soort verschrikkelijke toestanden veelvuldig voor over heel Europa. Het gevolg is altijd een vervolging van Joden, foltering, verkrachting, verbranding en vrijwel volledige uitroeiing van de joodse gemeenschap in die streken.


Ecclesia en Synagoge


Tegen de achtergrond van het beschreven antisemitisme ontwikkelde zich een veelvoorkomend thema in de beeldende kunst, dat van Ecclesia (christendom / de christelijke gemeenschap) en Synagoge (jodendom / de joodse gemeenschap). Het thema heeft oude literaire wortels die teruggaan op een geschrift uit het midden van de negende eeuw: Altercatione Ecclesiae et Synagogae dialogus, een dialoog tussen Ecclesia en Synagoge van een pseudo Augustinus uit ca. 850. De tekst werd tot in de 18de eeuw aan de kerkvader Augustinus toegeschreven. We zullen zien dat veel van de voorstellingen met Ecclesia en Synagoge te verklaren zijn aan de hand van teksten uit dit geschrift.

De discussie van de vrouwen gaat over het recht op de heerschappij over de wereld. Beiden voeren heel wat theologische argumenten aan om hun aanspraak op de wereldheerschappij te onderbouwen. Om een idee te geven van het niveau van de discussie een aantal citaten:


Synagoge tot Ecclesia: “Jij leeft op een boerenmanier met de heidenen, zoals de barbaren op de bergen en in het woud, terwijl ik met scepter en legioenen over Jeruzalem heerste, in purper gehuld; ik bezat het Romeinse rijk, ik overwon vreemde volkeren, Perzië en Indië moesten mij dienen.”


Ecclesia tot Synagoge: “Ik weet wel dat jouw wapenen en glanzende schilden koningen omverwierpen, ik ken je macht. Eens sidderde de Romeinse wereld voor je, maar nu ben ik boven allen verhoogd en jij, eens in purper gehulde koningin, ligt aan mijn voeten. Eerst was je heerseres, nu ben je mijn dienstmaagd.”


Ecclesia tot Synagoge: “Ten teken dat jullie allen blind zijn, en dat jullie een vals geloof aanhouden, daarom zal ik je de ogen verblinden en je vaandel in tweeën breken.”


Ecclesia tot Synagoge: “Jouw volk is verdoemd omdat het riep: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ Daarom is het jullie verdiende loon dat jullie geen deel hebben aan het goddelijke heil omdat jouw volk dat heeft verspeeld.”










Ivoren reliëf met de Kruisiging, ca. 1070-1080, Staatliche Museen, Berlijn


Een vroege voorstelling van Ecclesia en Synagoge treffen we aan op een ivoren reliëf met de kruisiging.

Links onder het kruis, in het onderste gedeelte van het paneel, staat “ECCLESIA”. Met enige moeite kunnen we haar naam helemaal links achter haar rug van boven naar beneden lezen. De laatste drie letters zijn gemakkelijk te herkennen, en wanneer u die herkent kunt u de letters daarboven ook wel ontcijferen. Ecclesia wordt omarmd door een engel. Zij zal voor haar bruidegom worden geleid. De engel rechts duwt “SINAGO[GE]” hardhandig weg. Met haar opgeheven handen protesteert zij tegen haar verwijdering.

Details van de linker- en rechterdwarsbalk van het Kruis van Gunhilde,

ivoor, ca. 1050-1075, Nationalmuseet Copenhagen


Een citaat uit de Altercatione Ecclesiae et Synagogae dialogus, verduidelojkt de voorstellingen. Ecclesia: “…maar mijn volk draagt het heilsteken. Dat teken is het teken van het kruis….en daarom ben ik nu de koningin, die jou de heerschappij ontneemt. Ik ben de bruid van de Heer, die mijn hoofd heeft gekroond en mij met de purpermantel heeft omhangen.”

Op het Kruis van Gunhilde wordt Ecclesia voorgesteld als een waardige en voorname dame terwijl Synagoge met gesloten ogen de haren uit het hoofd rukt. Haar naakte bovenlichaam is in de lijn van de Klaagliederen van Jeremia over de ondergang van Jerusalem (1, 8): “Haar zonden maakten Jeruzalem tot voorwerp van spot nu ze haar naaktheid zien. En zij, zij kreunt en zucht en wendt zich af.”

Aan de kruisscepter die Ecclesia draagt wappert (voor een deel achter haar rug) de overwinningsvaandel. Zij heeft de heerschappij over de wereld overgenomen. Synagoge is verslagen.

Reliekhouder met een stukje hout van het kruis van Christus, reliekhouder na 1180, schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, Tongeren


Op de reliekhouder in Tongeren staan twee vrouwen ter weerszijden van de voet van het kruis. Boven de vrouw aan de rechterzijde van Christus lezen we: “EC[C]LESIA”. De vrouw aan de andere kant van het kruis wordt als “SINAGOGA” aangeduid.

Ecclesia heeft het kruis met de overwinningsvaandel in haar rechterhand, zij richt haar hoofd naar boven, naar het kruis. Haar hoofd wordt omgeven door een nimbus en zij draagt, als teken van de verworven heerschappij, een kroon. In de linkerhand houdt Ecclesia een miskelk en vangt daarin bloed van Jezus op.

Synagoge wendt het hoofd van het kruis af en richt het verslagen naar beneden. Zij is geblinddoekt. Dit verwijst naar de gedachte dat de Joden Jezus wel hebben gezien, maar zij zagen in hem niet de door de profeten aangekondigde Verlosser. In deze gedachte waren zij ziende blind.

De blinddoek verwijst ook naar hetgeen Ecclesia in de Altercatione Ecclesiae et Synagogae dialogus tot Synagoge zegt: “Ten teken dat gij allen blind zijt, en dat jullie een vals geloof aanhouden, daarom zal ik je de ogen verblinden en je vaandel in tweeën breken.” In de linkerhand houdt Synagoge een staf. Onder haar hand is die stok, naar de tekst uit de dialoog, in tweeën gebroken. Wanneer we de staf naar beneden volgen zien we links een vaandel. De gebroken staf en de naar beneden gerichte vaandel verwijzen naar de verloren strijd tegen Ecclesia.

Synagoge keert zich ook nog eens af van de verlossingsscène; zij zal geen deel hebben aan de redding. Als teken van het koppig volharden in het oude geloof houdt zij een bokkenkop in de rechterhand.

Op de miniatuur is duidelijk dat het de duivel in eigen persoon is die Synagoge verblindt.

Zuidelijk transeptportaal van de Kathedraal van Straatsburg


De bruid uit het Hooglied van Salomon wordt opgevat als Ecclesia, de bruid van Christus. Augustinus: “Ecclesia is de nieuwe bruid, Christus de bruidegom.” De in de oude leer volhardende Synagoge geeft geen gehoor aan de roepstem van Christus, zij keert zich af van de bruidegom. Het is in deze zin betekenisvol dat op het zuidelijk portaal van de kathedraal van Straatsburg Ecclesia en Synagoge het beeld van koning Salomon flankeren. De koning is gezeten in het midden tussen de twee deuren van het portaal. Vanaf de linkerzijde van het portaal richt de gestalte van Ecclesia zich tot Salomon en rechts keert Synagoge zich van hem af.

Ecclesia draagt een kroon, een kruis, overwinningsvaandel en en een miskelk. Zij wendt het hoofd naar het midden van het portaal, naar de plek waar Salomon zetelt.

Synagoge draagt een op verschillende plaatsen gebroken staf. Zij is geblinddoekt en richt haar afgewend hoofd naar beneden en keert zich af van het beeld van Salomon.

Parabel van de wijze en dwaze maagden met Ecclesia en Synagoge,

Speculum Humanae Salvationis, Darmstadt, ca. 1360


De voorstelling op de miniatuur verbindt het verhaal van de vijf wijze maagden en de vijf dwaze maagden die op de komst van de bruidegom wachten (Mattheüs 25:1-13) met Ecclesia en Synagoge.

Traditioneel houden de wijze maagden hun brandende lamp omhoog en de dwaze maagden de lamp naar beneden. Daarmee wordt getoond dat er geen druppel olie meer in zit om hun lampen bij de bij de komst van de bruidegom te ontsteken.

Links boven herkennen we Ecclesia als een van de wijze maagden. Zij draagt een kroon en de kruisstaf met overwinningsvaandel. In haar linkerhand houdt zij niet haar traditionele olielamp, maar een miskelk met een hostie. De kelk verwijst naar het bloed van Jezus en de hostie naar zijn lichaam. Het brengt het geloof in beeld dat brood en wijn tijdens de eucharistie veranderen in het lichaam en bloed van Jezus en dat zijn lijden en sterven tijdens de eucharistie daadwerkelijk plaatsvinden. Dat geloof wordt door haar tegenstandster verworpen. We herkennen Synagoge onder Ecclesia aan haar blinddoek en de bokkenkop in haar linkerhand. Behalve naar haar halsstarrigheid kan de bok ook verwijzen naar het offeren van dieren in het Oude Testament. Het offeren van dieren is door het christendom niet overgenomen.

De kroon van Synagoge valt van haar hoofd, haar rijk is ten einde. In haar linkerhand houdt zij de lege olielamp naar beneden. Haar olie is reeds opgebrand. Met het aansteken van haar lamp had zij immers niet gewacht op de komst van de bruidegom. Nu de bruidegom zich aandient is haar olie opgebruikt. Jezus eindigt het verhaal met de woorden: “Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet. Wees dus waakzaam, want gij kent dag noch uur.” De dwaze maagden die niet worden toegelaten tot het hemelse bruiloftsfeest worden op de miniatuur in verband gebracht met Synagoge, met degenen die volharden in de oude, joodse leer. Zij zijn niet welkom op het feest.







Initiaal in de Bijbel van Montalcino, Bibliotheek van Montalcino, 12de eeuw


Als de bruid van Christus troont Ecclesia aan diens rechterzijde. Aan de voeten van Christus en Ecclesia ligt Synagoge. Zij klemt het bokje tegen zich aan. De voorstelling is gebaseerd op een tekst uit de Klaagliederen over Jeruzalem van Jeremia (1, 1): “Ach hoe eenzaam ligt zij neer de eens zo volkrijke stad; hoe blijft zij als weduwe achter. De machtige onder de volkeren wordt nu vertrapt en gaat gebukt onder slavendienst.”, en natuurlijk op de Altercatione Ecclesiae et Synagogae dialogus waarin Ecclesia tot Synagoge zegt: “… maar nu ben ik boven allen verhoogd en jij, eens in purper gehulde koningin, nu lig je aan mijn voeten. Eerst was je heerseres, nu ben je mijn dienstmaagd…ik ben de bruid van de Heer die mij heeft gekroond en met de purperen mantel heeft omhangen.”

Liber Floridus van Lambert van St. Omer, ca. 1120, Universiteitsbibliotheek, Gent


Op de miniatuur in het Liber floridus (ca. 1120) in de duwt Christus zijn voormalige bruid in de richting van de geopende muil van het hellemonster. Zij is voor eeuwig verdoemd en de staf van haar standaard is op twee plaatsen gebroken. Christus heeft de kroon van Synagoge afgenomen en kroont nu zijn nieuwe bruid Ecclesia.

Op de banderol die Ecclesia in haar linkerhand houdt lezen we: “vere Dominus est in loco isto.” Op de banderol van Synagoge: “et ego nesciobam”. Tezamen: De Heer is hier (Ecclesia) … en ik wist het niet (Synagoge). De Joden hebben Jezus dus wel gezien, maar zij herkenden in hem niet de door de profeten aangekondigde Verlosser. Zij waren ziende blind. Zij draagt daarom een blinddoek en wendt het hoofd van Jezus af. Synagoge erkent het vergoten én eucharistische bloed van Jezus niet. Daarom giet zij de inhoud van de kelk op de grond. Aan haar linkerzijde staat het offerdier van het Oude Verbond. Ecclesia daarentegen kijkt naar Jezus. Zij erkent zijn overwinning door het kruisoffer (kruisstaf met overwinningsvaandel) en de herhaling van dat offer tijdens de eucharistie. Dankbaar vangt zij daarom het bloed van Jezus in de miskelk op.

Draagaltaar van Stavelot,

deksel, ca 28 x 18 cm, ca. 1165, Museum voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

Het draagaltaar van Stavelot is ook een reliekschrijn. Onder de grote kristalsteen in het midden bevindt zich namelijk een reliek van het kruis van Jezus.

Het betreft voorstellingen op een draagaltaar dat een priester op reis kon meenemen. Op en rondom het altaar vonden de religieuze handelingen plaats tijdens de eucharistie, dus ook de transsubstantiatie waarbij brood en wijn daadwerkelijk veranderen in het lichaam en bloed van Jezus. De Kerk/Ecclesia leert dat het lijden en de kruisdood van Christus tijdens de eucharistie steeds weer opnieuw, maar onzichtbaar plaatsvinden. Om dat toch inzichtelijk te maken zien we boven en onderaan op het deksel steeds drie momenten uit de lijdensgeschiedenis van Jezus. Onder: het Laatste Avondmaal, Joden eisen bij Pilatus de kruisiging van Jezus en de geseling van Jezus. Boven: kruisdraging, Kruisiging en de opstanding van Jezus uit zijn graf.

Het was een betekenisvolle keuze om de voorstelling van de Kruisiging direct boven het hoofd van Ecclesia te plaatsen. Ecclesia draagt de Kruisstaf met overwinningsvaandel en de miskelk. Hiermee wordt verwezen naar haar geloof dat tijdens de consecratie brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Jezus en dat tijdens het misoffer, het kruisoffer van Jezus wordt herhaald.

Joden eisen de terechtstelling van Jezus en rechts de geseling


Synagoge verwerpt niet alleen de leerstelling van Ecclesia, maar zij heeft ook schuld aan het lijden en sterven van Christus. De martelwerktuigen in de handen van Synagoge (doornenkroon, lans en spons), zijn tekenen van haar schuld aan Jezus’ dood. Deze attributen hangen direct samen met de voorstelling onder Synagoge. Om de schuld van de Joden aan de kruisdood van Christus inzichtelijk te maken zien we op het draagaltaar Synagoge precies boven de voorstelling van de Joden die voor Pilatus Christus’ veroordeling eisen. Op de banderol in de handen van Pilatus lezen we: “Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige, jullie moeten het verantwoorden.” De voorste van het groepje Joden houdt een tekstband in de hand: “SANVIS EIV[S] SVP[ER] NOS ET SUP[ER] FILIOS N[OS]TROS”: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen (Mattheus 27:24-25). De teksten moeten duidelijk maken dat Pilatus onschuldig is aan de dood van Jezus en dat de Joden het onheil over zichzelf hebben afgeroepen door hetgeen zij tegen Pilatus hebben gezegd én door de landvoogd te dwingen Jezus aan hen uit te leveren. Het is daarom betekenisvol dat deze voorstelling zich direct onder Synagoge bevindt.

Houtsnede uit de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg, ca. 1185

Op de houtsnede heeft Synagoge een besnijdenis-mes in haar hand. Ook het besnijdenis-mes is een attribuut dat verwijst naar het Oude Verbond. Het joodse inwijdingsritueel van de besnijdenis werd door de christenen verworpen en vervangen door de doop. Om haar domheid en vasthoudendheid aan de oude leer aan te geven rijdt Synagoge op een ezel. Wanneer we goed kijken zien we dat er een bokje op haar schoot ligt.

Zoals we al eerder hebben opgemerkt, bevindt Synagoge zich aan de kant van Longinus die zijn spons heeft gedoopt in de verzuurde wijn van het Oude Verbond. Zij staat ook aan de kant van het kruis met de slechte moordenaar die zich net als Synagoge afwendt van Jezus.

Aan de rechterzijde van Jezus kijkt iedereen naar de Gekruisigde: Maria, de goede moordenaar en Ecclesia die het bloed van Jezus in de miskelk opvangt. Haar rijdier heeft vier koppen die elk worden omgeven door een aureool. Het zijn de koppen van de vier symbolen van de evangelisten. Onder deze voorstelling staan de doden op uit het graf en delen mee in Jezus’ overwinning op de dood.

Muurschildering (ca. 1200) op een boog in een kerk in Spenstrub, Denemarken

De muurschildering in Spenstrub laat zien dat Synagoge de borst van het Lam met een speer doorboort en Ecclesia die op haar beurt het bloed van het Lam als het bloed van Christus opvangt in een kelk.

Miniatuur met de kruisiging, Langrafen Psalterium, begin 13de eeuw,

Landesbibliothek, Stuttgart

Deze miniatuur toont boven en onder het kruis medaillons met boven de voorstelling van Ecclesia en onder die van Synagoge. In de rechterhand draagt Ecclesia de kelk. In de andere hand houdt zij de kruisstaf met overwinningsvaandel. Zij draagt een kroon en kijkt glimlachend voor zich uit. Het is onmiskenbaar dat Ecclesia hier als overwinnaar wordt opgevoerd. Haar koninkrijk kan nu, na haar overwinning op Synagoge én nadat zij de kroon van haar tegenstandster van het hoofd heeft gestoten, een aanvang nemen. Onder het kruis herkennen we aan de enigszins doorzichtige blinddoek haar tegenpool. Synagoge wendt haar gelaat een weinig af en de kroon valt van haar hoofd. Verslagen houdt zij de lans met de punt naar beneden; zij heeft de strijd verloren. Er is een einde gekomen aan haar heerschappij. De bokkenkop die Synagoge in de hand houdt, verwijst naar de dierenoffers die gedurende het Oude Verbond gebruikelijk waren. We hebben gezien dat hiermee ook gewezen wordt op het idee van koppigheid van deze dieren. In dat verband zou men hebben willen wijzen op het volharden van Joden in de oude leer.



Kruisiging met Ecclesia en Synagoge, miniatuur in een Duitse Biblia Pauperum, Weimar,

ca. 1340-1350


Ook op deze voorstelling worden Ecclesia en Synagoge weer in verband gebracht met de kruisiging. Hiermee kon worden gewezen op het christelijk geloof in de verlossing door de kruisdood van Jezus én dat de komst van de Verlosser door de joodse profeten zou zijn aangekondigd. Dit blijft een belangrijk verschil van inzicht tussen het christendom en het jodendom.


Miniatuur in een Biblia historiée, Hagenau, Frankrijk, 15de eeuw

De Kruisiging in Hagenau lijkt de tekst uit de Altercatione Ecclesiae et Synagogae dialogus in beeld te brengen waarin Ecclesia tegen Synagoge zegt: “Jouw volk is verdoemd omdat het riep: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ Daarom is het jullie verdiende loon dat jullie geen deel hebben aan het goddelijke heil dat jouw goddeloze volk heeft verspeeld.” Synagoge is ten prooi gevallen aan de duivel.


Het zogenaamde levende kruis

De tegenstelling tussen Ecclesia en Synagoge, tussen het christendom en het jodendom ontwikkelt zich, echter niet in de positieve zin! Op schrille wijze komt de afrekening met Synagoge tot uitdrukking in het zogenaamde Levende Kruis. Bij zo’n kruis lopen de balken van het kruis uit in een armen met een hand.

Fresco met het Levende Kruis, muurschildering ca. 1400,

Kathedraal San Petronio, Bologna


Een vroege afbeelding van het levende kruis is een muurschildering in een kerk in Bologna. Op de voorstelling wordt Ecclesia gekroond door een hand die vastzit aan de arm die verbonden is met de dwarsbalk van het kruis. Aan de andere kant van de dwarsbalk wordt Synagoge met een zwaard door het hoofd gestoken. Ook dit zwaard wordt gehanteerd door een hand waarvan de arm het verlengde vormt van de dwarsbalk van het kruis. Boven is de rechtopstaande balk van het kruis verbonden met een arm en een hand die met een sleutel de paradijspoort opent. Na de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs was de poort gesloten. Pas nadat Jezus zich had opgeofferd om de zonden van de mensen uit te wissen, was de toegang tot het Paradijs weer mogelijk.

Levend Kruis, Giovanni da Modena (atelier) fresco, c. 1450,

Cappella di Santa Croce, Piazza Mondovì, Turijn


Een aantal zaken die wij zagen op de muurschildering met het Levend Kruis in Bologna zijn op de muurschildering in Turijn al wat beter te zien. Maria (helemaal links) als Mater Ecclesiae plukt vruchten van de levensboom. In de top van die boom zien we het kruis met het lichaam van Jezus. Door de kruisdood kunnen de mensen verlost worden van de gevolgen van de zondeval en eeuwig leven. Je moet dan wel aan de goede kant staan, aan de rechterzijde van Jezus! Alleen degenen die zich hebben aangesloten bij de Kerk kunnen deel hebben aan de verlossing door Jezus. Rechts van Maria staat Ecclesia, vertegenwoordigd door de paus met een overwinningsvaandel.

Eva (helemaal rechts) ontvangt van de slang de vrucht des doods. Zij heeft een schedel in de hand. Synagoge zit op een onthoofde bok. Zij houdt de kop van het dier in haar hand.

Thomas von Villach, Levend Kruis, muurschildering, ca. 1474-1480,

Pfarrkirche der Heilige Andreas, Thörl, Oostenrijk

Detail muurschildering met Levend Kruis, Thörl,


Op de muurschildering in de Pfarrkirche van Thörl wordt het zwaard door het hoofd van Synagoge gestoken. Het komt er onder de kin weer uit en vervolgt zijn weg door haar borst. Zij is geblinddoekt en haar kroon valt van het hoofd. De lans met banier is gebroken. Ook haar ezel is flink toegetakeld. De nek en de poten zijn op verschillende plaatsen doorkliefd. In haar linkerhand houdt zij een bloedende bokkenkop. Achter Synagoge staat Eva. Zij heeft de vrucht van de zondeval van de slang aangenomen en heeft haar volgelingen slechts de dood, voorgesteld in de vorm van een schedel, te bieden.

Ecclesia berijdt ook hier een dier met de vier koppen met elk een aureool. De hand uit het kruis plaatst de kroon op haar hoofd. Hoopvol en dankbaar kijkt zij naar de gekruisigde. Zij houdt de Kerk in haar handen. Achter haar plukt Maria vruchten van de levensboom. Die vruchten zijn platte witte schijfjes die wij natuurlijk moeten opvatten als hosties.

Rondom alle handen die uit het levend kruis komen zien we het kruisaureool van Christus. Het is immers door zijn handelen dat Synagoge wordt verslagen en de doden kunnen worden verlost. Onder de verticale kruisbalk hanteert een hand een hamertje om de poort van de hel open te breken. De uit de dood opgestane Christus kan nu afdalen in de hel om de uitverkorenen te verlossen. Dat wordt rechtsonder voorgesteld. De hand boven het hoofd van de gekruisigde opent de poort van het Paradijs. Aan weerszijden zien we de muren van de paradijstuin. Daarachter houden engelen witte lakens in de handen. Daarin bevinden zich de uitverkorenen. Daarachter wordt ons een blik in de hemel gegund. (Ga voor dat laatste terug naar het de afbeelding van de hele voorstelling.)

Levend Kruis, Hans Fries, ca. 1505, paneel: 148 x 05,2 cm, afkomstig uit een kerk in Freibourg, nu in het Musée d'Art et d'Histoire, Freibourg, Zwitserland


Ook op het paneel van Hans Fries is sprake van een levend kruis. Aan de linkerzijde van Christus wordt vanuit het kruis een groot zwaard door de hals van Synagoge gestoken. Zij zit op een ezel en is deels geblinddoekt, de kroon is van haar hoofd gevallen en zij drukt een schedel tegen haar gezicht. Achter haar kronkelt de slang met het bovenlichaam van een vrouw. Het is de slang die Eva heeft aangezet te eten van de boom waarvan God het haar verboden had. Daarmee begon al de ellende!

Aan de rechterzijde van Christus treffen we nu niet Ecclesia aan maar een priester die de mis celebreert. Hij staat achter een gedekte altaartafel. We zijn getuige van het moment dat de priester tijdens de consecratie de hostie opheft en het leven brengende brood, het lichaam van Christus, toont. Vanuit het kruis verschijnt een zegenende hand boven dit tafereel; een blijk van acceptatie van dit offer. Zo wordt een direct verband gelegd tussen het misoffer en het offer op Golgotha.

De levende handen zijn omringd door een gouden nimbus. Hiermee wordt verwezen naar de hemelse goedkeuring van het handelen.


Enfin, heel fraai allemaal!


Het is een lang stuk geworden, maar u heeft de tijd! De volgende blog verschijnt pas over twee weken. Door een stomme fout van mijn kant zijn alle afbeeldingen bij de meeste voorafgaande artikelen verdwenen! Dat wil ik graag herstellen en het ziet ernaar uit dat dit wel enige tijd zal kosten.


Gebruikte literatuur

- Wolfgang Seiferth, Synagoge und Kirche im Mittelater, München, 1964

- Nachum T. Gidal, De Joden in Duitsland, van de Romeinse tijd tot in de Weimar Republiek, Keulen, 1988

- Heinz Schreckenberg, The Jews in Christian Art, an Illustrated history, New York, 1996

- Elena Romero Castelló en Uriel Maciás Kapón, Joden in Europa, Cultuur – Geschiedenis Leuven, 1996

321 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven