• Paul Bröker

De menselijke ziel verbeeld

het onzichtbare zichtbaar gemaakt in de oud-Egyptische,

de Klassieke en de Christelijke periode


Louis Gauffier, Pygmalion en Galatea, olieverf op doek: 67,5 x 51,2 cm, 1797, The Manchester Art Gallery, Manchester, Engeland


Toen ik bezig was met het artikel over Pygmalion en Galatea (hier) kwam ik het schilderij van Louis Gauffier tegen. Op het eerste gezicht leek dat schilderij aan te sluiten bij de gebruikelijke beeldtraditie rondom het onderwerp: we bevinden ons in het atelier van de beeldhouwer. Pygmalion is helemaal verrukt over zijn schepping en wordt er zelfs verliefd op. De godin van de liefde herkent de oprechte liefde van Pygmalion voor zijn schepping en begrijpt ook zijn grote nood: het beeld kan geen liefde teruggeven. Op het schilderij van Gauffier is Aphrodite in de werkplaats van Pygmalion verschenen. Wij zijn getuige van het moment dat zij het beeldhouwwerk bezielt, het beeld wordt een levend wezen. Vanaf een wolk geeft zij Eros opdracht om een pijl af te schieten op de geliefde van de beeldhouwer en bewerkstelligt daarmee dat ook Galatea verliefd wordt op haar schepper. Tot nu toe sluit Louis Gauffier dus aan bij de iconografie die wie in het artikel hebben leren kennen. Maar er is iets opmerkelijks op het schilderij: Aphrodite houdt een vlinder boven het hoofd van Galatea. Toen ik dat zag begreep ik dat Gauffier ook nog aansluit bij een geheel andere iconografie. Met die vlinder toont de schilder aan dat het beeld een ziel krijgt. Daarmee wordt het onzichtbare zichtbaar gemaakt! De eerste tekenen hiervan komen we al tegen in de oud-Egyptische tijd. Ik wil in dit artikel de ontwikkeling van die beeldtraditie beschrijven en dan weer terugkomen op het schilderij van Gauffier. Het zal blijken dat de schilder aansluit bij een heel oude beeldtraditie waarvan hij een late navolger is.


het Oude Egypte


De scheppingsgod Chnoem

Veel belangrijke steden in het oude Egypte hadden een eigen scheppingsverhaal met eigen scheppingsgoden. Vanuit zo’n stad kon de verering van de plaatselijke scheppingsgod en het scheppingsverhaal zich over Egypte verspreiden en zich vermengen met andere mythologische tradities. Het cultuscentrum van de verering van de scheppingsgod Chnoem was de stad Elephantine, een eiland in het zuiden van Egypte, dichtbij Aswan. Chnoem wordt voorgesteld als een man met de kop van een ram. Dit wordt wel uitgelegd als een symbool van mannelijke daadkracht en vruchtbaarheid. Het is van belang dat wij weten dat het Egyptische woord voor ram ba is.

Chnoem genoot ook verering in de stad Esna. In de oude tempel van die stad kunnen we nog steeds de scheppingsmythe op de muren goed volgen. Er zijn nog veel reliëfs bewaard gebleven waarop te zien is dat Chnoem op een pottenbakkersschijf de eerste mensen uit klei modelleert.

De vrouw van Chnoem is Heket (of Heqet of Heqat). We herkennen haar als een menselijke gestalte met een kikkerkop. Nadat haar man klaar was met het vormen van de menselijke gestalte, schonk zij het een ziel. Zij schonk daarmee leven aan de beelden die haar man had gemaakt. Vervolgens werden zij naar hun moeders' schoot gebracht. Daarna zag zij toe op een goed verloop van de zwangerschap en een voorspoedige geboorte. Later wordt Heket verbonden met de godin Nechbet.

Chnoem en Heket, reliëf afkomstig uit de tempel van Chnoem op Elephantine


Chnoem (met hoorns en ramskop) vormt de eerste mensen op zijn pottenbakkersschijf. Zijn vrouw Heket (met kikkerskop) geeft hem een ziel. Zij doet dat met hét levensteken in de Egyptische mythologie bij uitstek: het anch-teken of het anch-kruis. In beide handen houdt zij dit levensteken. Zij raakt de verschillende delen van het lichaam met het anch-teken aan zodat het bezield wordt: de mond waardoor hij kan praten, het hoofd opdat hij kan denken, de oren om te horen, de ogen om te kunnen zien enzovoort. Het beeld wordt een mens die kan lopen, een persoon bij wie het hart klopt, bij wie het bloed door de aderen stroomt, een mens met gevoelens en een persoon die kan liefhebben enzovoort. Bij de ceremoniën rondom de dode wordt dit weer herhaald. Heket kon ook worden aangeroepen om de overledene na de dood in het hiernamaals opnieuw geboren te laten worden. De oudste vermelding van haar rol bij de wedergeboorte treffen we aan in de piramide van Oenas (ca. 2360 v.Chr.). Uit de teksten wordt duidelijk dat Heket de overleden farao begeleidt bij zijn reis naar het hiernamaals.

Heket bezielt de mens, detail reliëf van de tempel van Chnoem op Elephantine


Er zijn teksten bewaard gebleven uit het Egyptische Dodenboek van de ceremonie van het zogenoemde mondopeningsritueel bij de mummie. Dat is een buitengewoon belangrijk onderdeel van de begrafenisrite. Het ritueel moest de dode het vermogen geven in het hiernamaals te zien, te horen, te ademen, te eten en te drinken en eigenlijk alles te doen wat hij verkiest te doen. Bij het mondopeningsritueel raakt een priester het gezicht van de dode aan met bepaalde magische attributen en hij reciteert een groot aantal spreuken. Door de magische uitwerking van de handelingen en de spreuken kan de overledene in het dodenrijk weer normaal ademen, spreken, eten en drinken enzovoort. Kortom de dode krijgt al zijn levensfuncties weer terug. Bij het ritueel wordt onder andere de volgende tekst uitgesproken: “Ik open je mond, opdat je ermee kunt spreken, je ogen, opdat je de zon ziet, je oren opdat je de zaligsprekingen hoort; ik maak dat je jouw benen weer kunt gebruiken om te lopen, je hart en je armen om je vijanden af te weren.”

Wanneer het kouder begint te worden graven kikkers, eigenlijk vooral padden, zich in de grond en wanneer het weer warmer wordt komen ze uit hun holletje tevoorschijn. Dit zou bij de Egyptenaren de associatie hebben opgeroepen met het opstaan uit de dood. Ook in Egypte werden de meeste doden in de aarde begraven. Zij konden met de hulp van de godin met de kikkerkop weer opstaan en herboren worden. Om de kikkerkop van Heket te verklaren wordt ook wel gewezen op de enorme hoeveelheid kikkervisjes die uit de eitjes van een kikker komen. Hiermee kan verwezen worden naar vruchtbaarheid en nieuw leven.


De Ba, voorgesteld als een vogel

De Egyptenaren beschouwden het lichaam als het huis van de ziel. Zonder het aardse lichaam kon de ziel niet verder leven in het dodenrijk. De Egyptenaren geloofden dat de menselijke ziel was samengesteld uit verschillende elementen die door Heket waren ingeblazen. Een van die elementen is de Ba.

De Ba vertegenwoordigt dat deel van het menselijk bewustzijn dat al kortstondig wegvliegt bij schrik, dronkenschap, angst en andere situaties waarbij de mens zichzelf niet helemaal onder controle heeft. Dit geldt zeker voor de dood. De Ba dreigt bij de dood zijn veilige behuizing te verliezen en gaat ten onder. Wanneer het lichaam vergaat en de Ba daardoor niet de mogelijkheid heeft zich regelmatig met het lichaam te verenigen is hij niet in staat zich te handhaven. Het was daarom essentieel voor het voortleven in het hiernamaals dat de Ba in het lichaam kan terugkeren. Dit wordt gezien als de belangrijkste reden waarom de Egyptenaren ertoe overgingen het lichaam te mummificeren.

De Ba wordt in hiërogliefen weergegeven als een vogel met een mensenhoofd. De Ba-vogel is een zeer toepasselijke voorstelling van het kwetsbare en vluchtige karakter van de Ba. In het dodenboek, op voorstellingen in de dodenruimtes en op de mummiekisten zien we talrijke voorstellingen van de zielenvogel die boven het lichaam zweeft, op het lichaam is neergestreken of het lichaam volgt. De Ba kan zich ook vrijelijk buiten het graf bewegen en zijn eigen gang gaan. De Ba moet ‘vrij als een vogel’ kunnen rondvliegen.

Beeldje van de Ba-vogel / zielenvogel, beschilderd hout: 15,5 x 4,8 cm, 700-332 v.Chr, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Dodenboek van Tajoeheryt, afkomstig uit Thebe, totale lengte ca. 11 meter, 1076-944 v.Chr, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

De Ba strijkt neer op de mummie om zich met het lichaam van de overledene te verenigen.

Dodenboek van Ani, totale lengte ruim 23 meter, ca. 1250 v.Chr.

British Museum, Londen

De zielenvogel houdt een sjenring of sjenoering in de klauwen. Dit teken wordt gebruikt om de eeuwigheid of in de Egyptische hiërogliefen de eindeloze tijd aan te duiden.

detail Dodenboek van Ani

Beeldje van de vereniging van de zielenvogel met het lichaam van Thoetmosis III, hoogte x breedte x diepte: 5 x 9,8 x 4,4 cm; Gewicht: 315 gr, Ägyptisches Museum Berlin, Berlijn

De zielenvogel is neergestreken op het gebalsemde lichaam van Thoetmosis III (402-364 v.Chr.)

De zielenvogel verlaat het lichaam en keert weer terug

muurschildering in het graf van Irynefer

Mummiekist van Petisis, ca. 710-680 v.Chr., afkomstig uit het graf van Petisis, Thebe Rijksmuseum voor Oudheden, Leiden

De god Anoebis (met de kop van een jakhals) verzorgt de mummificatie van Petisis. Boven de mummie vliegt de Ba-vogel, de ziel van de overledene.



Romeinse sarcofagen


Prometheus

In de Griekse mythologie behoort Prometheus tot het godengeslacht van de Titanen. De oudst bekende versie van het Prometheus-verhaal lezen we in de Theogonie (507-646), een werk van de Griekse dichter Hesiodos (8ste-7de eeuw v.Chr.) over het ontstaan van de wereld en de oorsprong van de goden.In de vroege verhalen over Prometheus wordt verteld over het conflict met Zeus over de verdeling van een offerdier en het verhaal dat hij de mensen het vuur had gebracht. In latere Griekse mythologische verhalen lezen we dat Prometheus op aarde kwam en uit klei de eerste mensen vervaardigde. Ovidius neemt dat verhaal over in het eerste hoofdstuk van de Metamorphosen. Hierin beschrijft hij de schepping en de inrichting van de aarde en de schepping van de mens.

Ovidius vertelt ook dat Prometheus naar de aarde was gekomen: “Hij was bekend met het goddelijke zaad dat nog in de jonge aardbodem sluimerde. Hij nam wat klei roerde er regen door en kneedde mensen naar het beeld van de goddelijke heersers.” (Metamorphosen, Boek I, 82-88) Athena, de godin van de wijsheid blies het beeld haar adem in en schonk het daarmee een ziel.

Prometheus modelleert een mensen en Athena wekt het beeld tot leven en geeft het een ziel, overgeleverd detail van een Romeinse Sarcofaag, marmer: hoogte: 60 cm, lengte: 104 cm, 185 n.Chr. Museo Nacional del Prado, Madrid


Zoals we al gezien hebben bij de Egyptische scheppingsgod Chnoem is Prometheus op de sarcofaag bezig met het boetseren van een menselijke gestalte. Voor hem staat Athena die het beeld leven geeft. Zij houdt een vogel of een vlinder boven het hoofd van het beeld op de pottenbakkersschijf en geeft het daarmee een ziel. Ik heb de sarcofaag een paar jaar geleden in het Prado gezien. Ik vrees dat ik toen het detail van die vogel of vlinder niet heb opgemerkt. Op de foto is helaas niet goed te zien of het een vogel of een vlinder betreft.


Het verhaal van Psyche en Eros

Op klassieke sarcofagen wordt het beeld van de vlinder verenigd met Psyche, een koningsdochter uit de Griekse mythologie. Het verhaal wordt het meest uitvoerig verteld in Metamorphosen of De Gouden Ezel, een verzameling verhalen van de Latijnse schrijver Lucius Apuleius (ca.123/125-170/180).

In het verhaal wordt Psyche door iedereen bewonderd en bemind om haar schoonheid. De aandacht en verering van het meisje gaat zelfs zo ver dat de verering van Aphrodite erdoor wordt verwaarloosd. Dit kon de godin van de liefde niet verkroppen. Uit Jaloezie zal Aphrodite Psyche haar hele leven hardvochtig blijven dwarsbomen.

Eros, de zoon van Aphrodite is ondertussen smoorverliefd geworden op Psyche. Hij is in dit verhaal niet het jonge zoontje van Aphrodite, maar een beeldschone jongeman en een hartstochtelijke minnaar. De liefde is wederzijds. Aphrodite blijft Psyche meedogenloos lastig vallen en geeft haar een aantal vrijwel onmogelijke opdrachten. Zo werd zij naar Persephone, de godin van het dodenrijk gestuurd om haar een flesje schoonheidszalf te vragen. Op de terugweg is zij zo nieuwsgierig naar de inhoud van dat flesje dat zij zich niet kan bedwingen. Wanneer zij de flacon opent komt er een bedwelmende rook uit. Psyche raakt in een slaap waaruit zij niet meer wakker wordt.

Wanhopig is Eros op zoek naar zijn geliefde. Op zijn zoektocht wordt hij gedwarsboomd door zijn moeder, maar uiteindelijk vindt hij haar. Hij wekt Psyche met een kus en voert haar naar de godenberg. Daar vraagt Eros aan Zeus om een verzoening te bewerkstelligen tussen zijn moeder en zijn geliefde. Dat lukt! De oppergod laat Psyche een beker ambrozijn drinken waardoor zij onsterfelijk wordt. Zeus: "Neem en drink Psyche en je zal onsterfelijk zijn. Nooit zal Eros de band met jou verbreken, jullie huwelijk blijft bestaan tot in de eeuwigheid". Er wordt een groots huwelijksfeest op de Olympus georganiseerd waarbij alle goden en godinnen aanwezig zijn. Eros en Psyche zullen elkaar voor eeuwig liefhebben.

Psyche met vlindervleugels, zijkant van een Romeinse sarcofaag opgegraven in Sidon, 3de - 4de eeuw n.Chr, Nationaal Museum Beiroet

foto: Jona Lendring, Mainzer Beobachter.


Voor een goed begrip is het van belang dat wij weten dat het woord psyche in het Grieks (ψυχή=psychí) zowel voor vlinder als in de betekenis van ziel wordt gebruikt. Het komt ook voor in de betekenis van ‘ademtocht’. De menselijke ziel werd door velen beschouwd als een volkomen zelfstandig fenomeen dat op aarde weliswaar verbonden is met het stoffelijke lichaam, maar na de dood het enige is dat eeuwig overblijft. Na de dood ‘vliegt’ de ziel uit het lichaam en keert terug naar zijn goddelijke oorsprong.

Bij de symboliek van een vlinder moeten wij denken aan het diertje dat dood is gegaan als een rups en ‘begraven’ is in zijn cocon. Na enige tijd komt het dode dier, nu als vlinder, in een volledig nieuwe gedaante tevoorschijn, spreidt de vleugels en vliegt de lucht in. Deze gedachte sluit goed aan bij de algemene gedachte die spreekt uit voorstellingen op sarcofagen: hoop op leven na de dood en de vereniging met de

goden.

Huwelijksfeest van Cupido en Psyche, Romeinse sarcofaag, marmer: 134 x 339 cm

3de eeuw, British Museum, Londen


Op de sarcofaag in het British Museum liggen Cupido en Psyche tegen elkaar aan op een Romeins bed. Cupido legt zijn hand op de schouder van Psyche en zij houdt haar hand teder tegen de borst van Eros. De geliefden staan op het punt elkaar een kus te geven. Het onderscheid in vleugels is duidelijk: Cupido heeft zijn gebruikelijke, zeg maar vogelvleugels en Psyche draagt vlindervleugels.

De eeuwige liefde van Eros en Psyche, Romeinse sarcofaag 150-200 n.Chr, marmer: 214 x 60 cm, Cliveden Estate, Buckinghamshire, Engeland

De mens verenigt zich voor eeuwig met de goden. Een voorstelling van het eeuwige geluk na de dood dat door het overwinnen van aardse beproevingen is bereikt. Links en rechts houden gevleugelde Amors een brandende fakkel in de handen: het vuur van de liefde zal altijd blijven branden.


Het verhaal van Psyche komt veel voor en laat zien dat de mensen na de dood opnieuw geboren kunnen worden en zich verenigen met de goden. Ze moeten dan wel eerst hun aardse beproevingen doorstaan. De betekenis van het verhaal van Eros en Psyche op sarcofagen zal indertijd door iedereen goed zijn begrepen. Na allerlei aardse tegenspoed - vooral de tegenwerking van Aphrodite en de opdrachten die Psyche van de godin krijgt en ook de tegenwerking van haar jaloerse zussen - verkrijgt Psyche onsterfelijkheid en zal haar liefde met Eros eeuwig voortduren. Dat is een duidelijke boodschap op de sarcofaag. Degene die erin begraven lag kon de hoop koesteren om, evenals Psyche, zich na de aardse dood met de goden te verenigen.

Psyche, mozaïek, 4de eeuw n.Chr, Hatay Arkeoloji Müzesi,

Antiochië (Turks: Antakya), Turkije

Het vloermozaïek in het Archeologisch Museum van Hatay toont Psyche met vleugels als die van een dagpauwoog vlinder met kleurrijke oogvlekken.



Een beeld van de menselijke ziel in

de Christelijke periode


De ziel als een duif

Vanuit zijn kloostercel in het klooster van Montecassino ziet Benedictus de ziel van zijn zus Scholastica in de gedaante van een duif naar de hemel stijgen

fresco ca. 1430 in het Monastero del Sacro Speco, Subiaco, Italië


In Dialogen (593-594) beschrijft de heilige paus en kerkvader Gregorius de Grote (540-604, paus van 590 tot 604) een groot aantal gebeurtenissen uit het leven van de heilige Benedictus van Nursia (480-547). Gregorius vertelt wat er gebeurde rondom de dood van de zus van Benedictus, de heilige Scholastica (ca. 480-542): “Drie dagen later richtte Benedictus in zijn cel zijn ogen ten hemel en zag hoe de ziel van zijn zuster in de gedaante van een duif de hemel binnenging. Benedictus zond broeders uit om haar lichaam over te brengen en neer te leggen voor het graf dat hij voor zichzelf bestemd had. Zo gebeurde het dat broer en zus wier geest in God altijd één was geweest, ook lichamelijk niet gescheiden werden in het graf.”

De beschrijving van het voorval is een van de vele voorbeelden waarbij ook in de christelijke tijd de menselijke ziel als een vogel wordt voorgesteld. Die beeldtraditie is al eeuwen oud en lijkt haar oorsprong te hebben bij de Ba, de Egyptische zielenvogel. In de christelijke tijd zien we dat beeld in de christelijke catacomben en later op sarcofagen.

Grafplaat van Prectectus, marmer: 29,5 x 104,5 cm, ca. 350, afkomstig uit de

catacombe van Marcellinus en Petrus aan de Via Labicana, Rome,

nu: Musei Vaticani, Museo Pio Cristiano, Vaticaanstad

Tekst: “Moge Prectectus rusten in vrede. Hij leefde 9 jaar, 9 maanden en 3 dagen. Gevoed door Christus de God en de martelaren.”


De duif op de grafstèle is een beeld van de uitverkoren ziel. De tekst spreekt de hoop uit dat de ziel van Prectectus mag opvliegen naar het paradijs om in vrede (de olijftak waarop de duif staat) te leven bij God. Tussen de tekst zien we driemaal het Christusmonogram of het zogenaamde Chi-Rho teken: , dat is samengesteld uit de eerste letters van de Griekse naam ΧΡΙΣΤΟΣ (Christos): Χ (Chi) en Ρ (Rho).


Zijkant van een Romeinse sarcofaag in de Sant’Apollinare in Classe, Ravenna

Op de zijkant van de deksel van de sarcofaag treffen we in het midden het klassieke overwinningssymbool aan: de lauwerkrans met daarin het Christusmonogram. Ter weerszijden hiervan zien we twee zielenvogels die lijken te pikken aan de overwinningskrans. De duiven koesteren de hoop te mogen delen in Jezus’ overwinning op de dood. Een toepasselijke gedachte voor op een sarcofaag.

.

De ziel als een pauw

In Naturalis historia merkt de Romeinse schrijver Plinius de Oudere (23/24-79 n.Chr.) op dat een pauw na zijn dood niet tot ontbinding overgaat. Al in de voorchristelijke tijd was de pauw daarom een symbool voor eeuwig leven. In De civitate Dei (geschreven tussen 413 en 426) merkt de heilige kerkvader Augustinus (354-430) op dat de pauw, die zijn staartveren verliest en ze in de lente weer ziet aangroeien, een symbool is voor de verjonging en verrijzenis van de menselijke ziel. Het beeld van een pauw als verwijzing naar de onsterfelijkheid van de menselijke ziel komt daarom veelvuldig voor op de muren van de vroegchristelijke begraafplaatsen en als reliëf op sarcofagen en grafstèles. Zij moesten de gelovigen herinneren aan de onvergankelijkheid van de menselijke ziel.


Pauw, muurschildering in de catacombe van Priscilla, 4de eeuw




Andere zijkant van de Romeinse sarcofaag in de Sant’Apollinare in Classe in Ravenna

De pauwen pikkend aan een druiventros staan symbool voor de zielen die pikken aan het bloed van Jezus. Zij hopen te mogen delen in de overwinning op de dood die Jezus heeft bewerkstelligd door zijn lijden.

De (eucharistische) wijndruif is een beeld van het lijden van Jezus en meer in het bijzonder van zijn vergoten bloed. De zielen van de mensen eten en drinken van het lichaam en bloed van Christus waardoor zij onsterfelijkheid verkrijgen. Mattheusevangelie over de instelling van de eucharistie: “Zo nam hij op het einde van de maaltijd de beker met wijn en zei: ‘Neem en drink hiervan, want dit is de beker van het Nieuwe Verbond, dit is mijn bloed dat voor u vergoten wordt ter vergeving van zonden. Blijf dit doen om mij te gedenken.`” (Mattheus 26: 27-28)

De betekenis van de voorstelling op de sarcofaag ligt voor de hand: door het lijden en de kruisdood van Christus kan de ziel van de mens verlost worden. Dit moet ook degene die in deze sarcofaag begraven lag hoop geven op zíjn overwinning op de dood.

Romeinse sarcofaag van Teodoro, aartsbisschop van Ravenna, 467 x 344 cm

Basillica di Sant'Apollinare in Classe, Ravenna


Op de bolle deksel van de sarcofaag wordt in het midden het Christusmonogram omgeven door het klassieke overwinningssymbool: de lauwerkrans. Ter weerszijden daarvan is min of meer hetzelfde symbool afgebeeld, maar hier is de Chi de dwarsbalk van het kruis geworden. Hiermee wordt onderstreept dat de overwinning op de dood is bewerkstelligd door Jezus’ kruisdood.

Op de voorzijde van de sarcofaag wordt het Christusmonogram geflankeerd door twee pauwen. Links en rechts onderaan pikken duiven, aan de trossen wijndruiven.

De zielen van de mensen eten en drinken van het lichaam en bloed van Christus waardoor zij onsterfelijkheid verkrijgen. De strekking zal indertijd door iedereen zijn begrepen: door het lijden en de kruisdood van Christus kan de ziel van de mens verlost worden. Dit moet ook aartsbisschop Teodoro van Ravenna die in deze sarcofaag begraven lag hoop geven op zíjn overwinning op de dood door het vergoten bloed van Christus. De letters die aan de dwarsbalk van het kruis hangen zijn de A (alfa) en de Ꞷ (omega), de eerste en laatste letters van het Griekse alfabet. De letters verwijzen naar God als het begin en het einde. God beschrijft zichzelf in de Openbaring: "Ik ben de Alfa en de Omega. Ik ben het die was, die is en die komt.”. (Openbaring 1: 8). Het is dus net als bij de Egyptische sjenring dat wordt gebruikt om de eeuwigheid te symboliseren: door het lijden en de kruisdood van Christus voor eeuwig bij God.


San Marco, Genesiskoepel, Mozaïeken 12de eeuw

In een van de drie koepels in het voorportaal van de San Marco in Venetië wordt het scheppingsverhaal uit het eerste boek van Genesis voorgesteld.

Overzicht van de Genesiskoepel in de San Marco

Overzicht van het middengedeelte van de Genesiskoepel


Boven de eerste ring met verhalende voorstellingen staat een tekst die begint aan de bovenkant iets links van het midden en loopt tegen de wijzers van de klok in: “In principio creavit principio creavit. Deus coelum et terram. Spiritus Dei ferabatur super aquas”: In het begin schiep God hemel en aarde. Gods geest zweefde over de wateren. (Genesis. 1: 1-2)


De volledige tekst van die eerste twee verzen luidt: “1 In het begin schiep God hemel en aarde. 2 Maar de aarde was nog ongeordend en leeg; over de wereldzee heerste duisternis en Gods geest zweefde over de wateren.” (Genesis. 1: 1-2) Het cursieve gedeelte van de tekst is in de Genesiskoepel weliswaar niet verwoord, maar wel in beeld gebracht! Het scheppingsverhaal begint met het mozaïek onderaan in het midden van de eerste cirkel met de verhalende voorstellingen vanaf het middelpunt van de koepel. De duisternis waarvan sprake is wordt in beeld gebracht met zwarte mozaïeksteentjes. Boven de golven zweeft Gods geest over de wateren.

Het abstracte beeld van Gods geest die over de wateren zweeft wordt zichtbaar gemaakt door een duif die boven de donkere wateren door de duisternis vliegt. Gods geest wordt dus voorgesteld als een vogel, als een duif. Er is slechts één verhaal in de Bijbel waarin de Heilige Geest als een duif wordt beschreven: de doop van Jezus in de Jordaan. Het voorval wordt door de vier evangelisten beschreven. In het evangelie van Johannes is het Johannes de Doper die getuigt: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en op hem rusten.” (Johannes I: 32) Er wordt niet uitgelegd waarom Gods geest als een duif wordt voorgesteld. Blijkbaar was het in de tijd dat de tekst werd opgeschreven een zó voor de hand liggend beeld dat enige toelichting niet nodig was.







Piero della Francesca, Doop van Christus in de Jordaan, tempera op paneel: 167 x 116 cm, na 1451, afkomstig uit de Johanneskerk in Borgo San Sepolcro

nu: National Gallery, Londen.


Mozaïek Genesiskoepel, God modelleert de eerste mens uit klei

Tekst boven het mozaïek (slechts gedeeltelijk te zien op de afbeelding): “Faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram.”: Laten we mensen maken naar ons evenbeeld en gelijkenis” (Genesis 1, 26) en “Toen vormde God de mens uit kleiaarde …” (Genesis 2, 7)

Evenals in de Egyptische en Grieks/Romeinse mythologie wordt ook in het boek Genesis de eerste mens uit klei gemaakt. Het mozaïek laat zien dat de Schepper uit een donkere klomp aarde de mens naar zijn gelijkenis modelleert.

Mozaïek Genesiskoepel, God geeft de mens een ziel; de bezieling van Adam


Tekst boven het mozaïek: “Inspiravit in faciem eius spiraculum vite”: “Hij blies hem levensadem in zijn neus”. In Genesis volgt direct daarop: “Zo werd de mens een levend wezen.” (Genesis 2: 27)

Dit mozaïek in de scheppingskoepel (ca. 1220) van de San Marco laat zien dat voorstelling van de ziel met vlindervleugels in de 13de eeuw nog niet was vergeten. God schept een op hem gelijkend beeld uit klei. Daarna bezielt hij het beeld door het levensadem in te blazen. Dat wordt in beeld gebracht door hem een kleine menselijke gestalte met vlindervleugels aan te reiken.


Terug naar Pygmalion

Aphrodite houdt op het schilderij van Louis Gauffier van Pygmalion en Galatea een vlinder boven het hoofd van Galathea. Dat was in de tijd van Gauffier weliswaar iets unieks bij dit onderwerp, maar ik denk dat na het voorafgaande de duiding van die vlinder niet veel vraagtekens meer oproept: Aphrodite schenkt het beeld een ziel en het wordt daarmee een levend wezen. Nu het beeld een ziel heeft, beschikt het ook over alle zintuigen en is daarmee ook in staat de liefde van Pygmalion te beantwoorden en zelf lief te hebben.

detail Louis Gauffier, Pygmalion en Galatea


Pompeo Batono, Prometheus schept de eerste mens, olieverf op doek, 1743


Het schilderij van Pompeo Batono (1708-1787) komt voort uit dezelfde neoclassicistische periode als het schilderij van Louis Gauffier. Hier is het Prometheus die een op de goden geïnspireerd beeld van klei vervaardigt. Athena geeft het beeld levenskracht. Dit wordt op het schilderij in beeld gebracht met de vlinder die de godin boven het hoofd van het beeld houdt.

detail Pompeo Batono, Prometheus schept de eerste mens

Chnoem en Heket, Prometheus en Athena, Pygmalion en Aphrodite en de Christelijke scheppingsgod: in feite doen zij allen hetzelfde wanneer het gaat om de schepping en de bezieling van de mens: er wordt een menselijke gestalte uit klei opgetrokken en er wordt hem leven in geblazen en een ziel gegeven.


p.s. Volgende week verschijnt er geen nieuw artikel. Ik ga mij de komende dagen bezighouden met het samenstellen van het lezingen- en cursusprogramma voor het najaar 2021. Dat betekent cursuslocaties regelen, data prikken, nieuwe onderwerpen bedenken en teksten schrijven. In 'Blogdingen' informeer ik u eind volgende week over de resultaten.


Gebruikte literatuur

- Goden en farao's, (tentoonstellingscatalogus), Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam, 1979

- Moorman, Eric M. & Uitterhoeve, Wilfried, Van Alexandros tot Zenobia, thema’s uit de klassieke geschiedenis in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater, Nijmegen, 1989

- Gombrich, E.H, Eeuwige Schoonheid, Houten, 1992

- Rossiter, Evelyn, Het Egyptisch Dodenboek. Beroemde Egyptische papyri, Alphen aan de Rijn, 1979

- Beroli, Bruno, I Mosaici di San Marco. Iconografia dell’Antico e del Nuovo Testamento, Milaan, 1991

- Gros de Beler, Aude, La Mythologie Egyptienne, Parijs, 1998

- Mainzer Beobachter, Weblog Jona Lendring, zoek op Psyche, geraadpleegd: 25-6-2021



271 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven