• Paul Bröker

Hoogmoed komt voor de val: vier gravures van Hendrick Goltzius

over de oorsprong der dingen VI: barnsteen, populieren, zwanen, woestijnen,

de Icarische Zee en tantaluskwelling De val van de opstandige engelen en de val van Adam en Eva Evenals al het goede van God komt moet ook het kwade ergens zijn oorsprong hebben. De vroege kerk leerde dat het kwade er al moet zijn geweest voordat de mensen geschapen werden. Onder leiding van Lucifer was een groep engelen in opstand gekomen tegen God. De opstandige engelen wilden de heerschappij van God overnemen. In Jesaja 14:12-15 las men een zinspeling daarop. “Oh Morgenster (=Lucifer), zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volkeren, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk in de aller diepste put.”

De val van de opstandige engelen, Meester van de Opstandige Engelen,

tempera op paneel: 64,2 x 29 cm, ca. 1350, Musée du Louvre, Parijs

Op het paneel in het Louvre hebben we bovenin een kijkje in de hemel. Wij zijn getuige van het moment vrijwel direct nadat de opstandige engelen daaruit zijn verdreven. Rechts zijn hun zetels namelijk leeg. Onder de donkerblauwe hemelboog vindt nog een laatste schermutseling plaats. Met geheven zwaarden dwingen engelen die God trouw zijn gebleven de opstandige engelen tot een val in de diepte. Ze zijn zwart geworden en hebben een staart, klauwen, hoorns en andere demonische kenmerken gekregen. Zij vallen op de aarde en zakken daarna nog verder de diepte in, naar onder de aarde. Zij komen in de hel terecht. Vanuit hun verblijfplaats diep onder de aarde activeren de duivels actief het kwade. Op allerlei manieren trachten zij de mensen in opstand te laten komen tegen het goede, tegen God. Als de eerste mensen zouden Adam en Eva dat al snel ondervinden! Zij waren gevoelig voor de fraaie voorspiegelingen van de duivel. God had Adam en Eva verboden te eten van de vruchten van de Boom van Kennis van God en Kwaad. Wanneer zij dat toch deden zouden zij sterven. In de gedaante van een slang hield de duivel hen echter voor dat God dat had verboden omdat hij bang was dat Adam en Eva gelijk aan hem zouden worden: “Gij zal niet sterven, maar gelijkwaardig worden aan God”. Zij aten van de boom, kwamen op aarde terecht en werden inderdaad sterfelijk. (Genesis hoofdstuk 3) Door hun opstand tegen God werden zowel de opstandige engelen als Adam en Eva verdreven uit de nabijheid van God. Zij kwamen in een diepe val terecht. De opstandige engelen werden verbannen naar een plek onder de aarde en Adam en Eva en al hun nakomelingen naar de aardse ballingschap. Maar wat heeft dit alles te maken met de voorstellingen op de vier gravures van Goltzius?

Hendrick Goltzius Hendrick Goltzius is geboren in het Duitse plaatsje Brüggen, nu Bracht-am-Niederrhein, net over de grens bij Venlo. In 1577 trok hij naar Haarlem. De stad was in die tijd herstellende van het vernietigende beleg door de Spanjaarden en ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste culturele centra in de Noordelijke Nederlanden. Rond 1600 was Goltzius internationaal vermaard om zijn tekeningen, etsen, gravures en schilderijen. Hoewel hij vooral een maniëristisch kunstenaar was, hebben zijn stijl en kunstopvattingen hun basis in de Renaissance. Dat betekent voor de kunst dat ook onderwerpen uit de klassieke mythologie werden afgebeeld. Karel van Mander (1548-1606) was een stadsgenoot van Goltzius. Hij schreef als aanhangsel van het Het Schilder-boeck (1604) d'Wtlegghinghe op den Metamorphoseon. Hierin legt hij de betekenis van de verhalen van Ovidius uit en maakt duidelijk in welke gevallen een bepaald verhaal uit de Metamorfosen door kunstenaars moralistisch gebruikt kan worden. In zijn uiteenzetting wordt duidelijk dat niet alleen verhalen uit de Bijbel, maar ook verhalen uit de klassieke mythologie een christelijke moraal in zich dragen. De verhalen uit de klassieke oudheid worden gelijkgesteld met verhalen uit de Bijbel. Dat is kenmerkend voor de Renaissance.

Hendrick Goltzius, De vier ‘vallers’: Tantalus, Icarus, Phaëton en Ixion, vier gravures, 1588, Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet, Amsterdam Links- en rechtsonder: Ixion en Tantalus tegen een donkere achtergrond. Zij vallen in de duistere diepte van de Tartarus. Links- en rechtsboven: Icarus en Phaëton tegen de heldere achtergrond van de lucht. Zij vallen van hoog in de lucht naar beneden. In de Latijnse teksten rondom de voorstellingen wordt de moraal van het verhaal duidelijk gemaakt. De vier ‘vallers’ Uitgangspunt van dit stukje vormt de serie met vier gravures van Goltzius. Net als in het verhaal over de val van de opstandige engelen en het verhaal van de verdrijving uit het paradijs gaat het in de serie prenten om mensen uit de klassieke mythologie die zich hoogmoedig hebben gedragen en daarom diep ten val komen: Tantalus, Icarus, Phaëton en Ixion. Die neerstortende gestalten moeten een artistieke uitdaging zijn geweest voor de kunstenaar. Hun ingewikkelde houdingen en gespierde lichamen met lange ledematen zijn kenmerkend voor het Maniërisme. Tantalus Tantalus was een zoon van Zeus en van de aardse stervelinge Pluto, dochter van Himas. Tantalus was de mythische koning van Frygië. De goden waren erg gesteld op de zoon van Zeus. Zo werd hij als enige sterveling uitgenodigd aan te schuiven bij de godenmaaltijd op de Olympus. Hij was trots op die vriendschappelijke omgang met de goden en al vlug maakten hoogmoed en eerzucht zich van hem meester. Tegenover zijn omgeving liet hij zich voorstaan op zijn goede contacten met de goden. Hij stal van de hemelse tafel spijs en drank: ambrozijn en nectar en zette die trots aan zijn aardse gasten voor. Ook vertelde hij geheimen door die de goden hem hadden toevertrouwd. Zijn hoogmoed komt tot een climax wanneer hij besluit om de goddelijke alwetendheid op de proef te stellen. Hij nodigt de goden uit voor een maaltijd bij hem thuis. Voor die maaltijd had hij zijn zoon Pelops gedood. Het lichaam van het kind sneed hij aan stukken en werd aan de hemelse gasten voorgeschoteld. De goden was de oorsprong van het vlees echter niet ontgaan. Pelops werd weer tot leven gewekt en Tantalus werd verschrikkelijk gestraft. Met zijn daad had hij het ook voor Zeus te bont gemaakt. Woedend werd hij op bevel van zijn vader in de Tartarus geworpen, het bergachtige deel van de onderwereld.

Goltzius, de val van Tantalus, gravure: diameter: 33,1 cm, 1588,

Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet, Amsterdam


Hugues Taraval, het banket van Tantalus, olieverf op doek: 103,5 x 143 cm,

1767, verblijfplaats onbekend

Op het schilderij van de Franse kunstenaar Hugues Taraval (1729-1785) is de maaltijd beëindigd. Achter de tafel zien we de geschokte reacties van de disgenoten. Hermes slaat Tantalus in de boeien en hij wordt weggevoerd naar de Tartarus. Zeus leunt met zijn linkerbeen op de adelaar, het attribuut dat verwijst naar zijn heerschappij over hemel en aarde. Hij heeft zich naar zijn zuster Demeter gedraaid en geeft haar het tot leven gewekte kind. Tantaluskwelling In de Tartarus onderging Tantalus een eeuwige kwelling. Hij werd vastgeklonken aan de bodem van een meer. Het water kwam tot aan zijn lippen. Toch moest hij voor altijd dorst lijden! Iedere keer wanneer hij zijn hoofd naar voren boog om te drinken zakte het water weg in de donkere bodem van de het meer. Het zou hem nooit lukken om ervan te drinken. Maar daarmee was de wraak van de goden nog niet gestild. Tantalus werd ook gekweld door een eeuwige honger. Vanaf de oever van het meer reikten takken van een boom met verrukkelijke vruchten over het water. Het leek alsof Tantalus slechts zijn handen behoefde uit te steken om een van die vruchten te plukken. Maar ieder keer wanneer hij door honger gekweld wanhopig zijn hand naar de boom uitstrekte stak er een plotselinge wind op die de takken van de boom wegblies, ver buiten bereik van Tantalus. De ellende van Tantalus leeft nog voort in ons woord: tantaluskwelling: iets wat iemand binnen bereik of gezichtsveld heeft, maar nooit zal weten te bemachtigen.

Op de afbeelding zien we Tantalus tot aan zijn middel in het naar beneden gezakte water staan. Hij strekt zijn armen en handen uit om bij een vrucht te geraken. Op hetzelfde moment blaast de wind achter hem de tak waaraan de vruchten hangen weg.

Le supplice de Tantale, Joseph Edouard Stevens, 1850, Musée d’Orsay, Parijs


De hond ziet en ruikt het flinke stuk vlees en andere lekkernijen. Het arme dier is echter vastgebonden en kan er niet bij.

Honoré Daumier, Tantaluskwelling, lithografie uit het tijdschrift Le Charivari, 1842

Straf voor het baasje! Icarus In de Griekse mythologie komt Minos naar voren als de machtige koning van Kreta. Naar hem is de Minoïsche beschaving genoemd (ca. 3000-1200 v.Chr.). De koning had de grootste bouwmeester, beeldhouwer en uitvinder van zijn tijd, Daedalus lange tijd aan zich weten te binden. Zo had Daedalus het legendarische paleis van de koning ontworpen. De restanten van het paleis van koning Minos op Kreta zijn nog steeds indrukwekkend. Het verhaal bij de gravure van Goltzius begint bij Pasiphaë, de vrouw van koning Minos. De god Poseidon had Minos een witte stier gegeven met de bedoeling dat de koning het dier aan de goden zou offeren. Dat deed de koning niet. Hij wilde het krachtige dier gebruiken als fokstier voor zijn kudde. Poseidon nam wraak. Hij zorgde ervoor dat Pasiphaë verliefd werd op die stier. Zij kon haar liefde niet bedwingen en vroeg aan Daedalus iets te bedenken waardoor zij gemeenschap met het dier kon hebben. De uitvinder maakte een fraaie nep-koe die van binnen hol was.

Daedalus toont Pasiphaë de koe, fresco: 60 × 40 cm, ca. 15-45 n.Chr.

afkomstig uit de Casa dei Vettii, Pompeï, nu: Museo Archeologico Nazionale, Napels


Daarin nam Pasiphaë plaats met haar hoofd op de plek van de kop van die namaak koe, haar armen in de voorpoten van het dier, haar voeten in de achterpoten en haar achterwerk zo ongeveer op de plaats waar de niets vermoedende stier gemeenschap had met de vrouw. Pasiphaë raakte zwanger en baarde de zogenaamde Minotaurus, een schepsel met de kop van een stier en het lichaam van een mens.

Pasiphaë met de pasgeboren Minotaurus, Griekse ronde drinkschaal, 4de eeuw v.Chr., Bibliothèque Nationale de France, Parijs … Het blijft toch je kind hè! De Minotaurus ontwikkelde zich tot een verschrikkelijk monster. Het was een bijzonder agressief schepsel dat alleen maar in bedwang was te houden door het te voeden met mensenvlees. De Minotaurus werd opgesloten in een door Daedalus ontworpen labyrint: het vermaarde Labyrint van Kreta. Daarin werd het dier rustig gehouden door jaarlijks zeven jongemannen en zeven meisjes het labyrint in te sturen. Daar wist de Minotaurus wel raad mee. Het monster wordt uiteindelijk gedood door Theseus. Enfin daarover schrijf ik nog wel een keer, en ook over de liefdesgeschiedenis van Theseus met de dochter van Minos: Ariadne en haar befaamde draad. Na verloop van tijd verlangde Daedalus hevig terug naar zijn vaderstad Athene. Minos had vernomen dat zijn bouwmeester al een schip in gereedheid had laten brengen om het eiland te verlaten. De koning wilde de kunstvaardige man echter niet laten gaan en sloot hem samen met zijn zoon Icarus op in het door hemzelf ontworpen labyrint. De uitvinder had zo’n ingewikkeld gangenstelsel met doolwegen, kamers en voor het oog misleidende motieven ontworpen dat ook hij de uitgang niet wist te vinden. Maar daardoor was de uitvinder niet uit het veld geslagen: “Laat Minos te land en op zee mij de weg versperren …”, riep hij vastberaden uit “… dan blijft nog altijd de vrije lucht over.” Daedalus nam veren van vogels die hij met bijenwas aan elkaar plakte en maakte er vier grote vleugels van. Die vleugels bond hij met leren riemen aan zijn armen en ook aan de armen van zijn zoon. Al vliegend weten Daedalus en Icarus uit het labyrint te ontsnappen. Ovidius: “De vader vloog voorop, zijn hart was vol van zorg, gelijk bij een vogelmoeder, die voor de eerste keer haar teder broedsel uit het nest in de vrije lucht laat gaan.” Daedalus was bezorgd om de overmoed van zijn zoon en waarschuwde hem keer op keer in het midden te blijven: “Want als je te laag vliegt, zullen de golven je vleugels nat maken. Wanneer je echter te hoog vlieg, kom je te dicht bij de zon en zal de was door de hitte smelten.” Hoogmoedig slaat hij de waarschuwingen van zijn vader in de wind. Hij komt zó dicht bij de zon dat de was die de veren van de vleugels bij elkaar houdt smelt. De veren laten los. Vertwijfeld slaat hij nog met de armen op en neer, maar de val is ingezet en hij stort in zee. De zee werd naar hem genoemd: Icarische Zee.

Goltzius, de val van Icarus, gravure: diameter: 33 cm, 1588,

Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet, Amsterdam

De zon rechtsboven heeft met zijn krachtige stralen de was doen smelten. Nu hij zijn vleugels niet meer kan gebruiken is Icarus in een diepe val terecht gekomen. Onder Icarus vliegt Daedalus verder. Hij zou heelhuids op zijn bestemming aankomen.


Peter Paul Rubens, Val van Icarus, 1636, Prado Madrid

Daedalus kijkt bezorgt naar zijn zoon. Hij ziet dat de veren van de vleugels van Icarus loslaten en dat zijn zoon in een vrije val terecht is gekomen. Onder hen zien we de zee die naar Icarus genoemd zou worden.

Artus Quellinus, De val van Icarus, marmerreliëf, 1650-1664,

Koninklijk Paleis, Amsterdam

De veren van de vleugels van Icarus laten los en enkele dwarrelen al in de lucht. Achter de rechtervleugel zien we de stralen van de zon. Linksonder vliegt Daedalus door.


reliëf boven de deur van de detail reliëf Artus Quellinus, festoen met ratten

Desolate Boedelkamer

In de renaissance-literatuur wordt het verhaal over Icarus gebruikt als waarschuwing tegen hoogmoed. Het spreekwoord 'hoogmoed komt voor de val' heeft in dit verhaal zijn oorsprong. Fraai in dit verband is de plaatsing van een reliëf met de val van Icarus van Artus Quellinus. Het reliëf werd aangebracht boven de deur van de Desolate Boedelkamer in het Amsterdamse stadhuis. In dat kantoor werden onder andere faillissementen uitgesproken. De hoogmoedigheid van Icarus werd ten voorbeeld gesteld aan Amsterdamse burgers en kooplieden die op te grote voet leven en schulden maken of te grote risico’s nemen bij het zakelijk handelen en daardoor failliet konden gaan. In het festoen boven de naar beneden stortende Icarus zien we een omgekeerde geldkist: er zit niets meer in! Alleen ratten hopen nog iets van hun gading te kunnen vinden. De beesten hebben het ook voorzien op de waardeloze waardepapieren en documenten.

Phaëton

God van de zon Helios in de Zonnewagen, Griekse vaas, 5de eeuw v.Chr.

British Museum, Londen


Helios, de zonnegod gaat iedere morgen vanuit zijn schitterende hemelwoning in het Oosten, in de zonnewagen, getrokken door vier gevleugelde paarden over het hemelgewelf naar het Westen. In veel klassieke verhalen wordt Helios gelijkgesteld met Apollo. Het verhaal over Phaëton is gebaseerd op de tragedie Phaëthon van Euripides (ca. 480-406 v.Chr.) Hiervan zijn nog enkele fragmenten bewaard gebleven. Ovidius zal nog wel over de complete tekst van het treurspel hebben kunnen beschikken. In het tweede boek van diens Metamorfosen wordt het verhaal verteld.

Phaëton was de zoon van de zonnegod Helios en van een aardse dochter van Oceanus, Clymene. Als jongeman verneemt hij van zijn moeder wie zijn vader is. Phaëton trekt naar het paleis van zijn vader in het uiterste Oosten van de aarde. Daar vraagt hij Helios hem een bewijs te geven van zijn afstamming. Helios zegt hem toe dat hij elke wens van zijn zoon in vervulling zal laten gaan. Phaëton verzoekt zijn vader om gedurende één dag de zonnewagen te mogen besturen. Helios heeft direct spijt van zijn toezegging. Hij realiseert zich dat het zijn zoon nooit zal lukken om de wagen met vurige paarden in bedwang te houden. Hij vreest grote ongelukken en doet er alles aan om zijn zoon te overreden van het plan af te zien: “Ik zeg je eerlijk: alleen dit zou ik je weigeren … Je vraagt te grote dingen, Phaëton, niet passend bij de krachten van je lichaam … Je bent een mens, maar wat je wenst is niet menselijk … Laat mij je duidelijk maken Phaëthon, de weg die mijn wagen moet afleggen begint steil en slechts met moeite kunnen de paarden in de vroege ochtend hem beklimmen, hoewel ze nog frisse kracht hebben. Over het hoogste van de hemelkoepel voert dan de baan. Ik zelf word zo vaak nog aangegrepen door een verschrikkelijke angst, en mijn hart siddert van vrees en beven als ik vanuit die duizelingwekkende hoogte neerzie op de zee en de aarde beneden mij! Het laatste deel van de weg is een hellende afgrond. Dan moet men de teugels terdege in de hand hebben. Zelfs Thetis, de lieflijke dochter van de zeegod die mij dan in haar golven ontvangt, ziet telkenmale met bezorgdheid toe, of ik niet omlaag zal storten … Ik geef je een sterk bewijs: ik ben bang! Door vaderangst betoon ik mij je vader.” Metamorfosen II: 57-92

Helios waarschuwt ook nog voor het gloeiend vuur uit de neusgaten van zijn paarden. Maar Phaëton laat zich niet overreden. Als hij blijft aandringen en zijn vader wijst op zijn eerder gedane belofte, acht Helios zich daaraan inderdaad gebonden. Wanneer Phaëton de volgende morgen in de zonnewagen heeft plaatsgenomen geeft de zonnegod nog een laatste waarschuwing: “Wees zuinig met de zweep, gebruik je krachten voor de teugels. De paarden rennen wel, het is de kunst hun vaart te tomen.”

Phaëton vertrekt met de zonnewagen uit het hemelpaleis van zijn vader,

anoniem (Nederland), Gravure 1590


Dan opent Aurora, de godin van de dageraad de poorten van het paleis. Op de gravure spreidt Aurora haar armen. Zij verdrijft de duisternis van de nacht en de zon komt op: de wagen begint te rijden. Als de gevleu­gelde paarden zich langs het duizelingwekkende pad in beweging hebben gezet merken zij al vlug dat zij niet gemend worden door de krachtige en vaste hand die zij gewend zijn. Phaëton raakt vrijwel meteen in paniek en de dieren slaan onder zijn ongeoefende handen op hol. De wagen verlaat de voorgeschreven baan. De ene keer komt de wagen veel te hoog en botst tegen de sterren die oververhit raken. De Maan is verbaasd dat de paarden van haar broer onder haar langs gaan, (Diana, de godin van de maan was de zuster van de zonnegod Apollo). Dan weer duikt de zonnewagen steil naar beneden waardoor het poolijs smelt. Ovidius: “De aarde brandt, de grond splijt scheurend open, alles wordt dor omdat het water van de rivieren en de meren verdampt, grasvlakten worden as, de bomen vatten vlam … grote steden gaan met muur en al ten gronde; het vuur doet landen met hun bewoners geheel in as opgaan; bergen met bossen branden kaal … Men meent dat Ethiopiërs die dag hun zwarte huidskleur hebben gekregen en dat Libië woestijn is geworden … Ook de Eufraat staat in brand … De Nijl is in paniek naar het einde van de wereld weggevlucht, waar hij zijn hoofd tot nu toe verborgen houdt (Tot in de negentiende eeuw was de oorsprong van de Nijl onvindbaar.) … Neptunes waagde tot driemaal toe, met een norse blik, uit zee zijn armen op te steken, driemaal was de lucht echter te heet.”

Ten einde raad vraagt Moeder Aarde Jupiter om hulp: “De beide polen branden al! Als zij door het vuur verzwakt worden stort ook uw hemelwoning in. Kijk naar Atlas die slechts met pijn het gloeiende hemelgewelf kan dragen. Als alles wordt vernietigd, de aarde, de zee en het hemelrijk zijn wij weer terug bij Chaos. Red wat nu nog uit het vuur te redden valt.” Jupiter kon niet anders: hij slingert een bliksemstraal naar Phaëton die in een dodelijke val geraakt. “De waternimfen van het Avondland leggen zijn lichaam, nog smeulend van de bliksem in een graf. Het grafschrift luidt: “Dit is het graf van Phaëton, de Zonnewagenmenner, hij was te klein en stortte neer, zijn waagstuk was te groot.” Met dit grafopschrift omschrijft Ovidius zelf de moraal van de geschiedenis.

Goltzius, de val van Phaëton, gravure: diameter: 33 cm, 1588,

Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet, Amsterdam


Op de gravure van Goltzius tuimelt Phaëton naar beneden. In de achtergrond vallen ook de vier paarden en een deel van de zonnewagen en een los wiel naar de aarde.


Vanaf de jaren zeventig van de vijftiende eeuw verschijnen uitgaven van de zogenaamde Ovide Moralisé. Hierin worden de verhalen uit de Metamorfosen van Ovidius verteld én van een christelijke moraal voorzien. Het verhaal over Phaëton wordt als voorbeeld genoemd van hoogmoedig gedrag. De daaruit voorkomende val wordt in verband gebracht met de val van de hoogmoedige Lucifer en zijn engelen én de val van de ijdele Adam en Eva.

De halfzusters van Phaëton, de Heliaden, dochters van Helios rouwen bij het graf van hun broer en veranderen in populieren en hun eeuwige tranen in barnsteen.


De Heliaden komen bijeen bij het graf van hun halfbroer. Zij zouden er voor eeuwig blijven treuren! De metamorfose van de Heliaden wordt beschreven door Ovidius: “…. Maar Phaëthus (zus van Phaëton) klaagt erover dat haar voeten verstijven. Als Lampetia (zus van Phaëton) haar wil helpen, merkt zij dat haar voeten aan de grond geklonken zijn (zij schieten wortel!) en als de derde met haar handen naar Lampetia wil grijpen, rukt zij er blaadjes af. De zussen van Phaëton kermen dat er langs hun benen een stam omhoog groeit en dat hun armen lange takken worden en dat boomschors zich om hun heupen sluit, steeds hoger, over buik en borst, schouders en armen, tot alleen hun hoofden overblijven.” Boek II, 340-366

De zwaan links op de voorstelling is een verwijzing naar Cycnus die uit verdriet om de dood van zijn vriend in een zwaan is veranderd. In Boek II, 367-380 beschrijft Ovidius zijn gedaanteverandering: “Cycnus kwam naar het bos waar de zonnedochters stonden, met geklaag vervuld, toen hem zijn stem ontviel en een witte verendos zijn haren verving: vanaf zijn schouders werd zijn nek lang uitgerekt, een zwemvlies spon zich tussen rode tenen, veren bedekten zijn lichaam en zijn mond werd tot een snavel zonder spits. Hij werd tot een nieuw soort vogel die zich verre houdt van Jupiters hemel (niet te dicht dus bij de zon!!) …” Die nieuwe vogel werd vernoemd naar Cycnus (Grieks voor zwaan).

Santi di Tito (1536- 1603), de Heliaden, dochters van Helios en zusters van Phaëton veranderen in populieren en hun tranen in barnsteen, 1572

detail schilderij Santi di Tito (1536- 1603), de eeuwige tranen van de Heliaden zijn al in bruine barnsteen veranderd.

Detail schilderij Santi di Tito, kinderen rapen barnsteen op


Hendrick Goltzius, het begin van de metamorfose van de Heliaden in populieren en de gedaanteverandering van Cycnus in een zwaan, gravure in een Hollandse uitgave van de Metamorfosen van Ovidius, boek 2, plaat 4, 1590, County Museum of Art, Los Angeles


Op de gravure is Cycnus al voor het grootste deel in een zwaan veranderd. Alleen zijn gedeeltelijk nog menselijke benen wijzen op een menselijke oorsprong.

De metamorfose van Cycnus in een zwaan,

detail van een gravure van Bernard Picart, ca. 1750


Ixion

Wanneer we de klassieke mythologie overzien wordt duidelijk dat de oppergod Zeus het niet erg nauw nam met zijn huwelijkstrouw. Zijn vrouw Hera is ongetwijfeld de meest bedrogen echtgenote in de klassieke verhalen.

In het verhaal van Ixion wordt duidelijk dat wanneer iemand het in zijn hoofd haalt Hera het hof te maken de oppergod furieus reageert. Ixion, koning van de Lapithen was de vermetele die het in al zijn hoogmoedigheid had gewaagd Hera te verleiden.

Ixion was getrouwd met Dia, een dochter van koning Deioneus. Ixion had zijn aanstaande schoonvader een mooie bruidsschat in het vooruitzicht gesteld. Toen de betaling daarvan na de huwelijkssluiting achterwege bleef verzocht Deioneus om de beloofde bruidsschat te betalen. Ixion vermoordde hem daarop. Hij geldt als de eerste sterveling in de klassieke mythologie die een familielid doodde. Zeus vergaf hem zijn misdaad en nodigde Ixion zelfs uit aan zijn tafel. Ixion toont geen enkele dankbaarheid, integendeel hij probeerde de echtgenote van Zeus te verleiden.

Zeus was van een en ander op de hoogte maar wilde voordat hij Ixion zou straffen zekerheid hebben of Ixion zijn verliefd­heid voor Hera ook werkelijk in lijfelijke daden zou omzetten. Hij stuurde een wolk, Nephele genaamd in de gedaante van zijn vrouw op Ixion af. Toen Ixion zich inderdaad niet wist te beheersen wist Zeus genoeg.

Carlo Maratta (1625-1713), Ixion bedrijft de liefde met een wolk,

Olieverf op doek, 30,5 x by 38 cm.


Ixion werd veroordeeld tot een gruwelijke straf. Hij werd in de oneindige afgrond van de Tartarus geworpen. Vervolgens werd hij met slangen aan een rad gebonden en voor eeuwig rondgedraaid in een enorme vuurpoel.

Uit de gemeenschap met de wolk Nephele, kwam Kentau­rios voort, de stamvader van de Kentauren.

In de middeleeuwen en ook in de nieuwe tijd geldt Ixion als personificatie van Luxuria, de lichamelijke wellust.

Goltzius, de val van Ixion, gravure: diameter: 33,2 cm, 1588,

Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet, Amsterdam


De straf van Ixion, Romeins reliëf: 2de eeuw n.Chr.

Archeologisch museum van Side, Turkije


De straf van Ixion in de Tartarus, Bernard Picart, gravure, ca. 1750

Alexandre Denis Abel de Pujol, Ixion met slangen aan het rad geketend wordt in de Tartarus in het vuur rond gedraaid, olieverf op doek,1824, Musée du Louvre, Parijs

Ixion Précipité Dans les Enfers, De straf van Ixion in de onderwereld,

Jules-Élie Delaunay, 1876


Gebruikte en aangehaalde Literatuur:

- Gustav Schwab, Griekse mythen en sagen, Utrecht, 1956

- Eric Noorman en Wilfried Uiterhoeve, Van Achilles tot Zeus, Thema’s uit de klassieke mythologie in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater. Trefwoorden: ‘Daidolos en Icaros’, ‘Ixion’, ‘Minos’, ‘Phaëthon’, Nijmegen, 1987

- James Hall, Hall’s Iconografische Handboek; Onderwerpen, symbolen en motieven in de beeldende kunst, Leiden, 1992

- Ovidius Metamorphosen, Boek IV: 285-388, vertaling M. D'Hane-Scheltema, Amsterdam, 1998

- Tentoonstellingscatalogus: Hendrick Goltzius, tekeningen, prenten en schilderijen, Rijksmuseum, Amsterdam, 2003

226 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven