• Paul Bröker

Nederlands nationalisme in de 19de-eeuwse schilderkunst: over helden uit de vaderlandse geschiedenis

Laat ik beginnen met wat stereotype voorbeelden. Wanneer het Nederlandse voetbalelftal een belangrijke internationale beker heeft gewonnen of wanneer een Nederlander de Nobelprijs heeft gewonnen of wanneer een Nederlandse artiest het Eurovisie Songfestival heeft gewonnen, dan spreken wij al vlug over ‘wij hebben gewonnen’. Wanneer ons Nederlandse team niet heeft gewonnen, dan spreken we al vlug van ‘zij hebben verloren’. Onze nationale trots is gekrenkt en we spreken niet in de wij-vorm. En wat zijn wij trots op onze grote 17de-eeuwse kunstenaars die in vooraanstaande musea over de hele wereld worden bewonderd. Daarnaast vinden wij het ook weer jammer wanneer wij ‘onze kunst’ niet in een Nederlands museum, maar in het buitenland aantreffen. Zo kan ik het persoonlijk maar moeilijk verkroppen dat in de Hermitage in Sint Petersburg op één grote muur meer schilderijen van Rembrandt hangen dan wij in Nederland bezitten.


Nationalisme in de 19de eeuw

Een gevoel van culturele eenheid is vanzelfsprekend van groot belang om het volk van een land het gevoel te geven aan elkaar verbonden te zijn. Lang waren eenheid van godsdienst en eenheid in taal belangrijke grondslagen voor zo’n culturele verbondenheid. Er kunnen nog heel wat andere aspecten zijn die het nationale gevoel van een volk kunnen voeden. In de 19de eeuw kwam daar nog een aspect bij.

In Historiezucht. De obsessie met het verleden in de negentiende eeuw van Marita Mathijsen wordt duidelijk dat vanaf het begin van de 19de eeuw de belangstelling voor geschiedenis explosief groeide, ook de interesse in de eigen, vaderlandse geschiedenis. Met de verhalen over ónze grote nationale helden werd veelal teruggegrepen op geschiedenissen die teruggaan tot in de Middeleeuwen en doorlopen tot en met vertellingen uit de min of meer hedendaagse geschiedenis. De burger dient trots te zijn op de vertellingen waarin het gevoel en de gedachte naar voren komen: ‘waarin een klein land groot kan zijn’. Die verhalen zouden iets vertellen over wie wij zijn, over onze historische dapperheid, edelmoedigheid, opofferingsgezindheid, vaderlandsliefde, enfin over alles wat je maar kunt bedenken wanneer het gaat om verhalen waarin de hoofdpersoon zijn persoonlijke belangen volledig wegcijfert voor een grootser doel: het vaderland. Er wordt willens en wetens een trots aangewakkerd voor ons historisch verleden en onze nationale helden. Daarbij mag een goed verhaal de waarheid niet in de weg staan! Romantische toevoegingen en zelfs compleet verzonnen verhalen over onze historische helden vormden vaak geen enkel bezwaar wanneer het gaat het vaderlandslievend en saamhorigheidsgevoel aan te wakkeren.


Nationalisme in de kunst

De beeldende kunst laat zich niet onbetuigd. Een belangrijke ‘voorloper’ van een schilderij dat appelleert aan ons ‘grootse verleden’ is De samenzwering van Julius Civilis (1661) van Rembrandt. In een van de vorige artikelen ging ik daar uitvoerig op in. (klik hier) Hieronder wordt een aantal kunstwerken uit de 19de eeuw behandeld.

Het was niet gemakkelijk om een keuze te maken uit de enorme hoeveelheid vaderlandse historische onderwerpen waaruit een 19de-eeuwse kunstenaar en/of opdrachtgever kon kiezen. Een belangrijk voorbeeld dat in de 19de eeuw laat zien dat dat er een ruim scala aan onderwerpen was waarmee de kunstenaar kan verwijzen naar historische voorbeelden van de grootsheid van ons vaderland is de Historische galerij van Jacob de Vos. Het Amsterdam Museum (voorheen: Amsterdams Historisch Museum) had in 1991 een tentoonstelling over dit onderwerp: Helden van het Vaderland. Onze geschiedenis in 19de-eeuwse taferelen verbeeld. In de catalogus bij deze tentoonstelling wordt duidelijk dat gedurende de periode 1850-1863 maar liefst dertig kunstenaars hebben gewerkt aan de 253 schilderijen met even zoveel onderwerpen. Een enorme operatie die blijk geeft van grote historische belangstelling en bovendien laat zien dat men niet om onderwerpen verlegen zat. De Historische galerij van Jacob de Vos behandelt de vaderlandse geschiedenis van 40 n.Chr. tot en met 1861, van: het schilderij Een Kaninefaat bespot keizer Caligula om zijn overwinning op zee (40 n.Chr) tot en met de watersnood in de Bommelerwaard (1861). De Historische galerij van Jacob de Vos bevindt zich in het Amsterdam Museum.


Koninkrijk der Nederlanden

Nadat Napoleon in 1813 was verslagen en na de staatkundige herinrichting van Europa kon Nederland zich ontwikkelen tot een soevereine staat. Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat sinds 16 maart 1815. De vaderlandse helden speelden een belangrijke rol bij de vorming van de nieuwe natie, vooral bij het ontwikkelen van een saamhorigheidsgevoel kon men toen wel wat vaderlandse helden gebruiken.


Jacob de Vos schreef samen met Jacob van Lennep de begeleidende verhalen bij de schilderijen in de Historische galerij van Jacob de Vos. In de catalogus Helden van het Vaderland werden die teksten voor het eerst samen met die 253 schilderijen gepubliceerd. Omdat die teksten vaak op een fraaie manier blijk geven van het toenmalige wij-gevoel heb ik die bij de beschrijving van de thema’s opgenomen. Ik verwijs naar die teksten met de vermelding van ‘JdV’. Ik laat de teksten voor wat ze zijn. Ik denk dat iedereen de gekleurdheid en propaganda wel doorziet.

Bij de keuze van afbeeldingen heb ik mij ook laten leiden door afbeeldingen in boeken uit de 19de eeuw die een grote bijdrage hebben geleverd aan het populair maken van veel van die verhalen en in feite ook onderdeel waren van de 19de-eeuwse beeldvorming.


Toen ik het bovenstaande nog eens overlas realiseerde ik mij dat veel van de geschiedenissen die ik gekozen heb teruggaan op ons collectieve geheugen. Bij mij persoonlijk gaat het veelal terug op de herinneringen aan de spannende verhalen die de ‘meester’ van de lagere school vertelde aan de hand van de kartonnen schoolplaten van onder andere J.H. Isings uit diens serie Vaderlandse Geschiedenis. Wanneer ik de verhalen in de begeleidende boekjes (ten behoeve van de leerkracht) die iedere plaat vergezelde op internet nog eens doorlees moet ik constateren dat het ook hierbij gaat om fraaie staaltjes van propaganda in de redelijk onschuldige zin van ‘kijk eens hoe goed, knap, sterk en dapper ‘wij’ zijn’.


Kenau, “een cloecke vrouwe”

Anoniem, Portret van Kenau Simons Hasselaer, olieverf op paneel: 34,8 x 26,5 cm,

ca. 1590- ca.1609, Rijksmuseum

Inscriptie, midden boven: ‘K.H. Siet hier een vrou, genamt Kenou. / Vroom als een man; die taldertyt, / vromelyck bestryt, den Spaensen tiran. Aetatis 47.1573’

Kenau is ten halve lijve afgebeeld, zwaar bewapend met een hellebaard in de linkerhand en andere wapens om haar middel, op de achtergrond een gezicht op de Sint Bavo te Haarlem.


Het verhaal van Kenau Simonsdochter Hasselaer (1426-1588) speelt zich af tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog. Het verhaal waarop haar bekendheid berust is voor een groot deel verzonnen. Alleen de bekendheid van haar voornaam ‘Kenau’ in onze taal lijkt te berusten op historische feiten. In gerechtelijke documenten komt zij namelijk naar voren als iemand die met iedereen ruzie maakt en als een persoon die er blijkbaar genoegen in schept om mensen voor het gerecht te slepen. Wanneer wij het over ‘een Kenau’ hebben dan bedoelen we daarmee een opvallend lastige en/of bazige vrouw. Maar misschien wordt er ook wel een manwijf en/of een vrouw die haar mannetje staat mee bedoeld. Wanneer dat laatste klopt, dan verwijst dat ongetwijfeld naar verhalen over de wijze waarop zij een groep vrouwen zou hebben aangevoerd tijdens het Beleg van Haarlem door de Spaanse troepen (1572-1573).

Anonieme prent, Kenau Simonsdochter Hasselaer met op de achtergrond het beleg van Haarlem, 17de eeuw, Bibliotheek van het Vredespaleis

Illustratie in Famiano Strada: Histoire de la guerre des Païs-Bas, 1727. Tekst uit het Frans: Kenau, een vrouw met mannelijke moed verdedigt de stad Haarlem We weten eigenlijk maar bar weinig over het optreden van Kenau tijdens het Beleg van Haarlem. Haar roem is bijna volledig terug te voeren op een boekje uit 1733 dat wordt gepresenteerd als een ‘ooggetuigenverslag’. De titel is wat aan de lange kant: Historie ende waerachtich verhael van al die dinghen die gheschiet sijn, van dach tot dach, in die lofweerdichste ende vermaerste stadt van Hollandt, Haerlem ghenoemt, in dien tijt als die van den Hertoghe van Alba beleghert was. De schrijver vermeldt dat alle mannen, vrouwen en ook kinderen meehielpen met het herstellen van de stadwallen die onder het Spaanse kanonnenvuur kapot waren geschoten en dan lezen we dat: “Kenu … een zeer mannelijke vrouw, die met recht een Manninne genoemd mag worden, … (die) met tegenweer het algemene welzijn voorstond en met spijt en schimpen de vijand onophoudelijk tergde”. Kenau blonk dus uit met haar inzet de stadswallen weer in orde te brengen en als iemand die de ‘vijand onophoudelijk tergde’.

Ferdinand de Braekeleer, (1792 - 1883), Kenau Simonsdr. Hasselaar tijdens het beleg van Haarlem, olieverf op doek: 104,6 x 119 cm, 1829, Teylers Museum, Haarlem


Er bestaan geen documenten uit haar tijd waarin aan Kenau een belangrijke gewapende onderscheidende rol wordt toegekend tijdens de belegering van Haarlem. De geschiedenis gaat er daarom vanuit dat Kenau niet veel meer was dan een van de vele inwoners van de stad die, weliswaar als een ‘Manninne’, gedurende het beleg meewerkte bij de verdediging van de stad. Maar … het ooggetuigenverslag noemt een naam! Daar wist de nationalistische beeldvorming wel raad mee! Gaandeweg wordt Kenau in de verhalen de dappere aanvoerder van een flinke groep gewapende vrouwen die zich manhaftig teweer stelt tegen aanvallen van Spaanse soldaten op de stadswallen. Volgens de overleveringen wist zij zelfs een inname van de stad te voorkomen door met haar manschappen de Spanjaarden te verjagen door brandend stro en kokende pek vanaf de muren van de stad naar beneden te gooien. Haar rol bij de verdediging van de stad wordt steeds groter. In 1599, elf jaar na haar dood schrijft de historicus Emanuel van Meteren (1535-1612): “Die van binnen Haarlem hadden ooc een cloecke vrouwe ende eerbaer weduwe, omtrent XLVI jaren out, Kennau genoemt, die dander vrouwen in allen noot aenvoerde ende met eenighe andere veel manlycke daden boven vrouwen aert bedreef op ten vijant, met spiessen, bussen ende sweert, als een man haer behelpende in vrouwelycke habijt.” En de rest is ‘geschiedenis’.

Charles Rochussen (1814-1894), Anno 1573, Het Beleg van Haarlem, olieverf op doek: 60 x 43,5 cm, 1853, schilderij in de Historische galerij van Jacob de Vos,

Amsterdam Museum.

Kenau geeft leiding aan een groep vrouwen die vanaf de stadsmuur van Haarlem de vijand beschiet.


Tekst bij het schilderij van Charles Rochussen in de Historische galerij van Jacob de Vos:

Anno 1573, Het Beleg van Haarlem

Don Frederik besloot Holland nu in het hart aan te vallen. Op 11 december 1572 sloeg hij het beleg voor Haarlem. Daar werden aan beide kanten zonder doorslaggevend resultaat wonderen van dapperheid verricht. De prins trachtte verschillende malen tevergeefs de stad aan de landzijde en vanaf de Haarlemmermeer te ontzetten. Tevergeefs werden de Spaanse schansen moedig bestormd, bezet en hernomen, tevergeefs stelde zelfs de wakkere Kenau Hasselaar zich aan ’t hoofd van driehonderd vrouwen om de vijand te verdrijven….” (JdV)



Het Turfschip van Breda, het ‘Nederlandse Paard van Troje:

Gravure met de Inname van Breda in 4 scènes

Detail van De Inname van Breda in 4 scènes, linksboven

1. De Stadt Seven-berghen (de nummering correspondeert met de cijfers op de afbeeldingen)

De soldaten verlaten de stad en lopen naar het schip.

2. Het fort Nordam

3. Plaetsche daer die Soldaten bij nacht int turfschip zijn ghegaen

Bij het Zwartenbergse Veer begint het verhaal van het Turfschip van Breda. Bij ‘3’ gingen de soldaten aan boord van het schip. Links achter het schip staat de groep op de oever te wachten. Via de rivier de Mark bereikte het schip het Kasteel van Breda.

Detail van De Inname van Breda in 4 scènes, rechtsboven

4. Plaetsche alwaer het Schip lach, na dat het vande Soldaten was inghehaelt.

Links zien we dat het schip door Spaanse soldaten door de waterpoort de slotgracht wordt opgetrokken. Iets daarboven ligt het schip tegen de wal. De Spaanse soldaten begonnen meteen met het lossen van het ruim. Ze lopen met balen turf op hun schouders. Vanwege voorgewende vermoeidheid van zijn bemanning stelde de schipper voor het werk tot de volgende dag uit te stellen!

Detail van De Inname van Breda in 4 scènes, linksonder

5. Twee cordeguarden (Corps de garde, krijgswacht, wachthuis) van dees scheeps-Soldaten overvallen.

6. Vyt-val ghedaen uyt het binnen-Hoff; gheresisteert (van resiteren: (zich) verzetten / weerstand bieden), ende te rugghe ghedreven.

7. Brugghe van ’t Casteel, by die vande Stad ende haere Soldaten verbrandt.

Detail van De Inname van Breda in 4 scènes, rechtsonder

8. Poorte daer door zijn Excel. met ander ende meerder crijchs-volck is inghenomen.

Bij deze poort valt het leger van ‘zijne excellentie’ Breda binnen.

9. T’vluchten der Italianen siende het Casteel verloren.

De Spanjaarden hadden op dat moment een garnizoen Italiaanse huursoldaten in het Kasteel gelegerd. De soldaten van het Spaanse leger zagen in dat het kasteel verloren was en vluchtten.


De geschiedenis

In 1581 was de strategisch belangrijke vestingstad Breda ingenomen door de Spanjaarden. Op 4 maart 1590 werd de stad heroverd door de troepen van de legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden prins Maurits (1567-1625; vanaf 1585 stadhouder van Holland en Zeeland; vanaf 1590 stadhouder van Utrecht, Gelderland en Overijssel; vanaf 1620 stadhouder van Groningen en Drenthe). Deze overwinning op de Spanjaarden is een van de bekendste wapenfeiten uit de Tachtigjarige Oorlog en gaf een geweldige impuls aan de opstand en betekende een keerpunt in de strijd tegen Spanje.

Het plan om Breda op de Spanjaarden te heroveren werd niet lang voor zijn gewelddadige dood al geopperd door Willem van Oranje (1533-1584), de leider van de opstand tegen Spanje. Hij zag mogelijkheden om de stad te heroveren door soldaten met een list het Kasteel van Breda binnen te brengen: met een schip over het water! Toen zijn zoon Maurits in 1590 van Johan van Oldenbarnevelt het opperbevel over de Staatse troepen had gekregen werd het plan uitgewerkt en uiteindelijk uitgevoerd. Met de inname van Breda was de reputatie van de legeraanvoerder Maurits definitief gevestigd. Er zouden nog vele andere steden volgen en uiteindelijk leverde hem dat de bijnaam ‘stedendwinger’ op.

De Verrassing van Breda (titel op gravure)

Heraugières stuurt zijn mannen vanuit het schip het kasteel in.

Prentmaker: Jan Frederik Christiaan Reckleben naar tekening van: Valentijn Bing, staalgravure, hele blad: 18,9 x 25 cm, Rijksmuseum Amsterdam. Illustratie in: Arend, Johannes Pieter, Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. 5 delen, Amsterdam, dl.3.1 p. 410-411


Het verhaal

Naar verluidt had de turfschipper Adriaen van Bergen uit Leur contact gezocht met de prins. Met zijn schip vervoerde hij geregeld turf naar het Kasteel van Breda waar de Spaanse troepen gelegerd waren. De schipper vertelde dat zijn turfschip niet door de wachtposten werd gecontroleerd. Men kende het vaartuig inmiddels goed en vertrouwde hem. Zijn schip kon daarom een uitstekende dekmantel vormen voor soldaten die het kasteel van binnenuit konden aanvallen. Maurits overlegt met Johan van Oldenbarnevelt die het een uitstekend idee vond. Er werden plannen gesmeed. Charles de Héraugière, een edelman uit Kamerijk werd door Van Oldenbarnevelt aangewezen als leider van de operatie. Hij zou zich met zijn manschappen in het schip onder de lading turf verbergen. Op 25 februari moest het gebeuren. De Héraugière stond met 75 man klaar om ingescheept te worden … maar de schipper had zich verslapen! De hele operatie moest worden afgeblazen. Er werd uitgeweken naar een andere datum: 4 maart 1590. Op de avond van 3 maart verscheen het turfschip bij de waterpoort van het kasteel. De kasteelwacht liet het schip inderdaad zonder noemenswaardige controle passeren. Rond middernacht kwamen de soldaten tevoorschijn uit het ruim en de wachtposten van het kasteel werden uitgeschakeld en de poorten konden worden geopend. Hierop had het Staatse leger gewacht. De in het kasteel aanwezige Spaanse soldaten werden volledig overrompeld. Het leger kon de stad binnentrekken en Breda werd ingenomen.


In de klas

Ik luisterde indertijd geboeid naar de spannende verhalen die onze schoolmeester vertelde aan de hand van een kartonnen bordplaat over de schipper die zich had verslapen; de gruwelverhalen over het barre winterweer waardoor de tocht van Zevenbergen naar Breda flinke vertraging opliep en de soldaten die kleumden van de kou, hetgeen alleen maar erger werd doordat het schip was lek geslagen door ijsschotsen en de boeg ijskoud water doorliet waardoor de manschappen met hun voeten urenlang in het ijskoude water moesten staan; het verhaal over de verkouden soldaat Matthijs Helt die bang dat hij met zijn gehoest de actie zou verraden en daarom zijn maten vroeg hem dan maar te doden; de spanning dat de Spaanse soldaten meteen begonnen met het lossen van het ruim, maar de slimme schipper die vanwege voorgewende vermoeidheid van zijn bemanning voorstelde om het werk tot de volgende dag uit te stellen! Dat soort verhalen dus – ongetwijfeld nog eens enthousiast aangedikt - werden door de meester verteld. Ik luisterde ademloos naar al die heldendaden. Dat moet eind jaren vijftig van de vorige eeuw zijn geweest. De nationalistische en vaderlandse gevoelens moeten er bij mij en mijn klasgenoten ongemerkt enorm zijn ingehamerd. Wat waren ‘wij’ dapper en wat waren ‘wij’ die vermaledijde Spanjaarden toch maar mooi te slim af geweest! En natuurlijk was het lachen om die stomme Spanjaarden die zelf de barrière voor de schepen voor de waterpoort weghaalden en zelf het schip de slotgracht optrokken.

Prentmaker Simon Fokke (1782-1785), de barrière, een stuk hout met ijzeren punten wordt op de voorgrond uit het water getrokken en de brug wordt opgehaald. Het turfschip wordt door de waterpoort naar het kasteel getrokken, ets: 8,3 cm x 10,5 cm, Rijksmuseum Amsterdam Gebruikt als illustratie in: J.W. te Water, De vaderlandsche Historie van den heere J. Wagenaar, verkort, en met leerzaame aanmerkingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd, 1784-1800, 4 delen

Het Spanjaardsgat of in de volksmond: het Spaanse Gat

De westelijke vestinggracht van het kasteel van Breda achter de waterpoort werd in 1598 afgesloten voor het scheepvaartverkeer en gedempt. Deze gracht was de route die het Turfschip nam om bij het kasteel te komen.

Charles Rochussen, Het turfschip van Breda, olieverf op doek: 53 x 42 cm.

Schilderij in de Historische galerij van Jacob de Vos, Amsterdam Museum.

Het barre weer wordt invoelbaar in beeld gebracht door de besneeuwde daken en de ijsschotsen die tegen het schip aan beuken. Op de achtergrond de toren van de Grote Kerk van Breda.


Tekst bij het schilderij van Charles Rochussen (1814-1894) in de Historische galerij van Jacob de Vos:

Anno 1590, Het turfschip van Breda

Breda werd door de Staatsen met het schip van Adriaan Jansz. Van Bergen ingenomen. Deze had een vrijgeleide van beide partijen om ’t kasteel van Breda van turf te voorzien. De overste, Karel van Heraugière, verborg zich met zeventig man onder de turf. Na veel oponthoud en moeilijkheden kwam het schip eindelijk bij het kasteel. Het onderzoek van de korporaal van de wacht was gelukkig slechts oppervlakkig, want een aantal van de verborgen mannen werd door hoest gekweld. Ook luitenant Matthijs Helt kon zijn kuchen niet bedwingen. Hij stelde zijn makkers voor hem ’t leven te benemen, uit vrees dat hij hen zou verraden. Men wist zich echter nog voldoende te bedwingen om niet ontdekt te worden. De uit Italiaanse soldaten bestaande bezetting hielp het schip naar binnen te slepen en begon dit dadelijk te lossen. De schipper stelde wegens vermoeidheid voor het werk tot de volgende dag te staken. Te middernacht verlieten Heraugière en zijn manschappen het schip, terwijl de schipper door ijverig pompen hun lawaai overstemde. De wacht werd afgemaakt en de bezetting trok zich terug in het binnenste van het kasteel. Een uitval van de zoon van de commandant had geen resultaat en de burgers die te hulp snelden werden teruggedreven. Maurits en Hohenlohe naderden met hun leger. Zij rukten naar het kasteel op, dat door de commandant Lansaveccia op voorwaarde van vrije aftocht werd overgegeven. Breda kocht de plundering af met twee maanden soldij, ongeveer 97.000 gulden.” (JdV)



Jan van Schaffelaar: “ic moet ummer sterven, ic en wil u in geenen last brenghen”

Wanneer ik aan Barneveld denk, dan kakelen en rennen er vooral kippen door mijn hoofd! Maar ooit is daar iets groots geschied: om het leven van zijn medestrijders te redden was in het dorp op 16 juli 1482 Jan van Schaffelaar van de plaatselijke kerktoren gesprongen.

De historische achtergrond van het verhaal vormen de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, een nogal onoverzichtelijk conflict dat in 1345 begon en waarin verschillende steden en facties het tegen elkaar op namen. De conflicten zouden zich tot in 1492 voortslepen. We kunnen ‘Hoeks en Kabeljauws’ of ‘Het gaat er Hoeks en Kabeljauws aan toe’ nog wel als uitdrukking gebruiken wanneer we willen verwijzen naar een onoverzichtelijke, ruzieachtige en zich maar voortslepende kwestie.

Het verhaal begint met de dood van Willem IV, graaf van Holland en Zeeland. Toen de kinderloze graaf tijdens de slag bij Warns op 26 september 1345 sneuvelde ontstond er een machtsvacuüm en een strijd om de vraag wie er recht had op de macht in de graafschappen Holland en Zeeland. Om mij niet te laten meeslepen een poging te wagen de onoverzichtelijke geschiedenis in het kort te beschrijven, beperk ik mij tot het verhaal over Jan van Schaffelaar.


Jan van Schaffelaar

De oudste historische bron van het verhaal is de Hollands-Utrechtse kroniek 1481-1483 die in 1698 werd gepubliceerd door de Utrechtse historicus Antonius Mattheus. Ruim 200 jaar na de sprong van Van Schaffelaar in 1482 dus! In de kroniek wordt verteld dat Jan van Schaffelaar met een groep van zo’n 20 Kabeljauwen zich had verschanst in de toren van de Oude Kerk van Barneveld. De toren werd belegerd door de Hoeken die volgens de kroniekschrijver al vier of vijf mannen in de toren hadden doodgeschoten: “… ende scoten doer den toern, ende scoten daer vier of vyf doot.” De Kabeljauwen wilden zich overgeven. De Hoeken lieten weten de overgave te accepteren op voorwaarde dat de Kabeljauwen iemand met de naam Jan van Schaffelaar door de galmgaten van de klokkentoren naar beneden zouden gooien: “…sy en mosten enen geheten Jan van Scaffelaer te galmgaten uytwerpen van den toern.” Dat weigerden de Kabeljauwen. Jan van Schaffelaar zag wel in dat wanneer hij zich niet zou opofferen dat dat de dood van hen allen zou betekenen. Om te voorkomen dat alle mannen werden gedood, besloot Van Schaffelaar zichzelf van de toren te werpen. In de woorden van de kroniek van Antonius Mattheus waren zijn laatste woorden: "Lieve gesellen, ic moet ummer sterven, ic en wil u in geenen last brenghen". (Lieve gezellen, ik moet toch ooit sterven, ik wil u geen moeilijkheden bezorgen). Na deze laatste woorden van Van Schaffelaar genoteerd te hebben gaat de kroniekschrijver verder: “Ende ginck boven op die tynnen van den toern staen, ende setten syn handen in syn syde, ende spranck van boven neder. Mer hy en viel niet doot, mer doe hy lach, doe wert hy dootgeslagen, als voersz staet, als my gesegt is.” (Hij ging op de torentrans staan, zette zijn handen in zijn zij en sprong naar beneden. Hij overleefde de val, maar werd op de grond alsnog door de Hoeken doodgeslagen, zo is mij verteld.)

In het verhaal van Antonius Mattheus vecht Jan van Schaffelaar in het conflict aan de zijde van de Kabeljauwen en is hij om zijn medestrijders te redden van de toren afgesprongen. In feite is dit het enige wat wij in de vroegst bekende bron over Van Schaffelaar te weten komen. Maar die bron is van ruim 200 jaar na dato! Er wordt niet verteld wat zijn positie binnen de groep was, waar en wanneer hij is geboren, wat zijn leeftijd was, we weten eigenlijk niets van hem. Alleen waar hij zou zijn gestorven: het plein onder de kerktoren van Barneveld. Maar een begraafplaats … ook niet bekend! We weten ook niet waarop de kroniekschrijver zijn verhaal baseert. Als bronvermelding noteert hij slechts: “… zo is mij verteld.”! Zelfs over de naam Jan van Schaffelaar wordt vaag gedaan: “… enen geheten Jan van Scaffelaer”. Maar er is tenminste een naam waaraan een daad en en een groots voorbeeld van heroïsche opofferingsgezindheid, moed en trouw kan worden gekoppeld. Meer dan voldoende voor de tijd waarin onze opkomende natie snakt naar vaderlandse helden. De heldenstatus die Van Schaffelaar met zijn sprong te beurt viel dateert van niet veel eerder dan de 19de eeuw, zo’n driehonderdvijftig jaar na de sprong! De naam werd in de 19de eeuw gebruikt in de historische roman De Schaapherder (1838) van Jan Frederik Oltmans (1806-1854). Met deze roman – wie heeft het boek niet in zijn jeugd gelezen? – kunnen we stellen dat er een nieuwe held is geboren!

Natuurlijk wil men in Barneveld meer zijn dan een dorp waar zowel de inwoners als de kippen Barnevelder heten. Jan van Schaffelaar ging tot de folklore van het dorp behoren en elk jaar zijn er festiviteiten rondom de plaatselijke held. In 1903 werd op het plein van dé toren een standbeeld van Jan van Schaffelaar onthuld.

Johannes Hinderikus Egenberger(1822-1897), De heldendood van Jan van Schaffelaar, olieverf op doek: 60 x 34 cm. schilderij in de Historische galerij van Jacob de Vos, Amsterdam Museum


Tekst bij het schilderij van Johannes Hinderikus Egenberger in de Historische galerij van Jacob de Vos:

Anno 1482. De heldendood van Jan van Schaffelaar

In het Sticht bestreden de Hoeken en de Kabeljauwse bisschop David van Bourgondië elkaar met wisselend succes. Daarbij wordt vooral de heldendaad van Jan van Schaffelaar, een van ’s bisschops ruiterhoofden, roemrijk vermeld. Jan van Schaffelaar had zich met een handvol krijgsknechten in de kerktoren te Barneveld verschanst tegen de Amersfoorters, die het gebouw bestormden. Toen alle hoop verloren was, werd er over een overgave onderhandeld. De belegeraars wilden van geen voorwaarden weten, tenzij de belegerden hun aanvoerder van de toren zouden werpen. Deze weigerden dit, maar de edele Jan van Schaffelaar zag geen ander redmiddel. Hij betrad de torenschans en met de woorden Spitsbroeders ik moet toch eenmaal sterven, ik wil u niet in ongelegenheid brengen, sprong hij naar beneden.” (JdV)

Georg Sturm (1855-1923), Jan van Schaffelaar werpt zich van de toren te Barneveld, muurschildering aan de zuidelijke wand van de in de Voorhal van het Rijksmuseum: 4,172 x 3,950 meter, ca. 1885, Rijksmuseum Amsterdam

Het gebouw van het Rijksmuseum straalt niet alleen wat betreft de collectie kunstwerken onze nationale trots uit. We herkennen het trotse gevoel ook bij de muurschilderingen, gebrandschilderde ramen, beelden en teksten van en over onze vaderlandse helden en fameuze gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis. Als zodanig mogen we het Rijksmuseum, gebouwd tussen 1876 en 1885 door Pierre Cuypers, opvatten als een manifest van Nederlandse nationalistische gevoelens uit de 19de eeuw.

Gerrit Oortman (1822-1870) Jan van Schaffelaar springt van de toren in Barneveld, prent uit een jeugdboekje. De kinderen zullen gesmuld hebben van het versje onder de afbeelding:

Zoo werpt zich dappre Schaffelaar,

Wijl niets zijn moedig opzet stuit,

Tot redding van zijn vriendenschaar,

Den Barneveldschen toren uit.



Reinier Vinkeles, Stoute daad van Jan van Schaffelaar, ets: 19,2 x 115 cm, 1792, illustratie t.b.v. Jacobus Kok, Vaderlandsch Woordenboek, Johannes Allart, Amsterdam 1785-1799, Rijksmuseum Amsterdam

“… ende setten syn handen in syn syde, ende spranck van boven neder.”

J.W. Kaiser (1813-1900), Jan van Schaffelaar springt van de toren

titel op gravure (hier niet mee gefotografeerd): ‘Zelfopoffering van Jan van Schaffelaar’, ontwerpschets t.b.v. Illustratie in: J.P. Arend, Algemeene geschiedenis des vaderlands, Amsterdam, 5 delen, 1840-1882, dl. 2.3, p. 126.


De naam van Jan van Schaffelaar in de Jan van Schaffelaerkazerne gelegen op de Veluwe in Ermelo. De kazerne werd in 1939 geopend. Sinds 2015 biedt de kazerne onderdak aan de Koninklijke Militaire School.

Ook de naam van het bier "Lamme Jan" van de Barneveldse brouwerij Het Platte Harnas verwijst naar Jan van Schaffelaar. Door de brouwers wordt het bier als volgt beschreven: "Lamme Jan" Daar is hij dan, dé tripel! Het eerste bier ooit door ons gebrouwen. Na heel veel perfectioneren nu eindelijk af. En jij bent de geluksvogel die 'm op mag drinken. Een tripel met stevige body, maar toch fris en goed doordrinkbaar. Geniet van deze uitgebalanceerde smaaksensatie. Lamme Jan refereert aan Jan van Schaffelaar die zo lam als een balletje van de Barneveldse kerktoren sprong." Ook de naam van de brouwerij herinnert aan de plaatselijke held: "De naam ‘Het Platte Harnas’ refereert aan onze eigen Jan van Schaffelaar die van de kerktoren sprong. Zijn harnas was daarna ‘zo plat als een dubbeltje’. De bieren van deze brouwerij zijn een ode aan Jan." Ik bedoel maar: je kunt slechter herinnerd worden!


Jan van Speijk, “Dan liever de lucht in.”

Bij de staatkundige herinrichting van Europa na de val van Napoleon werden het huidige Nederland, België en het Groothertogdom Luxemburg in 1815 onder koning Willem I samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1830 brak de Belgische Opstand uit. De Zuidelijke Nederlanden waren in het geweer gekomen tegen het gezag van Koning Willem I. Zij wilden zich afscheiden. Het meest tot de verbeelding sprekende wapenfeit was wel dat de luitenant ter zee Jan van Speijk (1802-1831) in de vroege ochtend van 5 februari 1831 op de rede van Antwerpen een kruitvat van zijn kanonneerboot liet ontploffen.


Jan van Speijk

Jan Carel Josephus van Speijk werd geboren als zoon van een stokvishandelaar. De ouders van Jan van Speijk overleden beiden kort na diens geboorte. Hij groeide daarom op in het Burgerweeshuis van Amsterdam en werd in die tijd opgeleid tot kleermaker. Maar zijn hart ging uit naar de zeevaart, zo lezen we in romantisch getinte verhalen over zijn leven.

Hendrik Breukelaar (1809-1839), De burgerwees Jan van Speijk bij het praalgraf

van Michiel de Ruyter, 1832, Amsterdam Museum

Het schilderij van Hendrik Breukelaar (1809-1839) toont de jeugdige Van Speijk in het rode jasje van het Amsterdams Burgerweeshuis. Hij staat te mijmeren bij het praalgraf van Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk van Amsterdam. Ongetwijfeld staat het voor de jongeman al vast dat hij in de voetsporen van de grote zeeheld zal treden. Het romantisch getinte schilderij sluit prima aan bij de nationale euforie rondom Van Speijk.


Door zijn ‘heldhaftig’ optreden in Nederlands-Indië tussen 1823 en 1825 klom hij snel op in de hiërarchie van de Nederlandse marine. Tijdens de Belgische opstand was hij commandant op een zogenaamde gaffelkanonneerboot nº 2, een zeilschip bewapend met een kanon. Hij was inmiddels ook al onderscheiden met het ridderkruis van de vierde klasse van de Militaire Willems-Orde. Aan de hand van deze onderscheiding kon zijn in stukken geslagen lichaam geïdentificeerd worden


De ontploffing

Op die 5de februari 1831 lag de kanonneerboot van Van Speijk voor anker op de rede van Antwerpen om de scheepsladingen van de schepen die over de Schelde op weg waren naar de Antwerpse haven op oorlogsbuit en wapens te controleren. Door de harde wind was het schip losgeslagen en naar de wal gedreven. De opstandelingen kregen dat in de gaten en een woedende menigte Antwerpenaren trok naar het schip. Twee van hen wisten aan boord te komen en probeerden de Nederlandse vlag naar beneden te halen. Zij wilden ook de papieren van het schip controleren. Dat was allemaal wat te veel voor de vaderlandslievende Van Speijk! Hij zal een en ander als een flagrante schending van Nederlands’ eer hebben ervaren. Hij liet het voorkomen alsof hij benedendeks die papieren ging halen. Maar hij had andere plannen! Met een brandende sigaar ging hij naar de kruitkamer. Met die sigaar stak hij een lont aan dat hij vervolgens in een vat buskruit stak.

Jacobus Schoemaker Doyer (1792-1867), Jan van Speijk overweegt of hij de lont in

het kruit zal steken, olieverf op doek, 75 x 89 cm, 1834, Rijksmuseum Amsterdam

Van Speijk staat in zijn vertrek benedendeks met de armen over elkaar, twee zeelieden ontvluchten de kamer. Aan de wand een portret van de koning en een zeekaart van de Schelde.


Overlevenden zouden hem op een moment net voor de ontploffing zijn beroemde laatste woorden hebben horen uitspreken: "… een infame Brabander worden? Dan liever de lucht in!".

Het verhaal werd verteld door verschillende ooggetuigen die vóór die fatale ontploffing nog kans hadden gezien om overboord te springen. Toen Van Speijk de opstandelingen het schip had zien naderen zou hij al gedreigd hebben het liever te laten ontploffen dan het schip in de handen van de Belgische vijand te laten vallen. De opvarenden waren dus gewaarschuwd! Een bootsman, de loods en een scheepsjongen zagen Van Speijk met die brandende sigaar naar de kruitruimte gaan. Zij zagen de bui al hangen en waren dus overboord gesprongen. Zij behoren tot de vijf overlevenden van de 31-koppige bemanning die een aantal zaken over de laatste momenten vóór de ontploffing van het schip konden navertellen.

De heldendood van Van Speijk maakte grote indruk onder de bevolking. De heldendaad had een enorme Van Speijk-cultus tot gevolg. De geschiedenis speelt zich immers af middenin de periode dat nationalistische gevoelens er bij de bevolking als zoete broodjes ingingen. We hadden nu een hedendaagse vaderlandse held die door een onzelfzuchtige daad van vaderlandsliefde de nationale gevoelens enorm heeft aangewakkerd. Er werden tal van lofdichten geschreven, gedenkpenningen geslagen en monumenten opgericht. In het Burgerweeshuis waren inmiddels een aantal schilderijen te zien: het werk van Jacobus Schoemaker Doyer (1792-1867) waarop te zien is dat Van Speijk de brandende sigaar in het kruitvat steekt en de ontploffing van de kanonneerboot van de hand van Willem Pieneman.

J. Schoemaker Doyer, Jan van Speijk steekt de lont in het kruitvat, 5 februari 1831, olieverf op doek, 26 × 21 cm, 1834, Rijksmuseum Amsterdam

Op de binnenplaats van het Burgerweesthuis werd op 20 oktober 1831 een plaquette ter ere van Van Speijk onthuld.

Op 4 mei 1832 werd het lichaam van Jan van Speijk bijgezet in de praalgraf in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Aan de plechtigheid was een lange rouwstoet voorafgegaan die door de stad trok. Voorop liepen de regenten van het Burgerweeshuis.

Het leven van Jan van Speijk op een negentiende-eeuwse centsprent. Onder elk plaatje staat een versje in het Nederlands en in het Frans. De taal van de versjes doet vermoeden dat het om een soort stripverhaal gaat over het leven van Jan van Speijk voor kinderen. De heldendaden moesten immers al op jeugdige leeftijd worden bijgebracht. Rechtsboven is de jonge Jan in opleiding bij de kleermaker. Zie detail hieronder. Let op de 'kleermakerszit' van de kleermakers op de tafel!


Enkele lichaamsdelen van Van Speijk werden als relieken op sterk water gezet: zoals het stukje borstbeen (2 x 2 cm) van Jan van Speijk in het Amsterdam Museum

Barend Wijnveld Jr., Anno 1831, De zelfopoffering van Van Speyk, olieverf op doek: 40 x 55 cm in de Historische galerij van Jacob de Vos, Museum Amsterdam


Tekst bij het schilderij van Barend Wijnveld Jr. (1820-1902), in de Historische galerij van Jacob de Vos, Museum Amsterdam:

Anno 1831. De Zelfopoffering van Van Speyk

Luitenant J.C.J. van Speyk voerde het bevel over een der kanonneerboten die op de Schelde lagen om Antwerpen te onderwerpen. Het schip raakte op 5 februari 1831 door een storm van haar ankers los en sloeg tegen de stadskade. Dadelijk sprong een overmacht van gewapende burgers aan boord om de boot in te nemen en de vlag van de mast te halen. Dit kon de wakkere zeeman niet dulden. Onder het voorwendsel dat hij de scheepspapieren zou halen, ging hij naar beneden en stak de brand in de kruitkamer, zodat hij met de aanvallers en zijn volk, waarvan vijf man gered werd, in de lucht vloog.

Dit feit dat aan de schoonste dagen van onze geschiedenis herinnerde en op schitterende manier verheerlijkt werd, maakte diepe indruk op vriend en vijand. De moedeloosheid van de legers na de ondervonden beledigingen en vernedering verdween en men wachtte ongeduldig naar het bevel om op te trekken.” (JdV)


Kanttekeningen

Later toen de gemoederen enigszins tot bedaren waren gekomen plaatste men wel vraagtekens bij het verhaal. Niet dat men aan het verhaal zelf twijfelde, maar aan de daad van Van Speijk. Al die jonge jongens die hij meenam in zijn zeemansgraf. Kon hij dat wel zomaar doen? Multatuli vroeg zich af of de zelfopoffering van Jan van Speijk werkelijk een daad van vaderlandsliefde was. En een arts maakte zich boos omdat Van Speijk had gezondigd door anderen mee te slepen in de dood, die - indien niet gedoopt - eeuwig verdoemd waren.


Desondanks werden een aantal fregatten van de Koninklijke Marine naar van Speijk genoemd en nog steeds zingen de Adelborsten: "Het voorbeeld door Van Speijk gegeven, volgen wij met hart en hand."

Zr.Ms. Van Speijk, te water gelaten: 26 maart 1994




Gebruikte literatuur

- Marita Mathijsen, Historiezucht. De obsessie met het verleden in de negentiende eeuw, Nijmegen, 2014

- Tentoonstellingscatalogus, Dedalo Carasso, redactie, tentoonstelling: Helden van het Vaderland. Onze geschiedenis in 19de-eeuwse taferelen verbeeld. De historische galerij van Jacob de Vos Jacobszoon, Amsterdams Historisch Museum, 1991

- Wikipedia: 'Kenau'; 'Turfschip van Breda'; Jan van Schaffelaar'; 'Hoekse en Kabeljauwse Twisten'; 'Jan van Speijk', geraadpleegd 27 t.m. 29 mei 2021

282 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven