Apocalyps Hoofdstuk XXI en XXII
- Paul Bröker

- 8 nov 2025
- 23 minuten om te lezen
Blog deel 19: De beloften worden ingelost: alles wordt nieuw, alles wordt beter.

Miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters, Johannes zit op een rots van een hoge berg en beleeft het visioen van de neerdaling van het Nieuwe Jeruzalem.
Hoofdstuk eenentwintig: de nieuwe schepping en
het Nieuwe Jeruzalem, ‘zie ik maak alles nieuw’ (Apoc. 21: 5)
Inleiding
We zagen in het het visioen in het twintigste hoofdstuk dat Satan voor duizend jaar zal worden vrijgelaten. Voor velen is de huidige ellende in de wereld een teken dat Satan al is vrijgelaten! Dat zou betekenen dat wij op dit moment leven in de apocalyptische eindtijd die zal uitlopen in een totale vernietiging en het einde van de wereld. We zullen echter zien dat in de twee laatste hoofdstukken hoop gloort. In het eenentwintigste en tweeëntwintigste hoofdstuk krijgt Johannes visioenen die wijzen op een schitterende apotheose aan het einde van de eindtijd: het Nieuwe Jeruzalem daalt van God op aarde neer als een nieuwe schepping. De Apocalyps loopt uit op een overweldigend vredesvisioen tussen God en de mensen en de mensen onderling. Het kwade is verslagen en Satan en zijn medestanders hebben geen macht meer.
In het twintigste hoofdstuk vernamen we dat na het Laatste Oordeel de oude schepping verdween en ook de dood en de onderwereld verdwenen: “Dood en Onderwereld werden in de vuurpoel geworpen” (Apoc. 20: 14). In het begin van het eenentwintigste hoofdstuk wordt dat nog eens bevestigd; we zullen zien dat alles zal verdwijnen; de hemel, de aarde en de zee; er komt een nieuwe, betere wereld voor in de plaats: "En Hij die op de troon zetelt, zei: ‘Zie, ik maak alles nieuw’” (Apoc. 21: 5).

Tapijt van de Apocalyps van Angers: het Nieuwe Jeruzalem
daalt van God neer op aarde.
Het Nieuwe Jeruzalem
“Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en ook de zee bestond niet meer. Ik zag de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem vanuit God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. (Apoc. 21: 1-2) De bruid kijkt uit naar zijn komst.
Op het tapijt van Angers kijkt Johannes naar boven. Hij ziet God in de wolken, in de hemel. Vanuit God daalt een prachtige stad naar de aarde: het Nieuwe Jeruzalem.
“Toen hoorde ik een luide stem, die vanaf de troon riep: ‘Dit is de woonplaats van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en hij zal als hun God bij hen zijn. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen geween, geen smart zal er zijn, want al wat vroeger was is voorbij” (Apoc. 21: 3-4). Hongersnood, oorlog, verdriet, ziekte, rouw om de dood en alle denkbare aardse ellende die door de zondeval en de komst van Adam en Eva op de aarde over de mensheid was uitgestort was verdwenen.
Het Nieuwe Jeruzalem staat symbool voor een hemelse plaats van vrede en vreugde. Daar zullen de gelovigen na het Laatste Oordeel in de nabijheid van God leven, vrij van aardse pijn en lijden. Het wordt ook wel het ‘Hemels Jeruzalem’ genoemd.
We moeten er voor oppassen het Nieuwe Jeruzalem niet te verwarren met de hemel! Naar mijn gevoel is het Nieuwe Jeruzalem gebaseerd op een specifieke, profetische visie uit de Apocalyps. Daarin wordt een stad beschreven die uit de hemel neerdaalt en het eindpunt vormt voor de gelovigen. ‘Hemel’ is een meer algemene term voor het hiernamaals, waar de gelovigen na de dood heen kunnen gaan. Ik merk echter dat ook in de theologie de begrippen ‘Hemel’ en ‘Nieuw Jeruzalem’ door elkaar worden gebruikt; ze zijn blijkbaar erg verwant.

Miniatuur in de Galicische Apocalyps: ‘Schrijf deze woorden op...’
Ik hoorde een engel zeggen: ‘Schrijf deze woorden op, ze zijn betrouwbaar en waarachtig. Toen hoorde ik van de troon in de hemel een stem die sprak: ‘Zie ik maak alles nieuw’ en hij vervolgde: ‘Het is geschied! Ik ben de Alfa en de Omega, de oorsprong en het einde. Wie dorst heeft zal ik laten drinken uit de bron van het water dat leven geeft. Wie overwint zal dit alles verkrijgen, en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon, maar de lafhartigen, de trouwelozen, de verdorvenen, de moordenaars, de ontuchtplegers, de tovenaars, de afgodendienaren en alle leugenaars krijgen hun deel in de poel die brandt van vuur en zwavel. Dit is de tweede dood” (Apoc. 21: 5-8). Zij die daar terecht zijn gekomen verblijven er voor eeuwig, van God gescheiden en overgeleverd aan de wreedheden van de duivels.
Op de miniatuur in de Galicische Apocalyps wijst de engel Johannes op de tekstrol en draagt hem op de woorden die hij zojuist van de stem uit de hemel heeft vernomen op te schrijven in het boek waaraan hij vanaf het eerste visioen moest beginnen. (Apoc. 1: 10 en 19) Rechts verschijnt Jezus. Vanuit zijn handen laat hij het hemelse Jeruzalem naar de aarde afdalen. Ook Jezus houdt een tekstrol in de hand om te wijzen op de woorden die hij zojuist tot Johannes had gesproken (Apoc. 21: 5-8).

Miniatuur in de Galicische Apocalyps, de engel draagt Johannes in zijn visioen naar de top van een berg en toont hem het Nieuwe Jeruzalem:
“Toen kwam er een van de zeven engelen die de zeven schalen droegen met de zwaarste plagen naar mij toe" (Zie voor die engel Apocalyps hoofdstuk 16 en blog deel 14 en 15: De zeven schalen/ kruiken worden over de aarde uitgestort)
"De engel sprak tot mij: ‘Kom met mij mee! Ik zal u de bruid laten zien, de vrouw van het Lam. ’De bruid van het Nieuwe Jeruzalem’ wordt door de engel bij Johannes geïntroduceerd op dezelfde manier als de Hoer van Babylon (Apoc. 17: 1-4). Babylon en Jeruzalem worden tegenover elkaar geplaatst: Babylon zal worden verwoest, maar het Nieuwe Jeruzalem zal eeuwig bestaan.
“De engel bracht mij in de geest op een hoge berg en toonde mij de heilige stad Jeruzalem, neerdalend vanuit God in de hemel” (Apoc. 21: 9-10).
Het Nieuwe Jeruzalem wordt ‘de bruid van het Lam’ genoemd (Apoc. 21: 9) omdat de stad wordt opgevat als de symbolische vertegenwoordiger van de Kerk, de gemeente van gelovigen. Het symboliseert de intieme, liefdevolle verbondenheid van Jezus met zijn volgelingen. Zie voor de bruid van het Lam en de identificatie van de bruid met Maria vooral het negentiende hoofdstuk van de Apocalyps en blog deel 17.
Met de Pinksteropdracht aan de apostelen begon in Jeruzalem de grote taak van de Kerk: de wereldwijde verkondiging van de boodschap van Jezus met als kernpunten: de verspreiding van de boodschap van Gods Koninkrijk, de prediking van het geloof in Jezus als de Zoon van God, dat hij mens is geworden en aan het kruis is gestorven ter verlossing van de mensheid, zijn opstanding uit de dood, de verzoening van zonden door zijn offer én het volgen van zijn leer door een leven van naastenliefde en gerechtigheid. Die verkondiging neemt in de leer van de Kerk een buitengewoon belangrijke plaats in. Daarom nemen de apostelen als eerste wereldwijde verkondigers van de leer van Jezus en als vertegenwoordigers van de Kerk een prominente plaats in bij de beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem door de engel. Dit verwijst naar de zogenoemde ‘Apostolische Kerk’, naar de Kerk met een oorsprong die is gebaseerd op de prediking van de leer van Jezus door de twaalf apostelen van Jezus.

Miniatuur in de Apocalyps in de Cloisters (ca. 1330) "Hij voerde mij in geestverrukking op een hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem neerdalend van God uit de hemel."
Vanaf de rots op de hoge berg wijst de engel Johannes op het Nieuwe Jeruzalem dat op de wolken afdaalt naar de aarde. (Apoc. 21: 9-10).
Op de miniatuur zien we onder de drie stadpoorten al iets van de kleurrijke en stralende edelstenen waarover de engel zal spreken tijdens zijn ‘rondleiding met toelichting’ (Apoc. 21: 11).
De engel Beschrijft het Nieuwe Jeruzalem
Op de miniatuur in de Cloisters daalt het Nieuwe Jeruzalem neer als een kleurrijke stad uit de hemel. Johannes staat boven op een rots van de hoge berg.
De engel vertelt Johannes uitgebreid over de bijzonderheden van de stad: “De stad die de engel liet zien straalde van de heerlijkheid van God, haar lichtglans was als een kostbare steen, als jaspis, helder als kristal. De stad werd omringd door een grote, hoge muur met twaalf poorten. Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. De muur van de stad had twaalf grondvesten met daarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam.
Hij die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad en haar poorten en haar muur op te meten. De stad was gebouwd als een vierkant. Hij mat haar op met zijn meetstok: twaalfduizend stadiën; lengte, breedte en hoogte waren gelijk. De muur van de stad was honderdvierenveertig el hoog, gemeten naar mensenmaat, aan engelenmaat gelijk" (Apoc. 21: 10-17).
Wanneer we de stadiën omrekenen naar kilometers en aanhouden dat één stadium ongeveer 185 meter beslaat kom ik uit op 2220 km per zijde. We vernemen uit de beschrijving in de Apocalyps dat de vier zijden van de stad even lang waren. Dat zou dan resulteren in een basisoppervlakte van 2200 x 2200 km. Dan kom ik uit op vier miljoen achthonderdveertigduizend vierkante kilometer! Plaats genoeg dus, lijkt mij!
De muur was gebouwd van jaspis, de stad zelf was van zuiver goud, dat blonk als glas. De grondstenen van de stadsmuur waren vervaardigd van alle soorten edelgesteente: de eerste van jaspis, de tweede van saffier, de derde van chalcedoon, de vierde van smaragd, de vijfde van onyx, de zesde van carneool, de zevende van chrysoliet, de achtste van beryl, de negende van topaas, de tiende van chrysopraas, de elfde van hyacint, en de twaalfde van amethist. De twaalf poorten waren twaalf parelen: elke poort bestond uit één enkele parel. De straten van de stad waren van zuiver goud, doorzichtig als glas. Maar een tempel zag ik er niet, want God, de Heer, de Alheerser, is haar tempel, evenals het lam. De stad heeft het licht van zon en maan niet nodig, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en haar fakkel is het lam. De volkeren zullen in haar licht leven. Haar poorten zullen overdag nooit worden gesloten, er zal geen nacht meer zijn. Nooit zal er iets onreins binnenkomen en ook niemand die iets gruwelijks doet of leugens spreekt, maar alleen zij van wie de namen staan geschreven in het Boek des Levens van het Lam” (Apoc. 21: 11-27).
De uitvoerige beschrijving van het Hemels Jeruzalem was voor de illustrators van Beatus-handschriften het uitgangspunt om een soort van plattegrond van het Nieuwe Jeruzalem in de boeken op te nemen.

Het Nieuwe Jeruzalem, miniatuur in de Beatus van Facundus, 1047
Het ontwerp van de stad volgt op veel plaatsten de beschrijving van Johannes. De stadsmuren lijken op de miniatuur naar buiten geklapt, waardoor de stad van boven min of meer het aangezicht van een vierkant krijgt.
Aan elk van de vier zijden treffen we de drie door Johannes genoemde twaalf openstaande poorten aan: “Geen enkele dag zullen haar poorten gesloten zijn want nacht zal er niet meer zijn”. (Apoc. 21: 23-25). De stadspoorten werden immers alleen ’s nachts en bij gevaar gesloten, maar in de stad dreigt nooit gevaar en er zal nooit duisternis zijn (Apoc. 21: 24).
De poorten zijn gericht op de vier windrichtingen: “Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie” (Apoc. 21: 13-14).

Detail 1. van de miniatuur met het Nieuwe Jeruzalem
in de Beatus van Facundus
De genezende kracht van de edelstenen
Op het detail van de miniatuur van de Beatus van Facundus treffen we in de drie poorten van de noordelijke muur de namen aan van drie apostelen: Petrus, Andreas en Lucas. De namen van de andere negen apostelen treffen we aan in de andere bogen. We lezen in de bogen ook de namen van de eerste drie, in de tekst genoemde edelstenen: “De grondvesten van de muren van de stad waren met allerlei kostbare stenen gesierd. De eerste grondvest was van jaspis, de tweede van saffier, de derde van chalcedoon”: ‘Iaspis’, ‘Saffiris’ en ‘carcedon’ lezen we boven het hoofd van de drie apostelen op het detail van de miniatuur. (Apoc, 21: 19). De namen van de andere negen typen (half)edelstenen treffen we aan in de negen andere bogen. De schijven boven het hoofd van de apostelen verwijzen naar kleuren van de verschillende stenen. Zo kan saffier ook een gele kleur hebben.
Ook tegenwoordig wordt nog door velen aangenomen dat van het dragen van bijvoorbeeld jaspis, saffier en chalcedoon een helende en beschermde werking zou uitgaan. Zoek maar eens op internet! Zeker wanneer men daarin gelooft zal het op mentaal gebied vast wel iets positiefs met iemand doen.
Ook de negen andere (half)edelstenen die door Johannes worden genoemd zouden kunnen helpen bij fysieke en psychische klachten. Het lijkt voor de hand te liggen dat veel van de stenen ook in de tijd dat de Apocalyps werd geschreven als helend konden worden gebruikt. Dat blijkt wel uit de tekst die boven de kantelen van de stadspoorten is aangebracht. Deze teksten informeren de lezer over de gunstige eigenschappen van de verschillende edelstenen. De teksten zijn niet overgenomen uit de oorspronkelijke tekst van Commentaar op de Apocalyps van Johannes door Beatus van Liébana, maar uit Etymolgiae (Hoofdstuk 6: 7) van Isidorus van Sevilla (ca. 560-636).
De leer van Jezus zoals die door de apostelen werd verkondigd kon een probaat middel zijn tegen allerlei lichamelijk en geestelijk ongemak en beschermen tegen het kwade. Jezus heeft op aarde laten zien dat hij een einde kan maken aan ziekte en de dood, tenminste wanneer de mensen in hem geloven en zijn leer volgen. In de evangeliën wordt duidelijk dat de verkondiging van het Rijk Gods, zowel door Jezus als door de apostelen, hand in hand gaat met de genezing van zieken en de opwekking van doden. Nadat Jezus iemand heeft genezen of opgewekt laat hij weten dat dit alleen maar kon gebeuren omdat men vast in hem geloofde. Na het verrichten van zo’n wonder laat hij zich vrijwel steeds uit in die zin van: ‘Uw geloof heeft u gered’. Dat lezen we onder andere in het verhaal over de vrouw die aan bloedvloeiing lijdt en door Jezus wordt genezen. (Mattheus 9: 20-22) en in het verhaal van de opwekking door Jezus van het dochtertje van Jaïrus. (Matth. 9: 18-26)
Ook apostelen hebben tijdens hun verkondiging van het Rijk Gods zieken genezen en mensen uit de dood opgewekt. Zo zou Petrus een verlamde man hebben genezen (Handelingen 9: 33-34) en er wordt melding gemaakt van zieken die Paulus genas na een scheepsramp. (Handelingen 28: 8-9).
Tabitha werd door Petrus uit de dood opgewekt (Handelingen 9: 36-42) en Eutychus door Paulus (Handelingen 20: 7-12). Het is dus niet vreemd dat de genezende kracht die van de apostelen uitgaat in verband te brengen is met de helende werking van edelstenen.
De genezingen en opwekkingen uit de dood zullen goed geholpen hebben bij de verspreiding van het geloof dat door de apostelen werd verkondigd.
We lazen al: “De muur van de stad had twaalf grondvesten met daarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam” (Apoc. 21: 14). Door de twaalf apostelen naar voren te brengen als de grondvesten of de fundering van de Kerk én door ook de twaalf edelstenen in verband te brengen met de evenzovele apostelen kan het haast niet anders dat Johannes de genezende kracht van de edelstenen heeft willen benadrukken. Hij heeft gewezen op het geluk dat in het Nieuwe Jeruzalem wacht op degenen die trouw zijn aan de leer van Jezus. In deze nieuwe woonstede zullen zij volledig vrij zijn van alle geestelijke en lichamelijke ellende en zal het kwade hen nooit meer kunnen bereiken.
Parels
We lezen in de beschrijving van de stad door de engel: “De twaalf poorten waren twaalf parels: elke poort bestond uit één enkele parel’’ (Apoc. 21: 21). De apostelen verkondigden de boodschap van Jezus. Wanneer de mensen daarnaar leven zou het Nieuwe Jeruzalem hun beloning zijn. Via de apostel die in de poort staat kunnen zij het Hemelse Jeruzalem binnen treden.
In het Evangelie van Mattheus lezen we over een kostbare parel die wordt vergeleken met het Koninkrijk Gods in de hemel: “Het rijk der hemelen is gelijk aan een koopman. Toen hij een uitzonderlijk kostbare parel vond ging hij alles verkopen wat hij bezat om de parel te kunnen kopen” (Matth. 13: 45-46). De moraal is dat men al het aardse moet opgeven om hemelse gelukzaligheid te verkrijgen.
“Elke poort van het Nieuwe Jeruzalem bestond uit één enkele parel”. In elke poort staat een van de apostelen. Het Koninkrijk Gods is alleen bereikbaar via de leer van Jezus die wordt verkondigd door de apostelen.
In het Bijbelverhaal over de rijke jongeling vraagt de jongeman aan Jezus wat hij moet doen om eeuwig leven te krijgen. Jezus zegt dat hij zich aan de geboden moet houden. Vervolgens vraagt Jezus hem om alles wat hij heeft te verkopen, het geld aan de armen te geven en hem te volgen. Dat laatste is te veel gevraagd voor jongeman. (Matth. 19: 16-30) De hang naar rijkdom is funest om het eeuwig leven te verkrijgen.

Detail van de miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters met de engel die Johannes wijst op het Nieuwe Jeruzalem dat vanuit de hemel naar de aarde daalt. Onder de stad zijn op de voorkant van de grondplaten/ fundering onder de drie stadspoorten kostbare edelstenen aangebracht.
We gaan door met de miniatuur in de Beatus van Facundus

Detail 2. van de miniatuur met het Nieuwe Jeruzalem
in de Beatus van Facundus
Wanneer u het detail met het centrale plein van het Nieuwe Jeruzalem in de Beatus van Facundus vergelijkt met de voorstelling van de pleinen op de miniaturen in de Beatus van Silos en in de Beatus van Arroyo hieronder, zal het opvallen dat de voorstellingen, wat de belangrijkste elementen betreft vrijwel identiek zijn. We zien linksboven de engel met de gouden meetstok om de stad en haar poorten en haar muur op te meten. (Apoc. 21: 15-17) Het Lam Gods, de belangrijkste bewoner van de stad staat op het midden van het plein: “Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, zo ook het Lam” (Apoc. 21: 22). Het Lam Gods draagt het kruis in de rechtervoorpoot. Rechtsonder staat Johannes met het boek waarin hij ook de laatste openbaringen zal noteren.
In de openstaande poorten zien we in de drie voorbeelden ook steeds de apostelen die in verband worden gebracht met de door Johannes genoemde twaalf edelstenen waarvan een helende kracht zou uitgaan.

Beatus van Silos 1091-1109
Tussen de torens rondom de stad zien we de teksten van Isidorus van Sevilla die wijzen op de helende kracht van de edelstenen.

Beatus van Arroyo, miniatuur in de codex van het klooster van San Andrés van Arroyo, ca. 1220, Valencia, Spanje
In de kleurrijke verzie in de Beatus van Arroyo overheersen de edele metalen en stenen waaruit het Nieuwe Jeruzalem is opgetrokken.
Het Lam draagt een kruisnimbus en een kruisstaf.

Miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters, Johannes zit op een rots op de hoge berg. De engel spreekt hem toe vanuit de hemel.
De verluchter van de Apocalyps van de Cloisters (1330) heeft duidelijk willen maken dat “… de stad het licht van zon en de maan niet nodig heeft, noch de maan om haar te beschijnen want de heerlijkheid van God verlicht haar en het Lam is haar fakkel" (Apoc. 21: 23-24).
Om te laten zien dat de stad het licht van de zon en de maan niet nodig heeft wordt op de miniatuur de zon enigszins verduisterd door een wolk die eraan voorbijschuift, de maan wordt verduisterd door een zwarte schijf. Het beeld doet denken aan een maanverduistering.

Miniatuur in de Apocalyps van Val-Dieu, vervaardigd ca. 1320-1330, Noordwest-Frankrijk, Normandië, nu in De British Library, Londen
Zoals we zagen op de miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters heeft ook de illustrator van de Apocalyps van Val-Dieu duidelijk willen maken dat de stad het licht van zon en maan niet nodig heeft. (Apoc. 21: 23-24). De aanname dat op beide miniaturen werkelijk een wolk voor de zon schuift lijkt mij niet waarschijnlijk. Het zou naar mijn gevoel duidelijker zijn geweest wanneer de illustrators ook hadden gekozen voor een zwarte schijf voor de zon. We zouden dan iets beter het idee van een zonsverduistering ervaren. Ik heb daarom het gevoel dat de zon op de miniaturen een beeld is van God. Ik moet vooral denken aan Maleachi 4:2. Daarin spreekt de profeet over ‘de Zon der Gerechtigheid’ die zal opgaan voor hen die Gods naam vrezen. Dit geldt zeker voor de bewoners van het Nieuwe Jeruzalem, het thuisland van de rechtvaardigen en uitverkorenen, waar God met hen woont. Dat lijkt in het volgende hoofdstuk van de Apocalyps te worden bevestigd: “Er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht meer nodig van lamp of zon, want God de Heer zal over hen lichten, en zij zullen heersen tot in alle eeuwigheid”
(Apoc. 22: 5).

Vlaamse Apocalyps, samenvattende miniatuur bij de tekst van hoofdstuk tweeëntwintig

Detail 1. miniatuur in de Vlaamse Apocalyps, de engel met de gouden kruik en de gouden meetstok toont Johannes de Hemelse Stad

Detail 2. miniatuur in de Vlaamse Apocalyps, Het nieuwe Jeruzalem heeft in de Vlaamse Apocalyps het aanzien van de gotisch bouwwerk gekregen. In de poorten staan tien engelen en buiten de stad dragen koningen kostbaar vaatwerk aan (Apoc. 21: 24).
Hoofdstuk tweeëntwintig: het hemels paradijs, de Levensbron en de Boom des levens
Inleiding
Na de zondeval en na de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs hadden de eerste mensen geen toegang meer tot de bron die hen van water voorzag: de vier Paradijsstromen, de levensaders van alles wat in de Tuin van Eden leeft, groeit en bloeit (Genesis 2: 10-14).
In het Paradijs stond ook de Levensboom. Het eten van de vruchten van deze boom zou eeuwig leven schenken. Na de zondeval werden Adam en Eva uit het Paradijs verdreven om te voorkomen dat zij ook nog van de vruchten van de Levens Boom zouden plukken. (Genesis 3: 22-23). Het gevolg van hun verdrijving was dat zij en al hun nakomelingen zouden sterven, maar ook aan deze banvloek kwam door de komst van Jezus op aarde een einde. (Apoc.22:1-3)
Al in het Oude Testament wordt in psalm 42 het verlangen naar God uitgedrukt door een hijgend hert dat tijdens de jacht aan de dood was ontkomen en nu smacht naar stromende wateren, ‘zo smacht mijn ziel naar u o God’ (psalm 42: 2-3).
In het Nieuwe Testament presenteert Jezus zich geregeld als degene door wie de bronnen van eeuwig leven weer toegankelijk zijn. Het is vooral in het Evangelie van Johannes dat die symboliek wordt uitgewerkt: “Jezus sprak tot hen: ‘Ik ben het brood des levens; wie tot mij komt, zal nooit meer honger hebben, en wie in mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen’” (Johannes 6:35).
In gesprek met de Samaritaanse vrouw bij de waterput biedt Jezus haar ‘levend water’ aan: “Hij zei tot haar: Wie van dit water drinkt, [het water uit de put], krijgt weer dorst, maar wie drinkt van het water dat ik hem geef zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen; integendeel, het water dat ik hem geef zal een bron in hem worden van water dat opborrelt tot in het eeuwige leven” (Johannes 4: 13-14).
Jezus verbindt zijn identiteit als Levensbron direct met het overwinnen van de dood. We zullen zien dat hij zijn beloften nakomt.
De Levensbron en de Levensboom
“Toen toonde de engel mij een rivier met het water des levens, helder als kristal, opbruisend aan de troon van God en van het Lam. Midden op het plein van de heilige stad stond de Levensboom waar de rivier omheen stroomde. De boom draagt twaalfmaal vrucht, elke maand eens; en het loof brengt de mensen genezing” (Apoc. 22: 1-3)

Christus op zijn troon en de rivier van het levend water, miniatuur in de Beatus van Silos, codex van het Klooster van Santo Domingo van Silos, Bourgos, Spanje.
Onder de hemeltroon van God ontspringt op de miniatuur in de Beatus van Silos de Levensbron.
Johannes en de engel aanschouwen het beeld vanaf de berg. Enthousiast wijzen beiden op de verschijning aan de hemel. In de min of meer ovale mandorla verschijnt Jezus als Majestas Domini, Pantocrator of Alheerser (zie blog deel 3). Het is nu de vierde keer in de twee laatste hoofdstukken dat Jezus zich introduceert met de woorden: ‘Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde.' (Apoc. 22: 13) Het is een beeld van Christus dat hem laat zien als de almachtige schepper en heerser over het universum, waarbij hij vaak zegenend met zijn rechterhand is afgebeeld, terwijl hij in zijn linkerhand een evangelieboek houdt.
Aan zijn troon ontspringt de Levensbron die naar het Nieuwe Jeruzalem stroomt. Links aan de oever staat de Levensboom met verschillende vruchten.
Links en rechts van de Pantocrator zetelen degenen die standvastig zijn gebleven: ”De troon van God en van het Lam zal daar staan, en zijn dienaars zullen hem vereren. Zij zullen zijn gelaat aanschouwen en zijn naam op het voorhoofd dragen. Dan zal er geen nacht meer zijn en zij zullen het licht van de fakkel en de zon niet langer nodig hebben, want God, de Heer zal over hen lichten, en zij zullen heersen tot in eeuwigheid”. Apoc. 22: 4-5).

Miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters
Op de miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters wijst de engel, Johannes op God in de hemel die is gezeten op de hemelboog. Als Alheerser rusten zijn voeten op de wereld. Links van de Pantocrator staat ook het Lam op de boog: “Toen toonde de engel mij een rivier met het levenswater, helder als kristal, opborrelend van de troon van God en van het lam” (Apoc. 22: 1-2). Het water van de Levensbron stroomt naar het Nieuwe Jeruzalem. Midden op het plein van de stad en aan de rivier stond de Levensboom die twaalfmaal vruchten draagt en elke maand vruchten geeft. Bewoners van de stad plukken bladeren van de bomen die genezing brengen en er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. (Apoc. 22: 1-2). Hiermee wordt de banvloek van de zondeval bedoeld waaronder de mensen op aarde gebukt gaan, maar die vloek is opgeheven en ziekte, dood, lijden en andere aardse lasten én de verstoorde relatie met God zullen er niet meer zijn.

Tapijt van Angers, de Levensbron ontspringt vanuit de zetel van God en van het Lam. Dankbaar knielen de mensen voor het levende water dat overvloedig voor hen vloeit.

Detail van het Tapijt van Angers, het Lam is opgesprongen en legt de voorpoten vriendschappelijk op het bovenbeen van de Pantocrator.

Miniatuur in de Beatus van Silos, codex van het Klooster van Santo Domingo van Silos, Bourgos, Spanje.
Op de miniatuur in de Beatus van Silos troont de Pantocrator in de hemel. Hij wordt omgeven door een mandorla die wordt gedragen door twee engelen.
Links onderaan staat Johannes met een boek in de handen. Hij bevindt zich voor zeven hoefijzerbogen. Onder elke boog is een inscriptie aangebracht met de naam van een van de zeven kerkgemeenten van de Romeinse provincie Asia. Met de zeven kerken van Asia zijn we terug bij het eerste visioen in het eerste hoofdstuk van de Apocalyps. Door daar in dit laatste hoofdstuk nadrukkelijk op terug te komen wordt het belang van de opdracht die Johannes op Patmos kreeg benadrukt.
Over het grote belang van de opdracht die Johannes kreeg worden we zo dadelijk ingelicht. Eerst wil Johannes nog wat kwijt over de waarheid van de notities in zijn boek.
Slot: Drievoudige verzekering van de waarheid van het boek
eerste verzekering van de waarheid van het boek door de engel
Weer sprak de engel tot mij: ‘Deze woorden zijn betrouwbaar en oprecht. De Heer, de God die de profeten inspireert heeft zijn engel gezonden om aan zijn dienstknechten te tonen wat spoedig moet gebeuren: ‘Zie, Ik kom spoedig. Gelukkig degene die de profetische woorden van dit boek trouw onderhoudt’ (Apoc. 22: 6-7). De aankondiging dat Jezus nu ‘spoedig’ zal komen wordt nog vier keer in dit hoofdstuk door Jezus bevestigd.
“En ik, Johannes was het die dit alles hoorde en zag. En toen ik het gehoord en gezien had, viel ik neer voor de voeten van de engel die mij dit alles had laten zien, om hem te aanbidden. Maar hij sprak tot mij: ‘Dat nooit! Ik ben uw mede-dienstknecht zoals u en uw broeders, de profeten, en zij die de woorden van dit boek trouw onderhouden. Alleen God moogt ge aanbidden’ (Apoc. 22: 8-9).
We lazen vrijwel exact hetzelfde verhaal over Joannes’ aanbidding van de engel in Apocalyps hoofdstuk 19, blog deel 17. Dit toont het belang aan dat in de eindtijd werd gehecht aan de waarschuwing voor de aanbidding van valse profeten en de Antichrist. Alleen God mag worden aanbeden.

Miniatuur in de Apocalyps van Bamberg, 1000-1020
Aan de troon en de voeten van Jezus ontspringt de Levensbron en
Johannes aanbidt de engel die hem dit laat zien.

Detail 1. miniatuur in de Beatus van Silos
Ook recht in het midden van het detail van de miniatuur in de Beatus van Silos werpt Johannes zich voor de engel in aanbidding op de grond. De engel tilt Johannes aan het hoofd van de grond. De hemelbode laat hem weten dat hij zijn gelijke is en daarom niet door hem aanbeden mag worden: ‘Alleen God mag worden aanbeden.’ (Apoc. 22: 9)
Na het verhaal over de aanbidding van de engel komt Johannes terug op de opdracht die hij ontving om het boek met de beschrijving van zijn openbaringen aan de zeven geloofsgemeenschappen in Asia te sturen.
tweede verzekering van de waarheid van het boek door Jezus

Miniatuur in de Apocalyps van de Cloisters
‘Houd de profetieën van dit boek níet geheim, want de tijd is nabij.’
Op de miniatuur spreekt Jezus Johannes toe en zit daarbij blijkbaar op het stromende water van de Levensbron. Hij laat Johannes weten dat de inhoud van het boek met de openbaringen níet geheim mag blijven. Het mag daarom niet worden verzegeld, integendeel! Het zegelen van het boek wordt verboden omdat de boodschap dan niet zou worden gehoord. Het zou in tegenspraak zijn met de bedoeling van het boek: de goddelijke boodschap werd aan Johannes geopenbaard opdat de volkeren van de hele aarde op de hoogte moeten worden gebracht van wat er spoedig zal gebeuren. Het grote doel was immers de mensen voor te bereiden op de eindtijd. Dat was ook de opdracht die Johannes in het eerste hoofdstuk had gekregen: “Schrijf alles wat u wordt geopenbaard op in een boek en stuur dat naar de zeven gemeenten: Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea” (Apoc. 1: 10 en 19).

Detail 2. van de miniatuur in de Beatus van Silos
Ter hoogte van het hoofd van Johannes lezen we de tekst met de opdracht aan Johannes de visoenen in een boek op te schrijven. Dit boek moet worden toegestuurd aan de zeven kerken van Asia. Met enige moeite zijn de namen van de kerkgemeenschappen op de miniatuur te ontcijferen: Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea. Links staat Johannes met het boek in de handen. Hij staat op het punt om het te 'bezorgen' bij de zeven kerkgemeenschappen. Rechts van de tekst met de opdracht lezen we in de eerste boog van de ‘bovenverdieping’: ‘Efeso‘: Efeze en vervolgens in de andere bogen de namen van de steden aan wie Johannes het boek met de openbaringen moest sturen.
Ook in dit laatste hoofdstuk geeft Jezus het belang aan van de openbaringen; het zijn in feite waarschuwende aankondigingen van de dingen die spoedig zullen gebeuren: “Toen sprak Hij tot mij: ‘Verzegel de profetieën van dit boek niet, want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, laat hem onrecht bedrijven en laat de onreine zich nog verder bevlekken; laat de rechtvaardige nog rechtvaardiger worden en de heilige nog heiliger’” (Apoc. 22: 10-11). Zo heeft blijkbaar iedereen die leeft nog de mogelijkheid zich te bekwamen in zijn/haar positieve of kwalijke gedrag. Het visioen van het Laatste Oordeel is weliswaar aan Johannes geopenbaard, maar heeft nog niet werkelijk plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de terugkomst van Jezus op aarde en in feite voor alle visioenen die Johannes kreeg geopenbaard. In de laatste twee hoofdstukken wordt sterk de nadruk gelegd dat alles wat in het boek staat beschreven spoedig zal gebeuren. Jezus verkondigt: “Zie ik kom spoedig, het loon draag ik bij mij, om ieder te vergelden naar zijn werken
Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde. Gelukkig zijn zij die hun kleren hebben gewassen. Zij zullen recht krijgen op de Levensboom en zij mogen binnengaan door de poorten van de stad.” (Apoc. 22: 13). Hier wordt gewezen op de gelovigen die door hun geloof in Jezus zijn gereinigd en een rein en smetteloos leven leiden. Het is een metafoor die al in het zevende hoofdstuk van de Apocalyps werd gebruikt voor de gelovigen die zich reinigen met het bloed van het Lam: ”Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen, die hun kleren hebben wit gewassen in het bloed van het Lam” (Apoc. 7:14). Het bloed van het Lam is het bloed van Jezus, het Lam Gods, wiens bloed de mensen smetteloos rein maakt in de zin van ‘zonder zonden’, omdat het bloed van het Lam hun zonden heeft weggenomen.
Nu wordt Apoc. 21: 5-8 voor een deel herhaald: “Maar buiten blijven de honden, de tovenaars, de ontuchtigen, de moordenaars, de afgodendienaren: ieder die de leugen liefheeft en ernaar handelt. Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u deze getuigenissen over de zeven gemeenten bekend te maken. Ik ben de wortel uit het geslacht van David, de lichtende Morgenster” (Apoc. 22: 15-16). Hier wordt de tegenstelling opgeroepen tussen Satan, de valse Morgenster en Jezus de ware en stralende Morgenster die geboren werd uit het geslacht van David. (zie voor de valse Morgenster onder andere Apocalyps hoofdstuk 9, Blog deel 7)
“En de Geest en de bruid zeggen: 'Kom!' Laat wie het hoort, zeggen: ’Kom!’ Wie dorst heeft, hij kome. Wie wil, hij neme het water dat leven geeft, om niet. (Apoc. 22: 17)
Derde Verzekering van de waarheid van het boek door Johannes
Het boek van de Apocalyps wordt besloten met een dreigement tegen degenen die iets aan de tekst zouden willen afdoen. Johannes: “Ik verklaar aan ieder die de profetieën van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven staan. En als iemand iets afneemt van de woorden van deze profetie, zal God hem zijn deel afnemen van de Levensboom en van de heilige stad waarvan geschreven staat in dit boek. Hij die voor de waarheid van dit alles instaat betuigt: ‘Ja, Ik kom spoedig!’ “Amen! Heer Jezus kom!” De genade van de Heer Jezus zij met u allen” (Apoc. 22: 21).

Vlaamse Apocalyps, samenvattende miniatuur bij de tekst van hoofdstuk tweeëntwintig

Detail 1. miniatuur in de Vlaamse Apocalyps, Links bovenaan laat de engel Johannes de troon van God en het Lam in de hemel zien.
Uit dankbaarheid en bewondering voor alles wat de engel hem heeft laten zien valt Johannes rechts onderaan in aanbidding voor de hemelbode op de grond. De engel maakt een terughoudend gebaar.
Vanuit de openingen onder de troon dendert de Levensstroom tussen de rotsen naar beneden.

Detail 2. miniatuur Vlaamse Apocalyps, als een waterval stort het water van de Levensbron naar beneden. Langs de oevers van de rivier groeien bomen met verschillende vruchten.



Opmerkingen