top of page

Tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum

  • Foto van schrijver: Paul Bröker
    Paul Bröker
  • 6 dagen geleden
  • 22 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 6 uur geleden



 

Gravure van het schutsblad van een uitgave van Ovidius Metamorfosen, 1632

  

voorwoord: een enkele opmerking over de tentoonstelling en het boek van Ovidius.


Het uitgangspunt van de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum is het boek Metamorfosen van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso. De oorspronkelijk Latijnse titel is: Metamorphoseon Libri: Boeken over gedaanteverwisselingen. Ons woord 'metamorfose' is afgeleid van het Grieks μεταμόρϕωσις : metamorphosis, dat gedaanteverwisseling of transformatiebetekent.


In dit artikel wordt met Metamorfosen(cursief en met hoofdletter) specifiek verwezen naar de titel van Ovidius boek of naar de tentoonstelling in het Rijksmuseum. In andere gevallen bedoel ik met metamorfose 'gedaanteverandering'.

 

De Metamorfosen van Ovidius is, na de Bijbel, voor kunstenaars waarschijnlijk het belangrijkste boek dat is geschreven. De invloed van Ovidius werk op de beeldende kunst is al vanaf de middeleeuwen aanwijsbaar en bereikte een hoogtepunt tijdens de Renaissance.


Het magnum opus van Ovidius bestaat uit ongeveer 250 mythen en verhalen die met elkaar verbonden zijn door één thema: transformatie. De verhalen in de Metamorfosen zijn chronologisch gerangschikt. Het werk begint met de schepping van de wereld uit Chaos en loopt door tot de tijd die voor Ovidius (43 v.Chr.-17 of 18 n.Chr.) eigentijdse geschiedenis was, met het verhaal over de moord op Julius Caesar (44 v.Chr.) én de regeerperiode van keizer Augustus: 27 v.Chr.-14 n.Chr. De Metamorfosen gaat vooral over de metamorfosen van goden, mensen en andere wezens die zoal veranderen in dieren, planten, een gebergte (de Titaan Atlas) en sterren. Zo wordt op het einde van het boek de ziel van Caesar na zijn dood door de godin Venus als ster tussen de sterren opgenomen. Vandaaruit zal hij eeuwig boven het Capitool en het Forum over de stad waken.

De apotheose (vergoddelijking), waarbij helden als Aeneas (Metamorfosen Boek XIV, regels: 581-608) en een vrouw als Callisto (het sterrenbeeld Grote Beer) tussen de sterren worden opgenomen, is een terugkerend motief in de Metamorfosen.


 Houtsnede van Vergilius Solis (1514–1562): De vergoddelijking van Julius Caesar

 

Links op de gravure wordt de moord op Julius Caesar voorgesteld. Terwijl de dictator zijn laatste adem zichtbaar uitblaast, doorsteken twee mannen hem met een zwaard. Daarboven wordt de apotheose van Caesar verbeeld: links brengt de godin Venus de ziel van Julius Caesar boven de wolken en rechts wordt hij opgenomen tussen de goden. Daar spreekt Jupiter (met kroon en gebruikelijke bliksempijlen) de verzamelde goden toe met de woorden: "Julius Caesar zal eeuwig boven het Capitool en het Forum over de stad waken." (Metamorfosen Boek XV, regels: 839-850)*1

In 42 v.Chr. verklaarde de Romeinse Senaat Julius Caesar officieel tot god: Divus Julius: 'de goddelijke Julius'. dat betekent dat er tempels voor hem werden opgericht waarin zijn beeld werd vereerd en offers aan hem werden gebracht.

Helemaal rechts tegen de rand van de houtsnede herkennen we Hercules met de leeuwenkop op zijn hoofd. Ook hij beleefde na zijn dood een apotheose en werd tussen de onsterfelijke goden opgenomen.



Alles verandert, niets vergaat

 

Medardo Rosso (1858-1928), Bambino al sole: Kind in de zon, 1892, bijenwas, hoogte 34 cm, Kröller-Müller Museum, Otterlo.

Het beeld is te zien op de tentoonstelling in het Rijksmuseum.


Rosso werkte vaak met was. De bijenwas die door kunstenaars wordt gebruikt is enigszins transparant en kan licht doorlaten. Dit versterkt het effect van de zon op het beeldhouwwerk. Bijenwas verhardt na bewerking, maar na verloop van tijd vervaagt de zon het kindergezicht en zakt de vorm langzaam in.

 

De gedachte die de Italiaanse beeldhouwer Medardo Rosso (1858-1928) bij dit beeld had wordt in de tentoonstelling opgevoerd als een voorbeeld van dé metafoor van de metamorfose van de ziel zoals Ovidius dat heeft beschreven. Gebaseerd op de zaaltekst bij het beeldhouwwerk van Rosso: Door de was te kneden en te modelleren én onder invloed van temperatuurwisselingen en de inwerking van het zonlicht kan bijenwas voortdurend andere vormen aannemen, maar de was vergaat niet! Voor Medardo Rosso was bijenwas een belangrijk medium om de vluchtigheid van het leven uit te drukken: Het gezicht van het kind neemt onder invloed van de zon op het beeldhouwwerk en door wisselingen van temperatuur langzaam een andere uiterlijke vorm aan: een kind wordt ouder en het uiterlijk verandert.

Bijenwas wordt door Ovidius in het vijftiende Boek van de Metamorfosen enkele malen nadrukkelijk genoemd als metafoor van iets dat wel van vorm verandert, maar de ziel, de geest van dingen blijft onveranderd.


Boek XV De redevoering van Pythagoras, de kernfilosofie van de Metamorfosen van Ovidius: alles verandert, niets vergaat.

In het vijftiende en laatste Boek van de Metamorfosen wijst Ovidius op de kernfilosofie van zijn werk: de wereld verkeert in een voortdurende staat van gedaanteverwisseling: alles is onderhevig aan transformatie. Tegelijkertijd wil Ovidius laten zien dat er vaak een zekere continuïteit bestaat: eigenschappen, emoties of karaktertrekken van de persoon blijven namelijk herkenbaar in de nieuwe verschijningsvorm. In Boek XV regel 165 van de Metamorfosen legt de Romeinse dichter Ovidius (43 v.Chr.-17 na Chr.) de Griekse filosoof Pythagoras (ca. 570-500 v.Chr.) de woorden omnia mutantur, nihil interit in de mond: alles verandert, niets vergaat.


In het vijftiende en laatste Boek van de Metamorfosen presenteert Ovidius een lange, door hemzelf bedachte 'redevoering van Pythagoras', waarin de voortdurende gedaanteverwisseling van de natuur uiteen wordt gezet en onthouding van vlees wordt bepleit als ethisch gevolg van de leer van de zielsverhuizing. (zie hieronder)

De inhoud van de redevoering is dus niet afkomstig van Pythagoras zelf, maar sluit aan bij leerstellingen die aan zijn volgelingen worden toegeschreven. In zekere zin zouden we Ovidius op grond van de ideeën in het vijftiende Boek van de Metamorfosen een late navolger van Pythagoras mogen noemen.

De zogenoemde Pythagoreanen stonden bekend om hun ascetische leven, het geloof in reïncarnatie en onthouding van vlees. Zij worden wel de eerste vegetariërs genoemd.


De ‘redevoering van Pythagoras wordt door Ovidius gebruikt om duidelijk te maken dat gedaanteverandering geen vernietiging is, maar een overgang in een andere vorm. Zo verandert de ziel van de mens of de geest of het wezen van dieren, maar ze gaan niet ten onder. Ovidius geeft er via Pythagoras talrijke voorbeelden van dat uit dode materie iets nieuws voortkomt; hij spreekt over 'verhuizing van de ziel': De ziel doolt rond, verhuist van hier naar daar, en van daar naar hier, bewoont welk lichaam zij maar wil, gaat van een dierenlijf over in dat van een mens, en van ons weer in een dier. En net als zachte bijenwas steeds weer iets anders uitbeeldt, niet blijft wat ze is geweest, niet dezelfde vorm bewaart, maar wel dezelfde was blijft, is de ziel steeds dezelfde, maar verschijnt in velerlei gestalten. (Metamorfosen Boek XV regels: 165-172). Niets behoudt zijn eigen aanschijn. Moeder natuur laat elke vorm uit andere vormen ontstaan. Niets in het heelal gaat teloor, maar alles verandert en vernieuwt". (Metamorfosen Boek XV regels: 253-255) Bij monde van Pythagoras beschrijft Ovidius in de lange redevoering hoe bijvoorbeeld een dode stier in de modder ligt te vergaan en er uit de halfvergane resten bijen verrijzen. Hij vertelt hoe uit een begraven paard horzels voortkomen en geeft voorbeelden van andere insecten die uit rottende kadavers vliegen. (Metamorfosen Boek XV regels: 361-435) De vele voorbeelden, verspreid over het gehele vijftiende Boek, dienen als illustratie van de stelling niets vergaat, alles verandert. Het illustreert hoe leven en de ziel uit een vergaan lichaam kan overgaan in iets nieuws; Pythagoras spreekt over 'zielsverhuizing'.

Ook steden kunnen ten ondergaan en herrijzen. Zo verhaalt Pythagoras in zijn redevoering over de vernietiging van het oude Troje, maar zonder die ondergang zou er geen nieuw Troje zijn verrezen: Rome, "dat eens de hoofdstad van de wereld zal zijn." (Metamorfosen Boek XV regels: 422-453)


Met 'verhuizing van de ziel' (Metamorfosen Boek XV, regels 165-169) wijst Pythagoras erop dat de ziel of de geest, het niet-lichamelijke deel van een levend wezen, na de dood niet verdwijnt, maar voortleeft in een ander wezen, een mens of een dier. Dit idee van voortdurende gedaanteverandering sluit aan bij het centrale thema van gedaanteverwisseling in de Metamorfosen. Deze gedachte vormt de filosofische rode draad van het boek. In de zogenoemde rede van Pythagoras stelt Ovidius dat niets in het universum werkelijk verdwijnt; materie verandert slechts van vorm: “ zoals bijenwas smelt en opnieuw wordt gevormd, verandert ook ons eigen lichaam voortdurend: wat wij zijn geweest en wat wij nu zijn, zullen wij morgen niet meer zijn. Zo was er een tijd, waarin wij als zaad, in de moederbuik hebben gewoond. (Metamorfosen Boek XV regels: 214-220).


Pythagoras roept op tot een Vegetarische levenswijze

De voorbeelden maken deel uit van een breder betoog over de voortdurende verandering in de natuur en de zogenoemde 'verhuizing van de ziel'. Vanuit dat principe bepleit Ovidius bij monde van Pythagoras een vegetarische levenswijze en waarschuwt regelmatig voor de gevaren van het slachten en eten van dieren. Zij zouden immers een dier kunnen doden en opeten waarin de ziel van een verwante huist, die in een ander wezen is overgegaan. De expliciete bewering dat mensen mogelijk hun eigen verwanten eten, treffen we vooral aan in: Boek XV Metamorfosen regels ca. 455–469. Dit wordt ondersteund door andere passages: Boek XV: regels: 173–175). Aan het einde van Boek XV van de Metamorfosen concludeert Ovidius via Pythagoras: "Gun dus de dieren, die wellicht de ziel van onze ouders of broers bevatten of van welke aanverwanten dan ook, in elk geval van ménsen, hun verdiende rust en vrede, laten wij onze maag niet vullen met Thyestesvoer! (Metamorfosen XV, 458–478). Met 'Thyestesvoer' wordt verwezen naar het mythische voorbeeld van Thyestes, die door zijn broer Atreus vlees van zijn eigen kinderen kreeg voorgezet.


Atreus geeft een bediende opdracht om Thyestes een schotel voor te zetten met de ledematen van zijn kinderen., anonieme miniatuur, ca. 1410. Bibliotheek van Genève, Zwitserland


Boek 1 van de Metamorfosen, inleiding

Het is een enigszins ongebruikelijke volgorde die in dit artikel wordt aangehouden. Het leek mij echter zinvol om met het vijftiende en laatste Boek te beginnen, omdat Ovidius daarin uitgebreid schrijft over de filosofische grondslag van de Metamorfosen. Nu we daarmee vertrouwd zijn, kunnen we met enige bagage beginnen aan een bespreking van de afzonderlijke metamorfosen in het eerste Boek en illustraties bij de tekst van Boek1. In het tweede artikel bij de tentoonstelling worden een aantal topwerken op de tentoonstelling in het Rijksmuseum besproken.


In het tweede deel van het artikel van vandaag richten we ons op het eerste Boek van de Metamorfosen. In een ander blogartikel heb ik daar al eerder over geschreven, zie: Het eerste Boek van de Metamorfosen van Ovidius, een scheppingsverhaal; over de oorsprong der dingen (23 september 2023). Het artikel van vandaag is daarop grotendeels gebaseerd, maar is uiteindelijk uitgegroeid tot een vrijwel volledige herschrijving met nieuwe wetenswaardigheden. De opgenomen afbeeldingen komen merendeels wel overeen.


In de onderstaande teksten citeer ik geregeld volledige passages uit de Metamorfosen. Het gaat dan vooral om teksten waarin Ovidius gedaanteveranderingen beschrijft. Hoewel deze schitterende fragmenten niet altijd even gemakkelijk te doorgronden zijn, zult u al snel merken dat het de moeite loont om er even rustig bij stil te staan.


Het prille begin: van Chaos naar Kosmos

Ovidius opent de Metamorfosen met de overgang van de oerchaos naar een geordend universum. Dit kan worden gezien als de eerste en wellicht de grootste metamorfose: de transformatie van vormeloosheid naar kosmische orde.


Het zal u opvallen dat het scheppingsverhaal van Ovidius tal van overeenkomsten vertoont met het Bijbelse scheppingsverhaal.


ΧΑΟΣ: Chaos, houtsnede,1552 uit een geïllustreerde uitgave van de Metamorfosen van Ovidius.

 

In het begin bestond er slechts chaos

Voordat er zee of land bestond, en voordat er een hemel was die alles overdekte, was er in het heelal slechts één gedaante van de natuur: Chaos. Licht en duisternis kenden nog geen vaste tijden. Aarde, zee en lucht bestonden wel in zekere zin, maar de aarde was nog niet begaanbaar, het water niet bevaarbaar en de lucht nog zonder licht. Steeds werkte het ene element het andere tegen. Zo woedde er strijd tussen warm en koud, droog en vochtig, zwaar en licht en hard en zacht. (Metamorfosen Boek 1, regels: 1–20)


De eerste metamorfose: uit Chaos ontstaat Kosmos 

Antonio Tempesta (1555-1630), Orbis fabrica: de schepping van de wereld, plaat 1 van zijn met 150 illustraties geïllustreerde uitgave van de Metamorfosen van Ovidius, alle etsen: ca. 10,4 x 11,6 cm, 1606, Metropolitan Museum of Art, New York

 

Een niet met name genoemde god of natuurkracht bracht kosmos: orde in de ordeloosheid. De oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord kosmos (κόσμος) is orde. Ovidius beschrijft hoe uit de oorspronkelijke chaos een geordend universum ontstaat. De elkaar tegenwerkende elementen werden gescheiden; de lucht, de aarde en zee werden van elkaar verwijderd. De vier winden kregen hun gebieden toegewezen en de zon, de maan en de sterren kregen hun plek aan de hemel. Daarna wees hij ook de dieren hun plaats: de vissen in het water, de vogels in de lucht en de landdieren op aarde. (Metamorfosen Boek 1: regels 21–75)


Antonio Tempesta, Hominis creatio, de schepping van de mens,

plaat 2 van de Metamorfosen van Ovidius, 1606

 

Na de beschrijving van de kosmische ordening merkt Ovidius op dat er nog een wezen ontbrak dat hoger stond dan de dieren en meer openstond voor een goddelijke geest, een wezen dat over al het andere kon heersen. Vervolgens verwijst hij naar een oud mythologisch verhaal over Prometheus, de zoon van Lapetus. "Prometheus nam een hoeveelheid jonge aarde, die nog was vermengd met hemels zaad. Hij mengde de aarde en de goddelijke kiemen met regenwater en vormde daaruit de eerste mensen naar het beeld van de goden. Hij onderscheidde de mens van de overige levende wezens: terwijl de dieren met hun gezicht naar de aarde keken, schiep hij de mens met het hoofd omhoog, zodat hij zijn blik op de hemel en de goden kon richten". (Metamorfosen, Boek 1, regels 76–88)


Prometheus schept de eerste mens, Gravure/ houtsnede in Italiaanse uitgave van de Metamorfosen.

 

Prometheus buigt zich over de eerste mens, die hij uit aarde, vermengd met goddelijk zaad en regenwater, naar het beeld van de goden heeft gevormd. Rondom hem leven allerlei dieren vredig naast elkaar.

 

De vier tijdperken

In het chronologisch opgezet werk beschrijft Ovidius vier tijdperken: het Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren tijdperk. Hierbij wordt de morele achteruitgang van de mensheid min of mee neergezet als een geleidelijk, mythologisch-historisch proces.


het Gouden tijdperk

Antonio Tempesta, Aetas aurea: het Gouden tijdperk,

plaat 3 van de Metamorfosen van Ovidius

 

De eerste mensen leefden in een ideale wereld, die door Ovidius wordt omschreven als het Gouden tijdperk: Een periode zonder wraak en wetten; iedereen was rechtschapen en eerlijk. Straf bestond niet, noch angst voor straf. Er was geen noodzaak voor een leger en er waren geen heersers; de mensen leefden veilig in een aangename rust. (Metamorfosen 1, 89-100)

Het was het tijdperk van Saturnus, de god van de landbouw en de graanvelden. Onder zijn heerschappij hoefde de aarde niet geploegd of bewerkt te worden: “Vruchten groeiden uit zichzelf, het hele jaar door. In de rivieren stroomde melk, en sommige voerden nectar in hun stromen mee, terwijl uit de groene steeneik gouden honing druppelde. (Metamorfosen 1, 102-113).

 

 Het Zilveren tijdperk

Antonio Tempesta, Aetas argentea: het Zilveren tijdperk,

plaat 4 van de Metamorfosen van Ovidius 1606

 

Nadat Saturnus door zijn zoon Jupiter van de Olympische troon was gestoten, werd hij uit het godenrijk verbannen en brak het Zilveren tijdperk aan. De perfecte harmonie van het Gouden tijdperk ging verloren. De omstandigheden werden zwaarder: De lente werd korter, terwijl de winter, de zomer en het grillige najaar hun intrede deden. Het jaar kende nu seizoenen van verzengende hitte, droge perioden, maanden met stormachtige winden en ijzige kou. De mensen werden gedwongen te schuilen in huizen en grotten. Het land moest worden bewerkt, en de os kreunde onder het zware juk.” (Metamorfosen Boek 1:113-124).

Op de ets van Tempesta wordt het kantelpunt tussen het Gouden en het Zilveren tijdperk verbeeld: mensen bewerken de aarde met schoppen en zowel de mensen als de ossen trekken zwoegend over de akkers en het paard is beladen met de opbrengst van het land.

 

het Bronzen en IJzeren tijdperk

Antonio Tempesta, Aetas ferrea, het IJzeren tijdperk,

plaat 5 van de Metamorfosen van Ovidius, 1606


Daarna kwamen het Bronzen en het IJzeren tijdperk. Er ontstond schaarste, de mensen werden ruwer van aard en bevochten elkaar om het voedsel dat de aarde nog opleverde; ze grepen naar de wapens; schaamteloosheid, misdaad, list, bedrog en intriges gingen overheersen en niemand voelde zich nog veilig. Men leeft van roof; een gastvrij mens wordt de dupe van zijn gast… Vrouwe Justitia verlaat als laatste god de aarde die nu met misdaad is besmeurd.” Een (Metamorfosen Boek1, regels 144-150) We kunnen letterlijk spreken van 'een van godverlaten tijdperk'.


De Giganten keren zich tegen de goden

Antonio Tempesta, Gigantomachia, de strijd van de Giganten tegen de goden, plaat 6 van de Metamorfosen van Ovidius

 

In die periode werd zelfs de wereld van de goden bedreigd: de Giganten doen een poging om de heerschappij van Jupiter over te nemen. Vanaf de aarde stapelt het reuzenvolk enorme rotsblokken op elkaar. Het werden bergen die tot in de hemel reikten.

Op de ets van Tempesta weet Jupiter vanuit het midden van de wolken met bliksemschichten de inname van de godenberg te voorkomen. (Metamorfosen Boek 1, regels 151-155)


De Giganten bestormen de Olympus, met bliksemschichten pareert Jupiter de aanval op zijn heerschappij, losse pagina uit een verder onbekende uitgave van de Metamorfosen

 

Jupiter liet de berg van opgestapelde rotsblokken instorten. De opstandelingen werden onder hun eigen berg bedolven. Terwijl een aantal van de reuzen nog bezig is met het opstapelen van rotsblokken, liggen op de voorgrond al enkele slachtoffers onder grote keien bedolven. (Metamorfosen Boek 1, regel 155)

 

In de christelijke tijd werden vergelijkingen gemaakt met het verhaal van de oerstrijd van de opstandige engelen, die uit de hemel werden geworpen en naar de hel verdreven en vanuit diep onder de aarde het kwade en de opstand tegen God aanmoedigen. Ovidius beschrijft een navrant voorbeeld:

 

Lycaon

Na de afgeslagen opstand van de Giganten was Jupiter er nog niet gerust op dat zijn gezag was gewaarborgd. Op de Olympus roept hij de goden bijeen en wijst beschuldigend op Lycaon. Deze Arcadische koning was een boosaardig type die sceptisch was over de goddelijke almacht en luidkeels de alwetendheid van de Olympiërs betwistte .

De oppergod vertelde de verzamelde goden dat hij in mensengedaante het paleis van Lycaon had bezocht en zich daar als god had gemanifesteerd. Al de aanwezigen knielden eerbiedig voor hem neer, behalve Lycaon die van plan was om de goddelijke almacht en alwetendheid van Jupiter op de proef te stellen. Toen Jupiter die nacht in het paleis van de koning verbleef, probeerde Lycaon hem in zijn slaap te doden. Wanneer zijn gast was overleden zou het voor iedereen duidelijk zijn dat hij geen onsterfelijke god was. Jupiter overleeft de aanslag, maar zijn aanvaller was niet uit het veld geslagen; hij deed een tweede poging de alwetendheid van zijn gast op de proef te stellen en aan te tonen dat hij geen goddelijke verering verdiende. De koning zette Jupiter een maaltijd voor van mensenvlees. Toen hem dat werd opgediend liet Jupiter het paleis van de koning met zijn bliksemschichten in vlammen opgaan. (Metamorphosen, Boek 1, regels 209–234). Daarmee was de woede van Jupiter echter nog niet gekoeld!


Hendrik Goltzius, (1558-1617), Jupiter verandert Lycaon in een wolf; Rijksmuseum, gravure: 17,15 x 25,4 cm, Boek 1, plaat 9 uit een door Goltzius geïllustreerde uitgave van de Metamorfosen. De prent is onderdeel van een uitgave met 52 illustraties van de Metamorfosen, 1598

 

Op de gravure van Hendrik Goltzius zit Jupiter links aan een gedekte tafel. Voor hem staat een schotel met stukken vlees waarin menselijke vormen herkenbaar zijn. De god richt zijn linkerhand naar Lycaon. Aan de voeten van de oppergod staat de adelaar, hét teken van zijn koningschap over het universum; ook de vogel richt zijn blik op Lycaon. Rechts ontvlucht Lycaon het brandende paleis; zijn hoofd is al veranderd in de kop van een wolf. Terwijl hij wegrent, zet de gedaanteverwisseling onstuitbaar door: Verderop, in stille velden, jankt hij het uit; hij tracht te roepen, tevergeefs. Zijn mond verklankt zijn eigen bloeddorst en hij richt zijn oude moordlust voortaan op dieren in het veld en smult nog steeds van bloed. Zijn kleren worden vacht, armen en benen worden poten, hij wordt een wolf, maar toont nog tekenen van zijn oude staat: dezelfde kleur bruingrijs, dezelfde wreedheid in zijn trekken, zijn ogen lichten even fel en hij toont nog even woest.(Metamorphosen, Boek 1, regels 230–239)

 

De beestachtige wreedheid van Lycaon gaat over in een nieuwe vorm, maar blijft bestaan.

Ovidius merkt nadrukkelijk op dat de wolf nog steeds dezelfde wrede bloeddorst, gelaatstrekken en woede in de ogen heeft toen Lyacon mens was.

In Ovidius' Metamorfosen weerspiegelt de nieuwe gedaante vaak de innerlijke aard van het oorspronkelijke wezen. Ovidius laat daarmee zien dat, hoewel de fysieke vorm is veranderd, het karakter van het personage blijft voortbestaan, in een nieuwe vorm.

De nieuwe gedaante weerspiegelt de innerlijke aard, waarbij de essentie, in dit geval de wreedheid van Lycaon, behouden blijft, ook al verandert de fysieke vorm van mens naar wolf. Dit illustreert het fundamentele thema in het werk van Ovidius.

 

Jupiter wil de mensheid vernietigen

Nadat Jupiter aan de andere goden het verhaal van Lycaon heeft verteld, spreekt hij zijn angst uit dat de mensen zich tegen de goden zullen keren. Daarom besluit hij de mensheid uit te roeien. Sommige goden twijfelen echter: wanneer er geen mensen meer op aarde zijn, wie zal dan de offergaven naar hun tempels dragen, het wierook laten branden en de offervuren onderhouden? Jupiter stelt hen in het vooruitzicht dat hij een nieuwe wereldbevolking zal laten ontstaan, miraculeus geboren. De mensen die nu leven zal hij echter, zo zegt hij, in een zee van golven verdelgen, na een vloed van regens uit de wijde lucht.(Metamorfosen Boek1, regels: 260-261)

 

De vloed verdelgt de mensen over de hele aarde

Hendrik Goltzius, Jupiter, Neptunus en de riviergoden veroorzaken een zondvloed, Rijksmuseum, gravure: 17,6 x 25,2 cm, 1598


De gravure van Goltzius brengt de woorden van Ovidius onheilspellend in beeld: Jupiter had besloten de aarde met water te verdelgen. In de wolken opent hij met een krachtige armbeweging de wolkenlagen en het regenwater stort als een waterval naar beneden. Rechts staat Neptunus, de god van de zee, het water en de wolkenbreuken, klaar om met zijn drietand ruimte in de bodem te maken om de watermassa's naar boven te stuwen. Tegelijkertijd beveelt hij de riviergoden hun vernietigende kracht te tonen." Op de prent gieten de riviergoden hun kruiken leeg en veroorzaken samen met Jupiter en Neptunes een zondvloed: "Rivieren kolken nu wijd en breed over het weerloos veld... “bossen en graangewassen, mensen evengoed als dieren, huizen en heiligdommen worden meegesleurd … zelfs torens gaan schuil onder de golven. Aarde en zee vertoonden geen enkel onderscheid: alles was zee en langs de zee lag nergens meer een kuststrook. (Metamorfosen Boek 1, regels: 268-292)


Antonio Tempesta, Diluvium, de Vloed,

plaat 7 van de Metamorfosen van Ovidius

 

Haast prozaïsch beschrijf Ovidius de ondergang van mensen en dieren en alles wat er op aarde is gebouwd en groeit: De mensen vluchten naar hoger gelegen gebieden, springen in boten en rukken aan riemen waar men kortgeleden nog rustig ploegde. Ze varen boven het koren, boven verzonken daken van villa’s… wijngaarden worden door gebogen kielen stukgevaren… Verwonderd zien de Nereïden, de dochters van de zeegod Nereus onder water een stad met verdronken huizen en een bos waarin dolfijnen zwemmen, hoog tussen de takken door slaan zij hun staart tegen de stammen van de bomen... bergtoppen voelen voor het eerst de regelmaat van golfslag. Het merendeel van de mensen wordt prooi van het water; degenen die door het water worden gespaard, gaan door langdurige hongersnood en voedseltekort te gronde.” (Metamorfosen Boek1, regels: 293-312)

 

Deucalion en Pyrrha

In het verhaal over Lycaon stelde Jupiter de goden gerust met de belofte dat hij een nieuw mensengeslacht zal laten ontstaan, miraculeus geboren had hij daaraan toegevoegd. (Metamorfosen, Boek 1, regels 251-252). Hoewel er na de vloed op aarde nog maar twee mensen woonden, een echtpaar dat al te oud was om kinderen te krijgen, zullen we zien dat de oppergod woord houdt.

 

Na de zonvloed duurde het nog lang voordat het water weer zijn normale niveau bereikte. Ook het gebied waar Deucalion en Pyrrha woonden was nog bedekt met water.

In een klein bootje naderde het echtpaar een drooggevallen gebied bij de tempel van Themis. Zij is een vroege godin van wet en orde en al vóór Apollo godin van het Orakel van Delphi.

Over Deucalion en Pyrrha schrijft Ovidius: Geen man was rechtschapener of edeler dan hij, geen vrouw die meer respect had voor de macht van de goden dan zij. Dankbaar voor hun redding knielen zij op een drooggevallen stukje aarde.

Toen Jupiter de aarde zag als één grote spiegelplas van helder water, en ook dat slechts één man en ook slechts één vrouw nog in leven waren liet hij de toorn van de zee wijken, beiden droegen immers geen schuld aan minachting van de goden. … Dan krijgt de zee weer land te zien en de rivieren herkennen weer hun bedding, men ziet weer heuvels rijzen; de bodem groeit en waar de golven wijken stijgt het land. Na verloop van tijd laat ook het bos zijn boomtoppen zien met modderslierten in het loof. De wereld keerde terug, maar toen Deucalion de leegte aanschouwde en het eenzaam land volkomen stil voor zich zag liggen, sprak hij tot Pyrrha, en er klonken tranen in zijn stem: Zuster, mijn vrouw, de laatste vrouw die leeft op deze aarde … wij tweeën zijn van de hele wereld de enige mensen… Nu is het mensenras alleen nog in ons beiden over, zo wilden de goden het. (Metamorfosen Boek1, regels: 324-368)

Het oude echtpaar huilde, hopeloos… hoe zou de mensheid uit hen nog kunnen voortbestaan? Deucalion: Ik zou willen dat ik net als mijn vader Prometheus uit klei nieuwe mensen kon vormen en leven inblazen.(Metamorfosen Boek1, regels: 363-364) Zij besluiten raad te vragen bij het heilige orakel. Voordat zij zich tot Themis wenden, knielen ze bij de rivier de Cephisus. "Na de vloed is het water van de rivier weliswaar nog troebel, maar volgt al wel weer zijn oude bedding". Deucalion en Pyrrha besprenkelen zich met water van de Cephisus. Daarna gaan ze naar de tempel van Themis, de heilige godin. (Metamorfosen Boek 1: regels 367-370)

 

Ovidius beschrijft het gebied waar Deucalion en Pyrrha aan land zijn gegaan: Daar reikt een trots gebergte, Parnassus genaamd, met twee spitsen die reiken tot in de sterren. Deucalion en Pyrrha waren met hun bootje in de modder van de rivier blijven steken in het gebied van de tempel van Themis, de godin van het orakel. (Metamorfosen Boek 1: regels 316-320)

 

Nadat ze bij het heiligdom van Themis waren aangekomen knielden Deucalion en Pyrrha bij de tempeltrappen en beginnen hun gebed: O Themis, zeg ons, als de goden gevoelig zijn voor een oprecht smeken, als hun toorn daarvoor wil wijken, zeg ons hoe dit verlies aan mensen herstelbaar is. (Metamorfosen Boek 1, regels: 377-380)


Johann Postumus, Deucalion en Pyrrha knielen voor het beeld van Themis en vragen de godin van het orakel om hulp, muurschildering in het stadhuis van Maastricht, ca. 1660.

Ik heb twee keer aan een rondleiding door het stadhuis meegedaan. Daar heb ik echter de muurschildering nooit aangetroffen; ook niet in het Bonnefantenmuseum waar wel meer kunstwerken hangen uit het stadhuis.


 Na hun gebed klinkt de stem van het orakel: Ga heen, sluier het hoofd en knoop uw dichtgesnoerde mantels los en werp de botten van uw grote moeder in uw voetspoor. (Metamorfosen Boek 1, regels: 381-383). Zoals vrijwel altijd, was ook deze orakelspreuk raadselachtig. Pyrrha was verbijsterd! Bedoelde het orakel werkelijk dat zij de schim van haar overleden moeder moest onteren door met haar botten te gaan gooien? Deucalion leek de orakelspreuk beter te doorgronden: "Met uw grote moederwordt Moeder Aarde bedoeld en haar botten zijn de stenen in haar lichaam". Ze probeerden het! En wanneer zij zich naar het bevel van het orakel sluieren, hun kleren losknoopten en stenen van de aarde over hun schouders werpen, vond er een schitterende metamorfose plaats. Ovidius beschrijft een geleidelijke verandering van steen naar mens alsof hij het werkelijk zelf heeft zien gebeuren: “De stenen raakten hun kou en stijfheid kwijt, ze begonnen hun hardheid te verliezen, en zacht geworden kregen zij wat vorm en toen het zover was, kon men vaag menselijke gestalten in het marmer ontwaren. Ze leken op ruw bewerkte beelden, nog lang niet afgewerkt, maar meer een ruwe vorm. Ieder bestanddeel dat voorheen van aarde was en vochtig door de sappen van de aarde, fungeerde nu als mensenvlees; wat hard was geweest en onbuigzaam, groeide uit tot botten en wat zojuist nog ader was, behield dezelfde naam, en spoedig namen de door Deucalion geworpen stenen volgens de wil der goden het uiterlijk van mannen aan en uit de geworpen stenen van Pyrrha ontwikkelden zich vrouwen." (Metamorfosen Boek 1: regels: 398-415).

In de aangehaalde tekst wat hard was geweest en onbuigzaam, groeide uit tot botten en wat zojuist nog ader was, behield dezelfde naam. (Metamorfosen Boek 1: regels: 410), verwijst Ovidius met ader naar de natuurlijke lijnen of aderen in het gesteente, die tijdens de gedaanteverandering bloedaderen van de nieuwe mensen worden: De overgang van levenloos naar levend past bij het centrale thema van de Metamorfosen.


 Antonio Tempesta, Reparatio generis humani, herstel van het menselijk ras, plaat 8 van de Metamorfosen van Ovidius

 

In de rechterbovenhoek knielen Deucalion en Pyrrha voor het beeld van Themis. Op de voorgrond werpen zij de stenen, die zij in een doek hebben verzameld, over hun schouder. Uit de stenen achter hen rijzen de eerste 'miraculeus geboren' menselijke gestalten op.

 

Op de plek waar Deucalion en Pyrrha hun stenen op de aarde hebben geworpen, baart Moeder Aarde nieuwe mensen; ze wringen zich los uit de aarde. Ondertussen blijven Deucalion en Pyrrha, onverstoord en nog steeds gesluierd, stenen rapen en achter zich werpen. Deucalion doet dit enigszins achteloos; een van de zware keien dreigt op het zich uit de aarde kruipende mensje achter hem te vallen. Op de achtergrond staat de tempel van Delphi met het beeld van Themis.


Peter Paul Rubens, Deucalion en Pyrrha,

olieverfschets op paneel: 26,4 x 41,7 cm., Museo Nacional del Prado, Madrid

 

Met links op de achtergrond de tempel van het orakel trekken de oude Deucalion en Pyrrha over het door de vloed verwoeste landschap. Zij pakken de stenen die voor hun voeten komen en zonder om te kijken werpen zij de keien achter zich. Wanneer zij zouden omkijken zullen ze versteld staan van het resultaat van hun inspanningen. Op de voorgrond ontworstelen menselijke gestalten zich aan de aarde. Daarachter lijkt een jong stel elkaar al gevonden te hebben!

 

In de christelijke cultuur worden vergelijkingen gemaakt tussen de rechtschapen Deucalion en Pyrrha en Noach en zijn familie die de Bijbelse zondvloed overleefden. Hún boot loopt, naar de traditie vast op de flanken van de berg Ararat, in het oosten van Turkije, vlak bij de grens met Armenië en Iran.

 

Peter Paul Rubens, Apollo doodt de slang Python, olieverfschets op paneel: 26,8 x 42,2 cm, 1636-1637, Museo Nacional del Prado, Madrid

 

Het slangenmonster Python

Na de zondvloed was het kwade nog niet overwonnen! Het blijft voortdurend de kop opsteken!

Direct na de geschiedenis van Deucalion en Pyrrha en de nieuwe mensen die uit stenen van de aarde werden geboren, verhaalt Ovidius over het avontuur van Apollo met het verschrikkelijke slangenmonster Python: De andere wezens, alle dieren van verschillende soorten, heeft Moeder Aarde zelf voortgebracht. Het zijn opnieuw de oude zaden die nieuw leven voortbrengen: Door het vocht van jaren dat door zonnevuur was gewarmd, zetten modder en moeras door hitte uit en vele kiemen die nieuw leven droegen, gevoed in levensrijke grond als in een moederbuik, groeiden op en kregen langzaam hun eigen vormen terug… Want als door vocht en warmte een zeker evenwicht ontstaat, ontstaat er leven; alles vindt in deze twee zijn oorsprong. Toen de aarde, nog drassig na de jongste vloedgolf, warm-gloeiend werd door zonneschijn en hoge hemelhitte baarde zij weer ontelbaar vele soorten… zonder het zelf te willen bracht ze ook de reuzenslang Python voort, die voor de nieuwe mensen een schrikbeeld werd." (Metamorfosen Boek1: 416-440)

 

Apollo geldt als de klassieke god die door Jupiter werd ingezet wanneer de goddelijke orde op aarde in gevaar dreigde te komen. Een van zijn eerste daden in dat verband was de strijd tegen het verschrikkelijke slangenmonster: Na een langdurige strijd waarbij Apollo wel duizend pijlen op het ondier afschoot werd het monster verslagen… en uit zijn donkere wonden spoot giftig bloed. (Metamorfosen Boek 1: regel 144) 

 

De strijd van Apollo roept herinneringen op aan de strijd tegen de slang als personificatie van het kwade in de christelijke cultuur. Ook in het scheppingsverhaal in de Metamorfosen ligt het dier blijkbaar op de loer om de mensen tot het kwade aan te zetten...

 

In het tweede en afsluitende artikel over de expositie in het Rijksmuseum wordt een aantal topwerken besproken die daar te zien zijn. In de dagen vóór Pasen verschijnt echter eerst nog het traditionele Paasartikel, dat wat beter aansluit bij de feestdagen.

 


Gebruikte literatuur

  • Ovidius Metamorfoses, naverteld door dr. G.M.A. Pepermans, Utrecht 1978

  • *1 Ovidius Metamorphosen, vertaling Marietje d'Hane-Scheltema, Amsterdam, 1998, de aangehaalde teksten en de regelnummering in het artikel zijn vooral gebaseerd op het boek van Marietje D'Hane-Scheltema



 
 
 

Opmerkingen


bottom of page