top of page

Over twee rivieren in La Divina Commedia, De Goddelijke Komedie van Dante Alighieri

  • Foto van schrijver: Paul Bröker
    Paul Bröker
  • 7 mrt
  • 27 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 12 mrt

  

Opschrift op de boog: LASATE OGNI SPERANZA OVOI CHENTRATE: 

LAAT VAREN ALLE HOOP, JIJ DIE HIER BINNENTREEDT

Ik heb geen gegevens kunnen vinden over deze miniatuur.

 

 

Voorwoord

Het uitgangspunt van dit artikel zijn twee rivieren in de De Goddelijke Komedie: de Lethe en de Eunoë, waarbij ik vooral met de Lethe een persoonlijke binding voel (daarover later).


In feite gaat het om een vrij onbekend en klein deel van De Goddelijke Komedie, dat wel heel essentieel is. Wanneer het echter alleen maar over die twee rivieren zou gaan, zou het een heel kort artikel worden. Daarom sta ik ook uitgebreid stil bij wat eraan voorafgaat: Dante’s reis door de Hel en de beklimming van de Louteringsberg, die eindigt in het Aardse Paradijs, bij de Lethe en de Eunoë. Dan zullen we de essentie van wat er bij de twee rivieren gebeurt beter begrijpen. Het derde deel van de reis, het Hemels Paradijs wordt in dit artikel niet uitgebreid behandeld, maar slechts terloops genoemd.


Opzet van De Goddelijke Komedie, een denkbeeldige reis

In zijn omvangrijke dichtwerk La Divina Commedia (De Goddelijke Komedie) beschrijft de Florentijnse dichter en filosoof Dante Alighieri (1265–1321) zijn denkbeeldige reis door de drie rijken van het hiernamaals: de Hel (Inferno), de Louteringsberg (Purgatorio) en het Paradijs (Paradiso). De Divina Commedia telt in totaal 100 canti (gezangen) in dichtvorm: 33 voor elk deel, plus één inleidend canto voor het eerste deel (Inferno).

Het lijvige dichtwerk begint met een befaamde openingszin: "Op het midden van mijn levensweg bevond ik mij in een donker woud, omdat ik van het rechte pad was afgedwaald". In de openingsregels beschrijft Dante hoe hij op middelbare leeftijd verdwaald is geraakt in het donkere woud van een zondig leven. Terwijl Dante ronddwaalt, verschijnt de schim van de door Dante zeer bewonderde Romeinse dichter Vergilius. Hij biedt aan Dante te helpen het juiste pad te vinden, maar waarschuwt dat ze eerst een andere weg moeten nemen: een reis door de Hel en over de Louteringsberg. Dante moet in De Goddelijke Komedie de tocht door de Hel en het Vagevuur maken om hem te confronteren met de straffen die hem wachten wanneer hij zijn zondige leven voortzet.


Deel I van De Goddelijke Komedie: de Hel

(korte samenvatting)

 

Dante en Vergilius naderen de ingang van de Hel, gravure van Gustave Doré in diens geïllustreerde uitgave van De Goddelijke Komedie (1861-1868).

 

Vergilius wijst Dante op de tekst boven de poort: Laat varen alle hoop, gij die hier naar binnen treedt. Op de gravure van Gustave Doré is de cartouche boven de ingang afgebeeld, waarin we enkel onbeduidende tekens aantreffen.

 

De straf weerspiegelt de zonde

In de Hel wordt Dante geconfronteerd met gruwelijke straffen die mensen eeuwig moeten ondergaan. Hij spreekt zondaars die hem vooral aanraden op aarde naar de wetten van God te leven, zodat hem niet hetzelfde overkomt als hen.

De straffen in de Hel zijn niet willekeurig, maar vloeien voort uit de zonde zelf. De Hel is ingericht als een goddelijke strafplaats waar de straf vaak het tegendeel is van de misdaad: een principe dat bekend staat als ‘contrapasso’.

Zo worden zowel in de Hel als op de Louteringsberg hoogmoedigen vernederd. Hoewel het idee al eerder bestond, werkte Dante het contrapasso in De Goddelijke Komedie op uitzonderlijke wijze systematisch en literair uit.

Dante beschrijft op de Louteringsberg een treffend voorbeeld van contrapasso:

We zullen de zonde van de hoogmoed nog vaker tegenkomen. In theologische zin is hoogmoed een buitensporige liefde voor de eigen uitmuntendheid, waarbij men zichzelf op een voetstuk plaatst en God niet meer nodig denkt te hebben.

 

Miniatuur bij  Canto XIII van de Louteringsberg in een Italiaanse uitgave van De Goddelijke komedie, Bodleian Library, ca.1350–1375, Universiteit van Oxford.

 

Op de Louteringsberg wijst Vergilius Dante op mensen die tijdens hun leven overmatig afgunstig of jaloers waren. Zij worden gestraft door middel van een boetedoening die direct verband houdt met hun zonde op aarde: hun oogleden worden met ijzerdraad dichtgenaaid. Dit verwijst naar het feit dat zij op aarde met afgunst naar het geluk van anderen keken, omdat zij die voorspoed niet konden aanzien.

 

Detail van de miniatuur met de afgunstigen in

De Goddelijke komedie van de Bodleian Library


De verticale strepen over de ogen van de zielen van de mensen die afgunstig zijn geweest tonen aan dat hun ogen zijn dichtgenaaid. Hierdoor kunnen zij de voorspoed van anderen letterlijk niet meer aanzien: contrapasso. 

 

Kritiek op pausen en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders

Tijdens de tocht door de Hel wijst Vergilius Dante herhaaldelijk op kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders bij wie de spirituele roeping heeft plaatsgemaakt voor de drang naar aardse macht, corruptie en persoonlijke verrijking. In zijn beschrijvingen maakt Dante geen onderscheid op basis van kerkelijke rang. Hij veroordeelde de prelaten op basis van hun morele falen en zonden.

In De Goddelijke Komedie gaat het vaak over corrupte kerkleiders. Dante plaatst verschillende pausen in de Hel, niet vanwege hun ambt, maar vanwege ambtsmisbruik en hoogmoed.   


Giovani di Paolo, miniatuur in een geïllustreerde uitgave van De Goddelijke Komedie circa 1444 en 1450, British Library, Londen


Op de miniatuur van Giovani di Paolo (1403-1482) wijst Vergilius (in rode mantel) Dante op de straffen die een paus met tiara, en een kardinaal met rode hoed en andere kerkelijke figuren met kruinscheringen in de Hel moeten ondergaan. Dante spreekt met verschillende overleden pausen.

Zo ontmoet hij de overleden Nicolaas III (paus van 1277-1280) die vanwege simonie tot de Hel was veroordeeld. Bovendien schrijft Dante over pausen die tijdens zijn reis nog in leven waren.

Zo vertelt Nicolaas III aan Dante dat hij verwacht dat paus Bonifatius VIII (paus 1294–1303), een van de opvolgers van Nicolaas III, hem spoedig in de hel zal vergezellen, aangezien deze nóg corrupter is dan hijzelf was! Dante had nog een appeltje te schillen met Bonifatius VIII, die zijn macht had misbruikt om de dichter in 1302 voorgoed uit Florence te laten verbannen. In de jaren daarna begon Dante aan De Goddelijke Komedie, waaraan hij tussen ca. 1304 en 1321 werkte. 

De pausen worden vooral in de Hel gestraft vanwege het misbruiken van hun geestelijke macht voor wereldlijke doelen, hun hebzucht, corruptie, simonie en hovaardij. Op de illustratie van Giovani di Paolo moeten de paus en de kardinaal rotsblokken verplaatsen. Dit nederige werk was traditioneel slavenwerk Daarmee sluit deze vernedering goed aan bij de straf voor hoogmoedig gedrag: contrapasso. 

 

De ergste straffen in het diepste gedeelte van de Hel

Tijdens de afdaling in de Hel merken Dante en Vergilius dat de straffen voor de zondaars steeds zwaarder worden.

Zij dalen af in de diepste krochten van de Hel, tot in het middelpunt van de aarde. Het is een plaats van eeuwige duisternis, vuur, stank, modder en ijzingwekkende kou. Ze treffen er schimmen/zielen aan die eeuwig zijn vastgevroren in het ijs. Nog iets lager zien zij daar ook de vorst van de duivels, Lucifer de gevallen engel die met zijn aanhangers in opstand was gekomen tegen God om in de hemel zijn heerschappij over te nemen. Met zijn drie bekken vermaalt hij onophoudelijk de drie grootste zondaars uit de geschiedenis. In de ogen van Dante zijn dat: Judas, Brutus en Cassius. Zij worden in het diepste gedeelte van de Hel geplaatst. Het is de koudste en meest verlaten plek van Dante’s onderwereld, ver weg van de liefde van God. Ze zijn daar terechtgekomen omdat ze volgens de dichter de ergst mogelijke zonden hebben begaan: verraad aan hun weldoener en rechtmatige heer. Judas bevindt zich in de middelste bek van Lucifer. Daar wordt hij het hevigst gemarteld, omdat diens verraad van Jezus, in de ogen van Dante de grootst mogelijke zonde was. Judas’ verraad van Jezus staat gelijk aan een aanval op de goddelijke macht en de fundamenten van het christelijke geloof. Brutus en Cassius behoorden tot de samenzweerders die Julius Caesar (Dictator van Rome: 49- 44 v.Chr.) vermoordden. In De Monarchia, De Monarchie pleit Dante expliciet voor een universele wereldmonarchie, gebaseerd op het Romeinse Rijk. Dante prijst Julius Caesar als de cruciale figuur die een eind maakte aan de chaos van de Romeinse Republiek en de basis legde voor het Romeinse Rijk, een institutie die hij beschouwde als een door God gewenste vorm van wereldvrede. Dante geloofde dat God de Romeinen had uitgekozen om de wereld te verenigen en vrede te brengen: de Pax Romana, de Romeinse Vrede die duurde van ongeveer 27 v.Chr. tot 180 n.Chr. en in feite al onder keizer Augustus (regeerperiode: 27 v.Chr.-14 n.Chr.) was begonnen. Volgens Dante wat die vrede noodzakelijk voor de komst van Christus.

 

Het werd al duidelijk: Dante plaatste historische en Bijbelse figuren evenals zijn eigen politieke vijanden en corrupte pausen in de Hel. Wanneer de zondaars, wat Dante betreft minder zware zonden hadden begaan, kregen zij een plaats op de Louteringsberg, waar zij de zonden konden uitboeten.



Deel II van De Goddelijke Komedie: de Louteringsberg/ het Vagevuur (korte samenvatting)



Het zal opvallen dat Dante tijdens de reis over de Louteringsberg feitelijk niet wordt gestraft. Dat komt doordat hij als levende mens over de Louteringsberg trekt. Hij ondergaat een innerlijke, geestelijke zuivering waarbij hij leert de zondige neigingen uit zijn leven te overwinnen. Hij kan tijdens zijn leven nog berouw en boete tonen. Dante maakt de reis om te leren en te louteren, niet om boete te doen voor zonden.

 

Nadat Dante geconfronteerd was met de gruwelijke en eeuwige straffen in de hel, werd hij zich steeds bewuster van zijn eigen wandaden, falen en tekortkomingen. Hij smachtte naar innerlijke rust en besefte dat hij zijn zondige leven op aarde achter zich moest laten. Hij nam zich voor zich van zijn zondige aard te zuiveren om uiteindelijk verlossing te bereiken.

Het "donkere woud", waarmee Dante’s reis was begonnen, staat symbool voor zijn afdwalingen van het rechte pad. Op de Louteringsberg leert Dante dat alleen door oprecht en doorleefd berouw de zielen kunnen worden gezuiverd.

 

Louteringsberg en Vagevuur

De termen Louteringsbergen Vagevuurworden door elkaar gebruikt, hoewel er naar mijn gevoel toch verschillen zijn. De katholieke leer over het vagevuur is door de eeuwen heen ontwikkeld. De Louteringsberg in De Goddelijke Komedie is daarop gebaseerd. Zowel het vagevuur als de Louteringsberg is de plaats waar zielen door boetedoening/loutering worden gereinigd. Pas daarna kan de ziel in het Hemelse Paradijs (Paradiso) worden opgenomen. Waar de Hel een plaats is van eeuwige verdoemenis, is de Louteringsberg een opgewektere plaats, een plaats van hoop op verzoening met God. De boete die de zielen moeten ondergaan is zwaar, maar tijdelijk. De zielen ondergaan hun straffen gelaten en soms zelfs blijmoedig; ze zijn positief gestemd. Door nu te boeten voor hun zonden, spreken de zielen tegenover Dante de hoop uit uiteindelijk toegelaten te worden tot het Aardse Paradijs, dat door Dante wordt gesitueerd op de top van de Louteringsberg. Daar heerst een sfeer die vol is van verlangen naar God. Na de definitieve reiniging in de Lethe en de Eunoë is de ziel klaar voor het Hemelse Paradijs.

 

In de eerste zin van de Louteringsberg, maakt Dante duidelijk wat de plannen zijn na de reis door de Hel: Nu ik met het schip van mijn geest een zo wrede zee achter mij heb gelaten, hijs ik de zeilen om koers te zetten over rustiger water. En ik zal zingen van het tweede rijk, van het hiernamaals waar de ziel zich loutert en waardig wordt bevonden om ten hemel te stijgen.


Joseph Anton Koch, De ziel ondergaat boetedoening voor zijn hoogmoed, fresco in de stanza di Dante-Muren, 1825-1826; (andere gegevens ontbreken)  (Foto van Zeilko, gelicentieerd onder de Creative Commons Attribution 3.0 Unported- licentie.)

 

Op het fresco van Joseph Anton Koch wordt de stemming op de Louteringsberg goed weergegeven. De zondaar gaat weliswaar zichtbaar gebukt onder een zware last. Toch dankt hij God dat hij boete mag doen voor zijn zonden om uiteindelijk genade te ondervinden. Door de straf te ondergaan en God niets te verwijten, weet hij dat er een einde komt aan de beproevingen. TE DEUM LAVDAMUS: God, wij zingen u lof toe", lezen we op de steen.                                                                                   


De tocht van Dante over de Louteringsberg

Vergilius wijst Dante op Cato, miniatuur in een Italiaanse uitgave van De Goddelijke komedie, Bodleian Library, ca.1350-1375, Universiteit van Oxford.

 

Wanneer Dante en Vergilius hun eerste schreden zetten op de vlakte rond de Louteringsberg ontmoeten zij een oude grijsaard met een lange baard'. De man wordt verlicht door de vier heilige sterren van de kardinale deugden. Vergilius herkende hem als Cato van Utica (95-46 v.Chr.), een Romeins politicus en aanhanger van de filosofische stroming van het Stoïcisme. In De Goddelijke Komedie fungeert Cato als een strenge figuur die de zielen op de Louteringsberg controleert op hun volharding in het doen van boete.

In het tweede canto van de Louteringsberg ontmoet Dante de ziel van zijn vriend en zanger Cassela. Op verzoek van Dante zingt Casella een lied (Amor che ne la mente mi ragiona) waardoor de aanwezige zielen gefascineerd blijven luisteren. Wanneer Cato de zielen erop betrapt dat zij zich niet haasten om zich van hun zonden te zuiveren, berispt hij hen streng.


Op de miniatuur wijst Vergilius Dante op Cato. Dante kende diens geschriften en had grote bewondering voor hem vanwege diens morele integriteit en onafhankelijke opstelling. Op de miniatuur is Dante voor Cato op de knieën gevallen. Vergilius laat Cato weten dat hij niet uit zichzelf naar deze plaats is gekomen, maar Dante op zijn reis vergezelt op verzoek van een vrouw, die daartoe uit de hemel was neergedaald om de ziel van Dante te redden: Nadat ik hem de verdoemden in de Hel heb laten aanschouwen, ligt het nu in mijn bedoeling hem de zielen te laten zien die onder uw leiding worden gelouterd. Pas veel later zal blijken dat de vrouw waarnaar Vergilius verwijst Beatrice is, de grote geliefde van Dante. Beatrice Portinari (1265/1266-1290) was een Florentijnse edelvrouw. Dante zag haar voor het eerst toen zij beiden negen jaar oud waren. Hij werd op slag verliefd. Ze was echter getrouwd met een andere man en bleef voor Dante een onbereikbaar ideaal van zuiverheid en goddelijke liefde. Na haar vroege dood werd zij Dantes Muze. In De Goddelijke Komedie vergezelt Beatrice Dante bij de Lethe en de Eunoë en is zij zijn gids door het Hemelse Paradijs (Deel III van Dantes denkbeeldige reis door het hiernamaals). Van daaruit zal ze hem naar de hemel begeleiden. Hij zal echter eerst gelouterd moeten worden. Wanneer zij elkaar eindelijk ontmoeten stelt Beatrice hem echter zwaar op de proef.

 

De Louteringsberg bestaat uit zeven omgangen of terrassen, die de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen: Hoogmoed, Afgunst, Toorn, Luiheid, Gierigheid, Gulzigheid en Wellust. De hoofdzonden zijn de zeven fundamentele ondeugden. Zij vormen de uitgangspunten voor andere zonden.


Dante en Vergilius bij de ingang van de Louteringsberg, miniatuur, ca.1350–1375 in De Goddelijke komedie van de Bodleian Library, Universiteit van Oxford
Dante en Vergilius bij de ingang van de Louteringsberg, miniatuur, ca.1350–1375 in De Goddelijke komedie van de Bodleian Library, Universiteit van Oxford

Wanneer Dante en Vergilius aankomen bij de poort van de eerste van de zeven omgangen van de Louteringsberg, treffen zij een engel aan die de toegang tot de omgang bewaakt.

Links op de miniatuur in De Goddelijke Komedie van de Bodleian Library zetelt de engel voor de poort van de Louteringsberg. Dante knielt voor hem. Met de punt van zijn zwaard kerft de engel zeven lettersPin het voorhoofd van Dante. De letters staan voor peccatum: zonde. Elke P symboliseert een van de zeven hoofdzonden waarvan Dante zich moet zuiveren tijdens de tocht over de zeven omgangen van de Louteringsberg.

 

Op elke omgang van de Louteringsberg treft Dante zondaars aan die zich op aarde schuldig hebben gemaakt aan de specifieke hoofdzonde die op die omgang wordt gestraft. Steeds wanneer Dante een van de omgangen van de Louteringsberg verlaat en daarmee een zonde achter zich laat, wist de engel die de omgang bewaakt een Pvan zijn voorhoofd.

 

Zonden maken het hart zwaar

Zonden leiden tot schuldgevoel en geestelijke belasting. Nadat de engel een P op het voorhoofd heeft uitgewist ervaart Dante iets bijzonders: Hoewel ons pad steeds steiler wordt, krijg ik de indruk dat het klimmen mij steeds makkelijker afgaat. Daarom vroeg ik Vergilius: 'Wat voor een zware last is er toch van mij afgevallen, nu ik bij het verdergaan haast geen vermoeidheid meer voel?' Vergilius legt uit dat naarmate de geestelijke belasting van de zonden steeds meer uit het hoofd verdwijnt het klimmen als vanzelf makkelijker gaat. Hoe hoger hij komt en hoe meer letters P worden uitgewist hoe minder zondenlast Dante met zich mee hoeft te torsen.


 miniatuur bij Louteringsberg Canto XV, in De Goddelijke komedie van de Bodleian Library

 

Wanneer Dante en Vergilius de tweede omgang achter zich hebben gelaten verschijnt er een engel die de tweede P van Dante’s voorhoofd wegneemt. Daarna wijst de engel het tweetal de weg naar de derde omgang. Rechts vervolgen Dante en Vergilius hun weg naar de top van de Louteringsberg. 

 

Dante en Vergilius lopen langs het plaveisel, (detail van?) miniatuur bij Louteringsberg Canto XII in De Goddelijke komedie van de Bodleian Library

 

In canto XII van de Louteringsberg lopen Dante en Vergilius langs een rotsachtig pad waar reliëfs zijn uitgehouwen van beroemde personen die bekend zijn uit de Bijbel en uit klassieke verhalen. Zij worden gelouterd vanwege hun hovaardij: de hoogmoedige wordt vernederd doordat er over hen heen wordt gelopen: contrapasso. Hun loutering voor hun hovaardij is een les in nederigheid, een straf die zij lijdzaam moeten ondergaan.

 

Met enig puzzelwerk herkennen we de afgebeelde figuren op de miniatuur aan hun namen en/of aan de manier waarop ze zijn voorgesteld. Het helpt bij de herkenning dat Dante hun namen noemt. Van links naar rechts zijn het Arachne, Nimrod en Saul, drie personen die God of een van de klassieke goden of godinnen met hun hoogmoedig gedrag hebben beledigd. De tweede gestalte van links is een engel met een zwaard. Dante plaatste engelen op de Louteringsberg. Zij bewaken de omgangen waar de zielen worden gereinigd.

 

Links op de miniatuur zien we een vrouwelijke gestalte. In de rode letters herkennen we nog iets van haar naam: Arachne.

In de Metamorfosen van Ovidius is Arachne een Lydisch meisje dat zo trots was op haar vaardigheid in het spinnen en weven, dat zij in haar hoogmoed Athena uitdaagde voor een tweestrijd. De godin was buitengewoon verbolgen over het hoogmoedige gedrag van het meisje en strafte Arachne door haar te veranderen in een spin die voortdurend moest spinnen en over haar web moest lopen.

De straf van Arachne, Gustave Doré, gravure in diens geïllustreerde uitgave van De Goddelijke Komedie

 

In De Goddelijke Komedie voegt Dante haar toe: Oh dwaze Arachne, ik zag u daar triest, al half tot spin geworden met de flarden van het weefsel dat u zoveel ongeluk bracht. Ovidius vertelt inderdaad dat Athena woedend het wandkleed verscheurde dat Arachne ter gelegenheid van de wedstrijd had gemaakt.

 

Dante zag ook een reliëf met Nimrod (derde persoon van links op de miniatuur in de Bodleian Library). Deze koning van Babel liet de roemruchte Toren van Babel bouwen, met de bedoeling dat deze tot in de hemel zou reiken. Daar werd dit hoogmoedige plan voorkomen door de mensen die met de bouw belast waren allemaal een andere taal te laten spreken. Hierdoor werd onderlinge communicatie onmogelijk en moest de bouw worden stilgelegd. (Genesis 11:7-9).

Rechts op de miniatuur treffen we Saul aan, de eerste koning van Israël. Toen hij vanwege zijn hoogmoed door God in de steek werd gelaten en de Filistijnen hem gevangen dreigden te nemen, sloeg hij de hand aan zichzelf om vernederende gevangenschap te voorkomen (1 Samuël 31:4). Op de miniatuur steekt hij een zwaard in zijn lichaam.


De zonde van vraatzucht en andere vormen van onmatig gedrag

In Canto XXII tot en met XXIV van de Louteringsberg bezoeken Dante en Vergilius de zesde omgang. Daar worden de zielen gelouterd van hen die zich op aarde schuldig hebben gemaakt aan vraatzucht en andere vormen van onmatig gedrag. De zondaars in deze omgang zijn door hun straf onherkenbaar veranderd; zij zijn extreem vermagerd. Dante beschrijft hen met een mengeling van mededogen en afschuw. De sfeer is schrijnend, maar ook hoopvol en wordt gekenmerkt door een scherp contrast tussen de fysieke verschijning van de zondaars en de spirituele positieve groei die zij doormaken. Er kwam geen onvertogen woord of verwijt tot God over hun lippen.

Op de omgang worden Dante en Vergilius ingehaald door een grote groep zielen. Dante: Ze liepen als in een processie devoot en zwijgend achter ons aan en liepen sneller dan wij. Bij het passeren keken zij ons met open mond aan. Hun ogen lagen donker en diep in hun kassen, hun gezicht was lijkbleek en hun lichaam was zo uitgemergeld dan hun huid de vorm aannam van de botten eronder. Ik vroeg mij al verbaasd af wat het was dat hen zo uithongerde en wat de reden was van hun magere lichaam en hun geschilferde huid, toen plotseling een schim vanuit de donkere diepte van zijn hoofd zijn blik op mij liet vallen”. Dante herkende de uitgehongerde man niet aan zijn uiterlijk, maar aan diens stem die in tegenstelling tot zijn lichaam nog onveranderd was. Het was Forese, een vriend van Dante die vijf jaar geleden was overleden. In De Goddelijke Komedie spreekt Dante in het hiernamaals vaker met mensen die hij bij leven goed heeft gekend. Forese vertelt hem over de situatie op deze omgang. Hij maakt duidelijk dat hij en de andere zielen op deze plaats gestraft worden omdat zij zich op aarde buitensporig hebben overgegeven aan gulzig gedrag. Zij worden door honger en dorst gereinigd van hun zonden.

Er worden veel voorbeelden beschreven van zielen die zich hebben overgegeven aan hun vraat- en drankzucht. Zo wijst Forese op ‘… die daar, met dat gezicht dat meer is ingevallen dan dat van de rest behoort toe aan een paus die afkomstig was uit Tours. Hij deed zich tegoed aan palingen van Bolsena en de witte wijn waarin hij de vissen liet zwemmen. Met deze gegevens is het wel zeker dat Dante verwijst naar het verhaal over paus Martinus IV (paus van 1281-1285). Deze smulpaap was verzot op Vernaccia di San Gimignano en op paling uit het Meer van Bolsena. Volgens de overlevering liet de paus de paling in de Vernaccia zwemmen, totdat ze uitgeput en volledig doordrenkt waren van de wijn.

Miniatuur in de Bodleian Library, Dante en Vergilius zijn op de omgang van de zielen die op aarde bovenmatig gulzig zijn geweest.  

 

De bestraffing van de vraatzuchtigen is een treffend voorbeeld van contrapasso: Tijdens hun continue processieachtige rondgang over de omgang komen de zielen langs bomen vol heerlijk geurende vruchten en lopen ze langs koel, helder water dat van de berghellingen stroomt. Ze mogen er echter niet van eten of drinken. Hun slechte fysieke toestand maakt het sowieso onmogelijk om in de bomen te klimmen. Dante: “Ik zag er mensen onder staan die hun handen naar boven uitstrekten en iets onverstaanbaars in het gebladerte schreeuwden. (zie hierboven de miniatuur in de Bodleian Library). Uit het loof van een van de bomen klinken stemmen die klassieke en Bijbelse voorbeelden van matigheid roepen. Ze noemen Maria die op de bruiloft van Kana aan anderen dacht in plaats van aan zichzelf, en Daniël die wijsheid verkoos boven koninklijk voedsel. In Daniël 1:8-16 neemt Daniël zich voor zich niet te verontreinigen met het voedsel van de koning.

 

Onmatigheid

Vlak voor het verlaten van de zesde omgang komen Dante en Vergilius bij een boom die is gegroeid uit een stek van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad uit het Paradijs.

Hoewel de zielen op de Louteringsberg als loutering voor hun gulzigheid lijden aan extreme honger en dorst, verwijst Dante met de straffen op deze omgang niet uitsluitend naar overmatig eten en drinken. De zonde van onmatigheid houdt in dat men verlangens niet kan beheersen en makkelijk toegeeft aan verleidingen. Of het nu gaat om spijs en drank of een ongecontroleerde zucht naar aardse zaken zoals pracht, praal, rijkdom, macht en aanzien.

Op deze laatste omgang van de Louteringsberg verwijst Dante naar de onverzadigbare hunkering naar de verboden vrucht. Op deze plaats van de Louteringsberg worden de zielen gelouterd van wat wel de grootste menselijke zonde wordt genoemd: de onkuisheid, en de onbedwingbare lust om de zonde van Adam en Eva en hun hoogmoed tegenover God steeds opnieuw te herhalen. Keer op keer wordt het vuur van deze passie in het lichaam ontstoken. Vandaar dat de zielen op deze laatste omgang letterlijk door het vuur moeten. Ook Dante en Vergilius ontkomen er niet aan...  


Giovanni de Paolo, miniatuur in een geïllustreerde uitgave van De Goddelijke Komedie circa 1444 en 1450 British Library, Londen


In Canto XXVII van de Louteringsberg zijn Dante en Vergilius getuige van de loutering van de wellustigen.

Links op de miniatuur wijzen Dante en Vergilius elkaar op de loutering van de wellustigen. Terwijl de boosdoeners door het vuur van hun passie gaan, zijn twee stellen nog innig met elkaar verbonden. Het vuur van hun passie is blijkbaar nog niet in hen gedoofd. Ook hier treffen we weer een voorbeeld aan van contrapasso.

Rechtsonder valt op dat ook Dante en Vergilius in het vuur staan en blijkbaar ook de loutering van hún passie ondergaan. Het is uitzonderlijk dat Dante en ook Vergilius in Canto XXVII van de Louteringsberg een lichamelijke Loutering ondergaan.

 

De rivieren de Eunoë en de Lethe en

de ontmoeting met Matelda


Nicolò Barabino (1832-1891), Canto XXVIII, Dante ontmoet Matelda aan de oevers van de Lethe, ca 1876 en 1887, olieverf op doek: 32,5 x 50,3 cm,

Galleria d'Arte Moderna, Genua Italië


Links in de achtergrond staat Dante aan de oever van de Lethe. Rechts van hem zien we Vergilius en de man met de zwarte baard is de Romeinse theoloog/dichter Statius (ca. 45-96 n.Chr). Aan de overkant van de rivier staat Matelda in een schitterend wit kleed. Zij houdt bloemen in de hand en kijkt naar Dante.

Reeds vóór zijn optreden in canto XXI van de Louteringsberg had Statius zijn loutering op het terras van de hebzucht voltooid. Vanaf dat moment voegt de tot het christendom bekeerde Romeinse dichter zich bij de reis van Dante en Vergilius en begeleidt hij hen tot in het Aardse Paradijs, bovenop de Louteringsberg van de Divina Commedia.

In de Goddelijke Komedie wordt niet expliciet vermeld dat Statius ook van het water van de Lethe heeft gedronken. Hij drinkt in canto XXXIII wel samen met Dante van het water van de Eunoë.


Statius belichaamt in de Goddelijke Komedie de overgang tussen de klassieke wijsheid en het christelijke geloof, en getuigt van de reddende kracht van Vergilius poëzie. Hij bewondert Vergilius enorm en zegt zelfs dat hij zijn eigen bekering indirect te danken heeft aan het lezen van Vergilius werk.

Vergilius had Dante echter al verlaten vlak voordat hij samen met Dante het Aardse Paradijs zou betreden. Op een gegeven moment kijkt Dante achterom. Hij merkt tot zijn grote verdriet dat Vergilius, zonder afscheid te hebben genomen is verdwenen. Vergilius (70 v.Chr.-19 v.Chr.) had Dante al eerder laten weten dat hij als heiden niet was gedoopt en daarom geen toegang had tot het Hemelse Paradijs, in tegenstelling tot Statius die door Dante werd beschouwd als iemand die wél was gedoopt. Vergilius stierf vóór de komst van Christus. In zijn tijd was het dus onmogelijk om christelijk gedoopt te worden. Dante houdt de leer van de katholieke kerk van zijn tijd aan: wanneer iemand niet was gedoopt kon hij/zij ook niet toetreden tot het Hemelse Paradijs. Dante plaatst Vergilius daarom in Canto IV van de Hel in het Limbo, dat is het deel van de Hel waar deugdzame heidenen zich ophouden; het is een plaats waar de zielen geen pijn lijden.


Nadat de engel de laatste P van het voorhoofd had gewist komt Dante al vlug aan bij het woud van het Aardse Paradijs. Dante: Terwijl ik langzaam verder liep, was ik zover in het woud doorgedrongen dat ik niet meer kon zien waar ik erin was gegaan, totdat ik bij een rivier aankwam. De helderste waterstromen op aarde zouden allemaal troebel lijken als men ze zou vergelijken met het water van deze rivier. Met mijn voeten bleef ik stilstaan, maar met mijn ogen stak ik het water over. Toen zag hij een meisje dat hem deed denken aan Proserpina. In de Romeinse mythologie is zij de godin van de lente, de vruchtbaarheid én de onderwereld. Terwijl zij op de andere oever stond en in haar handen bontgekleurde bloemen schikte, lachte ze naar Dante. (zie schilderij van Nicolò Barabino). Het meisje zal Dante vergezellen in het stroomgebied van de Lethe en de Eunoë. Later maakt het ietwat mysterieuze meisje zich bekend als Matelda. Zij legt uit dat deze plek het Aardse Paradijs is, de Hof van Eden, de oorspronkelijke woonplaats van de mens. Matelda vertelt Dante over de twee rivieren: Deze rivier vindt haar oorsprong in een bron die eeuwig blijft vloeien. Aan deze kant ontspringt aan de bron de rivier van de vergetelheid. En zoals de rivier aan deze kant de Lethe heet, zo heet die aan de andere kant de Eunoë.

 

De Lethe

De Lethe is al in de klassieke mythologie de naam van een van de vijf rivieren van de onderwereld. Zo vertelt Vergilius in De Aeneis dat Aeneas in de onderwereld is om zijn vader Anchises te ontmoeten. Daar ziet hij een enorme menigte zielen die van het water van de Lethe drinkt.

In de klassieke mythologie is de Lethe een rivier in de onderwereld waaruit de zielen van overledenen dronken om kwalijke en vervelende dingen te vergeten. Na van het water te hebben gedronken, hebben de zielen geen herinnering meer aan hun lijden op aarde en ook alle herinneringen aan verdriet, ruzie, ontberingen zijn uit het geheugen gewist. De naam van rivier is afgeleid van het Grieks: Λήθη, dat vergetelheid betekent.


De rivier is dus niet door Dante bedacht. Hij verplaatste de rivier wel van de onderwereld naar de top van de Louteringsberg en hij gaf er een meer christelijke betekenis aan.

Hoewel Dante al zijn zonden heeft opgebiecht en oprecht berouw betoont én zich heeft voorgenomen zich op aarde te beteren, draagt hij nog steeds de last van de herinnering eraan met zich mee. Daarom moet hij allereerst drinken van het water van de Lehte. Daarna zal er in de christelijke gedachte van Dante geen herinnering meer zijn aan nare dingen die op aarde hebben plaatsgevonden. Alle herinneringen aan begane zonden en aan bijvoorbeeld echtelijke ruzies, lijden en ontberingen en kwalijke dingen die mensen elkaar hebben aangedaan, zullen door het drinken van het water opgaan in vergetelheid. In De Goddelijke Komedie worden de mensen na het drinken van het water herboren in een staat van onwetende onschuld.

 

De Eunoë

De rivier aan de andere kant, de Eunoë is bedacht door Dante. Onderdompeling in het water zorgt ervoor dat zielen zich hun goede daden, de momenten van geluk en de tijden waarin zij deugdzaam leefden herinneren. Op Louteringsberg vervult de Eunoë een specifieke rol naast de Lethe. Waar de Lethe de herinnering aan kwalijke dingen uitwist, herstelt de Eunoë juist de herinnering aan alle goede daden en de prettige herinneringen aan het leven op aarde.

Redelijk letterlijk kan de naam van de rivier verklaard worden als goed denken’, ‘positief denkenzouden we tegenwoordig zeggen. Het drinken van de Eunoë is de laatste stap in de loutering voordat een ziel het Hemelse Paradijs mag binnengaan. Pas na het drinken uit de Eunoë is de ziel gereinigd en klaar om op te stijgen naar God.

 

De grote processie en de verschijning van Beatrice

Matelda volgt de rivier stroomopwaarts; Dante loopt op de andere oever met haar mee. Plotseling wordt het woud door een "bekoorlijke glans verlicht en klinken er prachtige melodieën".

Hoewel Dante zich niet in staat acht de schoonheid van die processie te beschrijven put hij zich uit om zoveel mogelijk mensen en gebeurtenissen te duiden. Voorafgegaan door zeven kandelaars ziet hij een processie aan zich voorbijtrekken die de geschiedenis van de kerk met haar belangrijkste momenten verbeeldt. Op een gegeven moment blijft de processie stilstaan. In een wolk, van door engelen gestrooide bloemen verschijnt voor Dante het symbool van goddelijke wijsheid op een praalwagen. Het is Beatrice zijn grote geliefde en muze. Matelda begeleidt Dante en Beatrice tot aan het einde van de Louteringsberg. Zover is het echter nog lang niet!

Bij hun ontmoeting kwam de liefde en de vreugde van het weerzien uitsluitend van de kant van Dante: En ofschoon het al lang geleden is dat mijn geest alleen al om haar aanwezigheid beefde van ontroering voelde ik door de verborgen kracht die er van haar uitging weer de grote macht van de oude liefde. Beatrice berispte hem echter streng om zijn dwalingen en zonden.

Zij verwijt hem verraad en moreel verval. Na haar dood is hij het verkeerde pad ingeslagen en heeft hij zich laten leiden door valse bekoringen. Hij heeft, zo maakt Beatrice hem duidelijk, zich laten misleiden door tijdelijke en vergankelijke genoegens. Bovendien heeft hij zich losgemaakt van zijn liefde voor haar en die aan andere vrouwen geschonken. Beatrice vraagt hem om te bekennen dat haar beschuldigingen juist zijn: Antwoord mij, nu uw trieste herinneringen nog niet door het water van de Lethe zijn uitgewist. Dante kon slechts een zacht en nederig ‘jaover de lippen krijgen.

 

De strenge aanpak van Beatrice was bedoeld om Dante tot het berouw te dwingen dat overeenstemt met de zwaarte van zijn zonden. Pas daarna zou zij hem begeleiden door het laatste deel van het Aardse Paradijs en daarna door het Hemelse Paradijs. Daar bleef Beatrice zijn gids totdat Bernardus van Clairvaux (1090-1153) haar plaats zou innemen in het allerhoogste deel van het Hemelse Paradijs. Daar bereidde Bernardus Dante voor op het aanschouwen van God.

 

Dante schrikt op uit zijn gedachten over de woorden van Beatrice. Hij hoort geroep: Houd mij vast!, Houd mij vast! Het was Matelda die hem tot aan zijn keel in de Lethe had ondergedompeld en hem voorttrok door het water van de rivier.

Dante en Matelda in de Lethe, Gustave Doré, gravure in diens geïllustreerde uitgave van De Goddelijke Komedie. Op de voorstelling kan Dante nog net een deel van zijn hoofd boven water houden. Op deze manier kan hij adem halen én van het water uit de rivier drinken.

 

Miniatuur in de Bodleian Library, Dante wordt ondergedompeld door Matelda.

 

Links op de miniatuur zien we hoe Dante door Matelda wordt meegevoerd in de stroming van de Lehte. Eenmaal aan de rechteroever aangekomen, wordt hij opgevangen door Matelda en een gezelschap van vier vrouwen. Zij belichamen de vier kardinale deugden: Verstandigheid (Prudentia), Rechtvaardigheid (Iustitia), Moed (Fortitudo) en Gematigdheid (Temperantia).

 

Miniatuur in de Bodleian Library, Louteringsberg, Canto XXXIII. Van links naar rechts: links staat Statius zonder kleren, klaar voor zijn onderdompeling in de Eunoë. Dante wordt door Matelda (in paars gewaad) bij de hand meegenomen naar Beatrice (in het rood en met een lauwerkrans). Rechts van het midden loopt Statius door de rivier. Na diens onderdompeling volgt hij Dante naar de oever. Helemaal rechts komt Dante uit de rivier en knielt voor Matelda en Beatrice.

Binnen de context van De Goddelijke komedie benadrukt de lauwerkrans van Beatrice haar status als hoogste vorm van wijsheid die de menselijke rede overstijgt.


 Miniatuur bij Canto XXXIII van de Louteringsberg, in de Bodleian Library

 

Op de miniatuur volgen Statius en Matelda Beatrice, die Dante wijst op de zeven vrouwen die in het midden bij de twee rivieren staan. Rechts zitten dezelfde vrouwen in dezelfde kleding bij de rivieren.

 

Drie vrouwen hebben zich bij de vier kardinale deugden aangesloten. Zij vertegenwoordigen de theologische of goddelijke deugden: Geloof (Fides), Hoop (Spes) en Liefde (Caritas). Samen met de vier kardinale deugden vormen zij de traditionele zeven deugden die Dante, ook wanneer hij is teruggekomen op aarde, geestelijk begeleiden op de weg van geestelijke reinheid.

 

Met enige moeite kunt u de namen van de verschillende deugden in rode letters in het Latijn lezen, vlak boven de hoofden van de vrouwen in het midden. De namen van de deugden beginnen boven het hoofd van de vrouw helemaal links in de groep van zeven vrouwen. Daar lezen we Temp' van Temperentia en vervolgens lezen we de namen van de zes andere deugden.

 

Op de vier miniaturen in de Bodleian Labrary wordt de volgorde van de gebeurtenissen enigszins verwarrend weergegeven. De chronologie van de tekst van De Goddelijke Komedie loopt op verschillende miniaturen enigszins door elkaar. Daarom is het overzicht wat verwarrend. Het lijkt erop dat de miniaturist de chronologie van het verhaal niet helemaal duidelijk voor ogen stond... het zou ook kunnen zijn dat het mij ondertussen een beetje duizelt!

De juiste volgorde in de tekst gaat, naar mijn gevoel, als volgt: Op het einde van Dante’s beschrijving van de gebeurtenissen op de Louteringsberg brengt Matelda hem naar het punt waar de Lethe en de Eunoë ontspringen. Daar treft hij de drie goddelijke deugden van Geloof, Hoop en Liefde aan. Bij de groep sluiten zich nog vier andere vrouwen aan die de kardinale deugden vertegenwoordigen. De zeven vrouwen leiden Dante naar Beatrice. Voordat zij Dante naar het Hemelse Paradijs leidt heeft zij nog wat vragen aan Dante. Op een van de vragen antwoordt Dante: “Ik herinner mij niet dat ik mij ooit van u heb vervreemd. (Canto XXXIII). De onderdompeling in de Lethe heeft blijkbaar de gewenste uitwerking gehad: Dante herinnert zich zijn zonden niet meer!

Als Dante vervolgens van het water van de Eunoë heeft gedronken voelt hij zich herboren en klaar om op te stijgen naar het Hemelse Paradijs. Beatrice zal hem daar naartoe begeleiden en hij zal uiteindelijk in het derde en laatste hoofdstuk van De Goddelijke Komedie opstijgen tot het lichtende middelpunt dat met Gods geest samenvalt.

 

Nawoord over de rivieren de ‘Leegte’ en de Eunoë: een persoonlijk verhaal

In het begin van dit artikel schreef ik dat ik een persoonlijke binding koester met de Lethe. Welnu, ik ben er klaar voor. Het is alweer weer een aantal jaren geleden dat mijn moeder is overleden. In de laatste maanden van haar leven vond zij het leuk dat ik haar verhalen vertelde die ik tijdens mijn lezingen had behandeld. Op een gegeven moment vertelde ik haar ook het verhaal over de Lethe en de Eunoë.

Om het voor haar niet te ingewikkeld te maken, werd het uiteindelijk een samenhangend verhaal over de Lehte waarin ik ook het verhaal over de Eunoë verwerkte. Mijn moeder kon in die tijd niet goed meer horen en herhaalde de naam van de rivier voortdurend als ‘Leegte’. Omdat haar verbastering goed aangaf waar het bij de rivier wezenlijk om gaat, heb ik háár naam voor de rivier bij de afscheidsrede gebruikt.

Ik volsta in dit artikel met een deel van de tekst die ik uitsprak tijdens de afscheidsbijeenkomst: dat was het verhaal over de Lethe dat zij zó hoopvol vond, dat ze het steeds weer opnieuw wilde horen:


"....Daarom wil ik graag afsluiten door het verhaal nog één keer aan jou te vertellen, en nu ook aan iedereen die hier bij jouw afscheid aanwezig is.

Ma en ik hebben de afgelopen vaak gesproken over een verhaal uit de Goddelijke Komedie van Dante en dit gekoppeld aan hele gesprekken over het leven na de dood.

De schrijver neemt de lezer mee op een door hem verzonnen reis door het hiernamaals. Op zoek naar het rechte pad komt hij in een spelonk die steeds verder de diepte ingaat. Hij komt terecht in de hel, waar de mensen eeuwig worden gestraft. Daarna loopt hij over de Louteringsberg. Daar worden de mensen ook gestraft, maar die straf duurt niet eeuwig. Voordat hij de hemel bereikt komt Dante bij de rivier de Lethe, Leegteriep Ma, waarop ik zei: "nee Ma, Lethe", dat is in de klassieke mythologie de rivier van de Vergetelheid, Leegte dus! riep Ma eigenwijs.

Bij de oever van de Leegte dus aangekomen, wordt hij nog eenmaal geconfronteerd met al zijn zonden en verkeerde beslissingen, alsook met de ellende en het verdriet dat hij daarmee zijn medemensen heeft aangedaan.

Het staat hem nu heel helder voor ogen wat zijn hebzucht voor zijn slachtoffers heeft betekend en tot welke razernij de mensen werden gedreven door zijn hoogmoed. Hij beseft nu wat zijn kwaadspreken en valse beschuldigingen werkelijk hebben veroorzaakt, en ook welke impact zijn overspel had op zijn vrouw.

Nu Dante zijn zonden werkelijk begrijpt en zich echt schuldig voelt, wordt hij overspoelt door hevige gevoelens van oprecht berouw. Bovendien ondergaat hij mentaal precies dezelfde pijn en psychische ellende als zijn slachtoffers op aarde hebben gevoeld. Mentaal maakt hij een intense periode door van gewetenswroeging waarbij hij wordt gekweld door knagende emotionele pijn en zelfbeschuldiging.

Wanneer hij deze loutering heeft ondergaan kan hij worden ondergedompeld in het water van de Leegte. Dit water heeft de kracht om al het slechte en het kwade te laten vergeten, evenals het leed dat men zijn naasten heeft aangedaan; een hoopvolle gedachte: verlost van alle herinneringen aan het kwaad, terwijl juist de herinnering aan alle goede daden en de prettige herinneringen van het leven op aarde overblijven en dus ook Ma aan de lol die wij samen hebben gehad.

Na de onderdompeling kan de ziel worden verenigd met zijn oorspronkelijke scheppingsharmonie, met het grootse licht dat God is en waar men vandaan is gekomen.

De laatste maanden moest ik het verhaal dus keer op keer vertellen, Ma kon er geen genoeg van krijgen. En de Leegte?; een beter en mooier misverstand valt in dit verband niet te bedenken!

En, lieve Ma, als je dan toch in de hemel bent aangekomen, dan kom je daar Pa vast wel ergens tegen. Hij heeft natuurlijk dezelfde reis gemaakt en is dus ook door het water van de Leegte gegaan. Alle misverstanden zijn gladgestreken en de fouten van jullie beiden zijn allemaal vergeten. Jullie kennen ze niet eens meer. Jullie kunnen in die goddelijke omgeving een ideaal stel vormen tot in de eeuwigheid, want de tijd bestaat dan ook niet meer wanneer het 'einde der tijden' is aangebroken, en laat Pa dan even weten dat het hier goed met ons gaat. Ik wens je een voorspoedige reis lieve Ma en wat was het ontzettend fijn dat jíj mijn moeder was.


Gebruikte literatuur

Voor de vertalingen van de geciteerde teksten heb ik gebruik gemaakt van de boeken in de onderstaande lijst. In die boeken is vaak ook een uitleg opgenomen van de teksten. 

  • Dante Alighieri, De Goddelijke Komedie, vertaald, ingeleid en toegelicht door Frans van Dooren, Amsterdam 1998 

  • Dante Alighieri: De Goddelijke Komedie met alle prenten van Gustave Doré vertaald door Ike Cialona en Peter Verstegen, Amsterdam, 2000, Deel 1 

  • Dante Alighieri: De Goddelijke Komedie, Italiaanse tekst, commentaar door Ike Cialona en Peter Verstegen, Amsterdam, 2000, Deel 2, Italiaanse tekst 

  • Dante Alighieri: De Goddelijke Komedie, vertaald door Ike Cialona en Peter Verstegen, Amsterdam, 2004.

 

 

 

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page