top of page
  • Foto van schrijverPaul Bröker

Asklepios, Asclepius, Jezus Christus en de slang

Over het overleven van een heidense geneesheer in de christelijke cultuur, deel I: Asklepios en de slang


Byzantijnse reliëfs met Asklepios en Hygieia, ivoren tweeluikje (?):

313 x 430 x 7 mm, ca. 400-430 n. Chr.,

National Museums Liverpool, World Museum

 

Mijn vader was KNO-arts in Roosendaal. Hij liet al vroeg weten dat mijn broers, zusje en ook ik medicijnen moesten gaan studeren.

Mijn vader hield van kunst en kon zelf aardig schilderen. Hij vertelde af en toe over zaken die de beeldende kunst betreffen. Naarmate wij wat ouder werden nam dat serieuzere proporties aan. In huis was namelijk een boek van mijn moeder die op de MMS had gezeten. De Middelbare Meisjesschool was de enige middelbare schoolopleiding die in die tijd enige aandacht aan kunstgeschiedenis besteedde. Dat boek werd door mijn vader gebruikt om ons over kunst en kunstgeschiedenis te vertellen. Om kort te gaan: al vlug bleek dat ik de enige van zijn kinderen was die er werkelijk belangstelling voor had. Niet veel later was ik zijn enige leerling! … enfin: later heb ik gemerkt dat je als goed bedoelende opvoeder wel vaker teleurgesteld wordt in de eigen kinderen.

Bij mij nam de belangstelling voor de kunsten zo toe dat ik na mijn middelbare schooltijd te kennen gaf kunstgeschiedenis te willen gaan studeren. Mijn vader was blij met mijn grote enthousiasme, maar ik moest het niet te bont maken, dit was nooit zijn bedoeling geweest: ik moest medicijnen gaan studeren! Als kunsthistoricus zou ik nooit een behoorlijke maatschappelijke positie kunnen verwerven. Ook naarmate de dag van mijn afstuderen dichterbij kwam stak hij zijn bezorgdheid over mijn toekomst niet onder stoelen of banken. Na een aantal jaren begon ik schoorvoetend artikelen te schrijven die ik met wisselend succes aanbood aan tijdschriften die ook over kunsthistorische zaken schreven. Om mijn vader te laten zien dat hij zich niet al te veel zorgen om mij hoefde te maken en dat ik best wel lekker bezig was publiceerde ik ook in tijdschriften waarop mijn vader en moeder geabonneerd waren. Zonder de artikelen van te voren aan te kondigen lazen zij natuurlijk mijn schrijfsels en ook mijn vader liet merken enthousiast te zijn. Het artikel van vandaag op deze blog was een van die artikelen ... en het ging ook nog eens over zaken die het vakgebied van mijn vader betroffen. Al vlug kocht hij een aantal tijdschriften om die aan vrienden en collega’s uit te delen. Het leek wel of hij trots op mij was: mijn zoon heeft een artikel geschreven in Geschiedenis van de Geneeskunst … tja je moet wat doen om je vader trots op je te laten zijn! In een appje zou ik achter de laatste zin een smiley plaatsten!

 

Het artikel van vandaag is een uitgebreide bewerking van het artikel dat ik in 1999 schreef voor het tijdschrift Geschiedenis der Geneeskunst. (zie gebruikte literatuur). Door de bewerking is het stuk aanmerkelijk langer geworden. Ik moet nog zien of het vervolg over twee of drie artikelen verdeeld moet worden.

 

Inleiding

De grondslag voor de christelijke leer is vrij eenvoudig: door de zondeval en de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs, kwamen de eerste mensen in het aardse tranendal terecht. Vanuit een ideale woonomgeving werden zij en hun nakomelingen geconfronteerd met alle denkbare aardse ellende: de mensen moesten werken in het zweet van hun aanschijn, zij werden bevattelijk voor ziektes en de dood kwam over de mensheid. Door de komst van de Zoon van God op aarde, door zijn voorbeeld, lijden en kruisdood heeft hij de weg naar de opstanding uit de dood en een eeuwig leven mogelijk gemaakt en kunnen wij ons weer verenigen met onze oorspronkelijke scheppingsharmonie.

In de vroege christelijke theologie wordt duidelijk dat het christendom als een genezingsleer werd opgevat. In het tweede artikel van deze reeks zullen we zien dat de kerkvaders Christus als het enige medicijn voor een eeuwig leven beschouwden. In tegenstelling tot zijn aardse collega’s kan hij de mensen uit de dood opwekken en eeuwig leven in het vooruitzicht stellen. In de eerste-tweede eeuw schreef Ignatius van Antiochië (Syrië: 35-50 – Rome: 110-117: "Er is één geneesheer, Jezus Christus onze Heer". Ook de grote kerkvader Augustinus laat zich in bewaard gebleven preken in soortgelijke bewoordingen uit. Zo gebruikte hij geregeld de term ’Christus-Medicus’.

 

Vandaag staat de Griekse god van de geneeskunst Asklepios centraal. We zullen in het tweede artikel zien dat Christus als genezer heel wat aspecten van de klassieke arts Asklepios heeft overgenomen ... een heidense heilgod die overleeft in de Christelijke cultuur! 


Asklepios, het mythologische verhaal

De Griekse god van de geneeskunst Asklepios wordt bij Homerus (ca. 800 - ca. 750 v. Chr.) weliswaar als een kundig arts, maar als een gewone sterveling beschreven. Hij bezat nog geen goddelijke waardigheid. Vanaf de 5de eeuw voor Christus werd hij vereerd als de onsterfelijke god van de geneeskunst.


 Giovanni Battista Foggini (1652–1725), Apollo doodt Coronis, pentekening in bruine inkt, penseel en bruine wassing, over zwart krijt, 265 x 346 mm.,

The Metropolitan Museum of Art. New York

 

Uit de Griekse mythologie vernemen we dat Asklepios de zoon was van Coronis, de dochter van de Thessalische koning Phlegyas en de god Apollo. De god had de beeldschone prinses verleid en verwekte een kind bij haar. Hij ontstak in grote woede toen bleek dat zij ook een verhouding had met een sterfelijke minnaar. Een witte raaf had Apollo bericht over het overspel van zijn geliefde. Hij is woedend en schiet haar dood.

 

 Hendrick Goltzius, Apollo doodt Coronis, gravure op papier: 178 x 255 mm., 1590, Rijksmuseum

 

 Detail prent Hendrick Goltzius

 

In het midden is de crematie van Coronis afgebeeld, haar lichaam ligt in het vuur ligg. Links van de boog vliegt de raaf, de oorzaak van deze ellende.

 

Apollo had het bericht over de ontrouw van Coronis van een raaf vernomen. Die raaf had in de beschrijving van Ovidius …  sneeuwwitte veren, maar om zijn roddelzieke tong werd hij door Apollo gestraft; zijn fraaie witte vleugels vielen uit en het dier kreeg er zwarte voor in de plaats. Sindsdien zijn alle raven zwart, alleen die spreekwoordelijke witte raaf verschijnt nog wel eens met de oorspronkelijke witte veren!

 

Net voor haar dood had de stervende Coronis Apollo gewezen op haar zwangerschap: “Had mij toch pas gestraft na de geboorte van ons kind! Nu moeten wij beiden sterven.” Achteraf diep bedroefd om het lot dat zijn geliefde had getroffen, kon Apollo het niet verdragen … dat ook zijn zaad tot as zou verbranden. Het lichaam van Coronis werd uit het vuur gehaald. Rechts op de achtergrond is te zien hoe Apollo zijn nog levende zoon uit de buik van Coronis bevrijdt.

 

Detail prent Hendrick Goltzius, Apollo brengt zijn zoon ter wereld door hem uit het verkoolde lichaam van zijn moeder te bevrijden.


Nadat Apollo zijn nog levende zoon uit de moederschoot had gehaald gaf hij hem de naam Asklepios. Daarna bracht Apollo zijn zoon naar de grot van de centaur Cheiron. Bij deze vriendelijke en goede leermeester, die ook Achilles en Actaeon had onderwezen, werd Asklepios onderricht in de geneeskunst.


Willem van Mieris, Ocyrhoë voorspelt het lot van Asklepios, gravure op papier: 167x 215 mm., Rijksmuseum, Amsterdam

 

Cheiron draagt de pasgeboren Asklepios in zijn handen en laat hem aan zijn dochter zien, de profetes Ocyrhoë. Ovidius vertelt over haar: Zij las de raadselen der toekomst en toen zij als profetes in trance was geraakt, bezeten door de godheid die zij in haar hart liet wonen, sprak zij, de blik gericht op het kind: “Jongen, groei maar op tot de redder van de hele wereld. Mensen zullen steeds weer hun leven danken aan jouw kracht. Je krijgt de macht hun zielen te doen herleven, maar zodra je deze toepast, beledig je de goden en het vuur van Jupiter [Zeus] zal het beletten."

Apollo, de god van de kunsten had ook de geneeskunst in zijn pakket. Het bleek al vlug dat Asklepios de goddelijke gave van het genezen van mensen van zijn vader te hebben geërfd. Hij was zelfs in staat mensen uit de dood op te wekken. Zo wordt er verteld dat Asklepios zich met de dode Glaukos in een vertrek had teruggetrokken. Toen hij erover aan het denken was of hij als arts nog iets voor de overledene kon betekenen, kroop er plotseling een slang langs zijn staf omhoog. Geschrokken sloeg Asklepios het beest met een ferme klap dood. Op datzelfde moment verscheen er een slang met een kruid in zijn bek. Het dier kroop naar zijn soortgenoot en wekte met behulp van het kruid de dode slang tot leven. Asklepios besloot het kruid nu ook te gebruiken om Glaukos van de dood te redden. Ondanks felle protesten van Hades, de god van de onderwereld werd Glaukos uit het dodenrijk verlost.

 

Natuurlijk werd Asklepios op aarde een gevierde persoonlijkheid. Maar op de Olympus werden zijn verrichtingen met argusogen gade geslagen. Toen de goden vernamen over de verrichtingen van Asklepios bekroop hen het onheilspellende gevoel dat de goddelijke orde op aarde door de genezingen en opwekkingen van Asklepios zou kunnen worden verstoord. De mensen zouden door toedoen van Asklepios wel eens onsterfelijk kunnen worden. Zo was Hades bevreesd dat het in de toekomst wel eens afgelopen zou kunnen zijn met de toeloop tot zijn dodenrijk. Asklepios werd bij de oppergod Zeus aangeklaagd. De beschuldiging luidde dat hij door zijn toedoen de wereldorde in gevaar bracht. Onsterfelijkheid was immers een van de belangrijkste aspecten waarin de goden zich van mensen onderscheiden. Zeus, immer waakzaam voor het gevaar dat de mensen de goden naar de kroon zouden steken, kon het gedrag van Asklepios daarom niet tolereren. Met het opwekken van doden had Asklepios zich ook nog eens op het terrein van een belangrijk privilege van de oppergod gewaagd. Alleen hij kon er in uitzonderlijke gevallen over beslissen of iemand het rijk van Hades mocht verlaten. Woedend slingerde Zeus een bliksemschicht uit de hemel die Asklepios dodelijk in de borst trof. Hiermee was de voorspelling van Ocyrhoë uitgekomen.

 

Apollo was ontroostbaar om de dood van zijn zoon maar kon niets tegen de oppergod beginnen. Het enige dat hij als eerbetoon voor Asklepios kon ondernemen, was hem als het sterrenbeeld Ophiuchos, Slangendrager, aan de hemel te plaatsen.


het sterrenbeeld Ophiuchos / Serpentarius: Slangendrager,

geen nadere gegevens over de prent bekend

 

Zoals zo vaak het geval is bij sterrenbeelden moet ik wel erg een beroep doen op mijn fantasie om zonder tekening, dus alleen met behulp van de sterren, in dit geval een man met een slang te herkennen.

 

Als sterrenbeeld is Asklepios vereeuwigd en heeft hij de status van onsterfelijke godheid gekregen. Hij houdt de aan hem gewijde slang in de handen. 

Standbeeld van Asklepios, marmer: ca. 230 cm., gevonden in Asklepieion van Asklepios in Epidaurus, Romeinse kopie, ca.160 n. Chr. naar een Grieks origineel, 4de eeuw v. Chr, Nationaal Archeologisch Museum, Athene.


In de Griekse beeldhouwkunst komt Asklepios naar voren als een wat oudere bebaarde, maar krachtige figuur. Hij is herkenbaar aan een staf waarlangs een slang omhoog kronkelt. Hij gaat vrijwel altijd gekleed in de typisch oud-Griekse mantel, het zogenoemde himation.


  Farnese Asklepios, Romeins beeld naar Grieks origineel, marmer,

hoogte 232 cm., 2de eeuw n. Chr., Musei Vaticani, Vaticaanstad


In de Romeinse kunst wordt Asklepios vaak met een jeugdig voorkomen en zonder baard voorgesteld. Het lijkt mij daarom goed mogelijk dat het beeld weliswaar een kopie is naar een Grieks beeld, maar dat men de baard niet heeft overgenomen.


Grieks reliëf met Asklepios en Hygieia, marmer ca. 450 v. Chr., gevonden in de thermen van Constantinopel, Archeologisch Museum van Istanbul

 

In het gezelschap van Asklepios treffen we geregeld zijn dochter Hygieia aan. Zij is de godin van de hygiëne en gezondheid. Op het Griekse reliëf richten zich

aan de voeten van vader en dochter enkele slangen op. Een van de slangen is naar boven gekropen en richt zich op de schaal die Hygieia hem voorhoudt.


 Hygieia, Romeins marmeren reliëf, 1ste eeuw n. Chr.,

Mansell Collection, Londen


Ook op dit reliëf houdt Hygieia een schaal voor de bek van de slang om gif af te tappen. Wanneer de slang zich in de rand heeft vastgebeten, vloeit het gif in de schaal. Er kunnen geneesmiddelen van worden gemaakt. Er wordt ook geschreven dat Hygieia de slang een schaal met voedsel voorhoudt. Ook op het Byzantijnse reliëf (zie bovenaan in dit artikel) lijkt Hygieia haar slang iets te eten aanbiedt.

Aan de tak van de boom hangt een door een slang afgeworpen huid: een symbool van verjonging en nieuw leven.


Byzantijns medicijnkistje, ivoor: 75 x 60 x 25 mm., 6de eeuw, Dumbarton Oaks Research Library and Collection, Washington, DC


Op dehet schuifdeksel van het medicijnkistje zit Hygieia op een voorname stoel. Over haar schoot kruipt een slang die zich rechts opricht.

Hygieia, Romeins beeld naar een Grieks origineel, marmer: hoogte: 193 cm., ca. 150 n. Chr., Louvre, Parijs


Detail Romeins beeld van Hygieia, Louvre, Parijs


 


De voorstelling van een slang die langs een staf omhoog kronkelt is tot op heden een prominent symbool van de geneeskunst en dokters.

De attributen van Hygieia, schaal/beker en slang, vormen het symbool van apothekers.

 

Het Asklepieion, het Asklepios-heiligdom

Theater van Epidaurus, onderdeel van het tempelcomplex van de stad

 

De Griekse stad Epidaurus was het centrum van de verering van Asklepios; men ging er indertijd zelfs vanuit dat hij op deze plaats praktijk had gehouden. Hier vonden de wondergenezingen plaats, waarover wordt geschreven op de vele opgegraven votiefstenen uit de vierde en vijfde eeuw voor Christus. De stenen werden door dankbare patiënten in en rondom het heiligdom van Asklepios geplaatst.

De genezingsinscripties op de stenen vermelden onder andere vaak de naam van de patiënt en soms ook de aard van de kwaal. In zijn Ἑλλάδος περιήγησις, Rondleiding door Griekenland (ca. 150 n. Chr.), een soort reisgids door de Peloponnesos en een deel van noord Griekenland, beschrijft de Grieks Romeinse reiziger/historicus Pausanias (ca. 110 – ca. 180 n. Chr.) maar liefst 66 genezingen door Asklepios zoals die op de door hem in Epidaurus en andere plaatsen aangetroffen votiefstenen werden beschreven. Zo wordt melding gemaakt van de genezing van een doofstom meisje en de voorspoedige verlossing van een vrouw die al vijf jaar zwanger was. 

 

De reliëfs werden ook vervaardigd ten behoeve van patiënten die niet in staat waren persoonlijk naar een heiligdom van Asklepios te komen. Men wilde met het reliëf de god opmerkzaam te maken op de zieke en de aard van de ziekte en hoopte dat hij genegen was de patiënt te genezen. Zo schrijft Pausanias over een uit Lacedaemonië afkomstige moeder. Haar dochter Areta leed waarschijnlijk aan waterzucht en was vermoedelijk niet in staat zelf naar Epidaurus te komen. Daarom ging de moeder in haar plaats. Zij sliep in de tempel van Asklepios en droomde hoe door een persoonlijke ingreep van de heilgod haar dochter werd genezen. Thuisgekomen trof zij haar dochter aan in goede gezondheid.

In een dergelijk geval kon de patiënt na genezing naar de tempel van Asklepios gaan en uit dankbaarheid een votiefsteen aan de tempel schenken.  

 

Votiefgift met inscriptie: Tyche geeft dit uit dankbaarheid aan Asklepios en Hygieia, ca. 100–200 n. Chr. British Museum, Londen

 

Voordat wij schamper lachen om zoveel goedgelovigheid en/of volksverlakkerij, is het misschien goed om te wijzen op een gebruik dat nog niet eens zo lang is geleden en dat sommigen van u zich wellicht nog levendig kunnen herinneren als gebruik binnen het katholieke volksgeloof in Brabant en Limburg. Het gaat om metalen plaatjes met een voorstelling van het lichaamsdeel waaraan de patiënt problemen ondervond.

 

 Vitrinekast met ex voto’s in het Museum voor Heem- en Oudheidkunde, Kontich (Antwerpen)

Als u goed kijkt ontdekt u in de vitrinekast vier ex voto’s met een voorstelling van een been. Uit dankbaarheid voor genezing konden deze zogenaamde ex voto's aan Maria of andere heiligen worden geschonken. 

Ook boeren met een ziek rund of paard konden blijkbaar met goed gevolg een beroep doen op hemelse bijstand.

      











links: votiefreliëf afkomstig uit een heiligdom van de geneesheer Amynos,  marmer 4de eeuw v. Chr., Nationaal Archeologisch Museum, Athene

Ter vergelijking: rechts een voorstelling van een zilveren ex voto met een been uit ca. 1950-’65.

 

Nu lijkt de ene voorstelling van een been natuurlijk wel erg veel op een willekeurige andere voorstelling van een been. Toch lijkt de manier van voorstellen wel erg veel op elkaar.

De klassieke votiefstenen konden dus ook worden vervaardigd ten behoeve van patiënten die niet in staat waren persoonlijk naar het heiligdom van Asklepios te komen. Men hoopte met het reliëf de god opmerkzaam te maken op de zieke in de hoop dat hij genegen zou zijn de patiënt te genezen.

Pausanias zal soortgelijke reliëfs hebben aangetroffen als het votiefreliëf afkomstig uit het heiligdom van de geneesheer Amynos. De inscriptie boven de voorstelling maakt er melding van dat het reliëf is geschonken door Lysimachides, de zoon van Lysimachos uit Acharnai. We zien dat Lysimachides met een groot menselijk been komt aanzetten. Waarschijnlijk wilde hij Amynos opmerkzaam maken op de ziekte van zijn vader. Op het been is een opvallende ader te zien. Wellicht leed zijn vader aan spataderen en was hij daarom niet zelf in staat om naar de tempel te komen.

 

De medische behandeling

Door de verhalen over de wonderbaarlijke genezingen verspreidde de Asklepios-cultus zich natuurlijk in een rap tempo over de Griekse wereld. In een uiterste poging hun ziekte het hoofd te bieden trokken veel zieken naar het Asklepieion in Epidaurus. Bij aankomst werden de patiënten gezuiverd met heilig tempelwater. Men verwachtte hiervan waarschijnlijk al een heilzame werking.

 Na de rituele zuivering brachten de genezing zoekenden plengoffers aan de goden. Na het verrichten van de ceremoniën begaven de patiënten zich naar het incubatieheiligdom. In deze gewijde slaapruimte werden zij door priesters in slaap gebracht.

 

Votiefreliëf met een slang, incarnatie van Asklepios, gevonden in Piraeus,

4de eeuw v. Chr. Nationaal Archeologisch Museum, Athene


In de zalen van het incubatieheiligdom hielden zich heilige slangen op. Gedurende de incubatie (tempelslaap) kropen de dieren naar de slapende patiënten. Zij werden beschouwd als manifestatie of incarnatie van Asklepios. Eenmaal in slaap vertrouwde men op de komst van de heilgod die het wonder van de genezing zou voltrekken. Asklepios kon ook in de vorm van een droom aan de patiënt verschijnen en een behandeling voorschrijven. De volgende dag werd de droom door priesters uitgelegd en er kon een behandelplan worden opgesteld. Uit de overgeleverde Oud-Egyptische teksten, de Oud-Griekse en Romeinse beschaving alsook uit het Oude Testament kunnen we opmaken dat men in de oudheid grote waarde hechtte aan de uitleg van dromen.


Men vertrouwde dus op de komst van Asklepios die het wonder van de genezing zou voltrekken. Ovidius beschrijft dat Asklepios inderdaad de gedaante van een slang kan aannemen. Asklepios: “Zet uw vrees opzij , maar let vooral op deze slang die om mijn scepter kronkelt. Bekijk hem heel precies, zodat u hem kunt herkennen. In die gedaante zal ik mij veranderen.”

Het lijkt aannemelijk dat genezing na het bad en de tempelslaap veelal het gevolg zal zijn geweest van een psychisch effect. Daarnaast werd de genezing door goddelijk ingrijpen gecombineerd met de in de loop der tijden vergaarde praktische medische kennis en de van generatie op generatie door de priesters overgedragen ervaring met bepaalde behandelingsmethoden en geneeskrachtige kruiden. Want het kon gebeuren dat de genezing zoekende in zijn/haar droom aanwijzingen van Asklepios voor een bepaalde behandeling kreeg voorgeschreven. Natuurlijk ontwikkelde de geneeskunst zich. Het zal niet verbazen dat de voorgeschreven behandelingen gelijke tred hielden met de stand van de geneeskundige inzichten van dat moment. Na verloop van tijd leerden de priester-artsen die waren verbonden aan de asklepieia de goddelijke geheimen steeds beter te doorgronden en werden die doorgegeven aan hun leerlingen.

 

Resten en moderne reconstructie van het abaton van

de tempel van Asklepios in Epidaurus


Hét beeld van Asklepios in de tempel van Eidaurus ... met een haan 

Rondom de tempels van Asklepios ontstonden in het oude Griekenland de eerste ziekenhuizen (asklepieia) met behandelruimten en gastenverblijven.

De macht en de rijkdom van de tempelpriesters, (asklepiaden) groeiden met het aanzien van Epidaurus als kuuroord. De rijkdom was een gevolg van de vele giften van dankbare patiënten die er genezing hadden gevonden. Om het aanzien van Epidaurus nog meer te verhogen werd in de vierde eeuw voor Christus het houten heiligdom afgebroken. Het moest plaatsmaken voor een waardige stenen tempel. Antieke bronnen beschrijven een kostbaar beeld van Asklepios dat zich in de naos bevond, de meest heilige plaats van een klassieke tempel. Antieke bronnen beschrijven dat het tempelbeeld van Asklepios was vervaardigd van goud en ivoor. Pausanias schijft in Rondleiding door Griekenland: "Het beeld van Asklepios te Epidaurus is half zo groot als het beeld van de Olympische Zeus in Athene; het is vervaardigd van goud en ivoor ... De god zit op een troon, hij houdt een staf in de hand waarlangs een slang omhoog kronkelt. Aan zijn voeten staat een haan, de kop kraaiend naar boven geheven."


De haan kan inderdaad heel goed in verband worden gebracht met Asklepios. Zo zou de stervende Socrates vanaf zijn sterfbed opdracht hebben gegeven een haan aan de heilgod te offeren. Nu is dat nog niet zo veelzeggend omdat de haan een dier was dat ook aan andere goden werd geofferd. Maar wanneer we ons realiseren dat er in de oudheid melding wordt gemaakt van beelden van Asklepios waarbij de haan als een van zijn attributen wordt beschreven, mogen wij ervan uitgaan dat dit dier in verband met de heilgod een bijzondere betekenis had.

De haan werd ook in die tijd al opgevat als de vogel van de vroege morgen, als aankondiger van de dageraad en de nieuwe dag. Vrij algemeen werd in de oudheid een genezing opgevat als een opwekking uit de dood. Een ernstig zieke bevond zich in de macht van de dood. Genezing werd opgevat als terugkeer naar het leven. Na het verslaan van de duisternis van de nacht stelde Asklepios de genezen mensen bij de dageraad in staat de nieuwe dag te aanschouwen.

 

 Medicina, houtsnede in de Iconologia van Cesare Ripa, uitgave 1525, Padua


Medicina, de personificatie van de geneeskunst toont twee attributen van Asklepios: de slangenstaf en de haan.


Een geschenk voor Asklepios, offert een haan voor Asklepios (?), votiefgift of grafstèle, afkomstig van de oud-Griekse begraafplaats van Akraiphion, ca. 500 v.Chr., Archeologisch Museum van Thebe


Het Asklepieion in Epidaurus werd in 86 voor Christus geplunderd door het leger van de Romeinse consul Sulla (138-78 v.C.). De tempelschatten werden als oorlogsbuit onder de soldaten verdeeld, ze verdwenen voorgoed. Het verval was ingezet. Later werd het hele tempelcomplex min of meer met de grond gelijk gemaakt. Alleen het fraaie antieke theater herinnert nog aan de vroegere status en welvaart van de stad.

Het is een van de best bewaarde oude theaters ter wereld. Het theater biedt plaats aan ongeveer 14.000 toeschouwers en is nog steeds vermaard om zijn uitzonderlijke akoestiek.


 

Asklepios-heiligdommen buiten Epidaurus

Vanaf de vijfde eeuw werden over heel Griekenland naar het voorbeeld van Epidaurus, Asklepios-heiligdommen opgericht. Omdat de tempelslaap werd ingeleid met een bad verrezen de geneeskundige centra veelal in de buurt van heilige bronnen. Ook voor veel moderne kuurorden is de aanwezigheid van water waaraan een geneeskrachtige werking wordt toegeschreven nog steeds essentieel.

 

Votiefstenen

De kuuroorden werden geleid door de asklepiaden. De beroemdste volgeling van Asklepios was een lid van een asklepiadenfamilie op het eiland Kos: Hippocrates (ca.460-ca.377 v. Chr.). Volgens sommige bronnen was deze fameuze arts zelfs een afstammeling van Asklepios. Wanneer zijn leerlingen het leerproces hadden afgerond, zou hij ze een eed hebben laten afleggen waarvan de aanhef als volgt luidde: ‘Ik zweer bij Apollo, de genezer, bij Asklepios, bij Hygieia dat ik deze eed met al mijn bekwaamheden en mijn gaven zal nakomen en degene die mij deze kunst heeft geleerd, als mijn vader zal beschouwen en mijn collega’s als broeders…’. Enigszins aangepast en zonder de klassieke goden te noemen, vormt dit deel van de aan Hippocrates toegeschreven eed het begin van de eed die artsen ook tegenwoordig nog moeten afleggen.


Votiefreliëf voor Asklepios uit het Asklepieion van Piraeus,

marmer, ca. 50 v. Chr. Archeologisch Museum van Piraeus


Op sommige steenplaten wordt vermeld dat Asklepios medicijnen aan patiënten toediende en zelfs operaties verrichtte. Op het votiefreliëf uit het heiligdom van Asklepios in Piraeus (havenstad van Athene) verschijnt de goddelijke heelmeester aan het hoofdeinde van een in slaap gelegde vrouw. Asklepios buigt zich voorover en strekt zijn handen uit naar de patiënt die op een bank ligt. Achter hem staat Hygieia die zorg draagt voor de benodigde medicijnen. Aan het voeteneinde staan de familieleden van de vrouw die de god om genezing van hun dierbare smeken.


Votiefreliëf geschonken door Archinos, gevonden in het heiligdom van Amphiaraos in Oropos, Griekenland, marmer: 49 x 54,5 cm.,

ca. 480-380 v. Chr., Nationaal Archeologisch Museum, Athene

 

Op veel votiefstenen die zijn gevonden rond heiligdommen van Asklepios wordt melding gemaakt van heilige slangen die zich op de in slaap gebrachte zieken richten. Dat deze genezingsmethode niet beperkt bleef tot heiligdommen van Asklepios toont het votiefreliëf uit Oropos.

Aan de hand van de inscriptie op de sokkel van het reliëf worden we geïnformeerd over de naam van de patiënt. Het is Archinos, die Amphiaraos dit beeld schonk uit dank voor zijn genezing.

 

Detail votiefsteen van Archinos

 

De geneesheer Amphiaraos verschijnt in een droom aan zijn patiënt. Archinos strekt zijn arm uit naar de geneesheer. Met zijn linkerhand ondersteunt hij zijn arm. Terwijl ook Amphiaraos met zijn linkerhand de arm van Archinos ondersteunt verricht hij met een scalpel de operatie aan de rechterschouder van zijn patiënt.

 

  Detail votiefsteen van Archinos

 

Rechts op het reliëf ligt de patiënt op een bed te slapen. Achter zijn rug heeft een heilige slang zich opgericht. Het dier is een incarnatie van de goddelijke geneesheer. De slang richt zich met zijn wijd opengesperde bek om de patiënt op dezelfde plaats op schouder te bijten als de plaats waarop Amphiaraos op het tafereel links bezig was de pijnlijke schouder te behandelen.

Men gaat ervan uit dat de voorstelling aan de linkerzijde van het reliëf een weergave is van hetgeen zich in de droom van Archinos afspeelt. In zijn droom zag de patiënt dat de god medische handelingen aan zijn schouder verrichtte. Rechts wordt voorgesteld wat men in werkelijkheid in het incubatieheiligdom kon zien: de godheid in de gedaante van een slang die zich naar dezelfde plaats op de schouder richt en de genezing bewerkstelligt. Aan het hoofdeinde van het bed staat de vrouw van Archinos. Toen haar man door goddelijk ingrijpen gezond wakker werd uit zijn heilzame slaap zal zij vast blij zijn geweest toen bleek dat hij zich weer kiplekker voelde. Uit dankbaarheid voor de genezing heeft het echtpaar de votiefsteen geschonken.


Het tweede artikel van deze serie vertelt het verhaal over de komst van Asklepios naar Rome. Daarna zullen we zien dat Christus als genezer heel wat aspecten van de klassieke arts Asklepios overneemt: de vroegchristelijke cultuur wortelt immers in de klassieke cultuur.

  

Gebruikte literatuur

  • U. Hausmann, Kunst und Heiltum, Untersuchungen zu den Griechischen Asklepiosreliëfs, Potsdam 1948

  • J. Schouten, De slangestaf van Asklepios symbool der geneeskunst, Utrecht 1963

  • J. Seznec, The Survival of the Pagan Gods, Princeton 1972

  • E.M. Moorman, en W. Uiterhoeve, Van Achilleus tot Zeus, thema’s uit de klassieke mythologie in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater, Nijmegen, 1987

  • N. Yalouris, Die Skulpturen des Asklepiostempels in Epidaurus, München 1992

  • Ovidius, Metamorphosen, vertaald in het Nederlands door M. D’Hane-Scheltema, Amsterdam 1998

  • Paul Bröker, Asklepios, Aesculapius, Jezus Christus en de slang. Over de overleving van een klassieke geneesheer, in: Geschiedenis der Geneeskunst, 1999, p. 341-350  


 


 


 


 


 

 

221 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

コメント


bottom of page