top of page
  • Foto van schrijverPaul Bröker

Beeld en gelijkenis: over afbeelding en werkelijkheid


“In de afbeel­ding zien wij de idee en de gestalte van de keizer; de gelij­kenis is in beide gevallen dezelfde.” Athanasius van Alexandrië (4de eeuw n.Chr.)

De Berliner Grüner Kopf, Staatliche Museen zu Berlin



Inleiding

‘Hoe bestaat het dat volwassen mensen die, zo mag je aannemen een normaal verstand hebben, geloven in een volkomen overeenkomstigheid van Jezus met zijn beeltenis!’ zo was ongeveer de teneur van reacties die ik via e-mail kreeg op het artikel van afgelopen week.

Evenals ik geen enkele behoefte voel om welk geloof dan ook te verdedigen of af te keuren, voel ik ook geen drang om de daarbij behorende gebeden, rituele handelingen of welke andere geloofsuitingen dan ook publiekelijk te verdedigen of te bekritiseren. Als kunsthistoricus voel ik bij zulke vragen en/of opmerkingen wél een spontane neiging te reageren, ... wanneer het over kunst gaat! In dit geval gaat het om een belangrijk punt binnen de historiografie van de kunstgeschiedenis: over beeld en gelijkenis: over afbeelding en werkelijkheid!

In mijn antwoord op de vraag ‘Hoe bestaat het dat volwassen mensen …?’ wil ik in dit artikel proberen duidelijk te maken dat vereerders van ikonen niet heel bijzonder zijn met hun ideeën over de overeenkomstigheid van iemand met zijn beeltenis. De ikonenvereerders volgen een weg die al eeuwen oud is! Daarnaast zit elk geloof vol met zaken waarvan anderen denken: “Hoe bestaat het dat volwassen mensen daarin geloven!” Bij het antwoord op de vragen en opmerkingen over afbeelding en werkelijkheid laat ik mij onder andere leiden door enkele voorbeelden over dit onderwerp in de schitterende overzichten van de kunstgeschiedenis van Gombrich: Eeuwige Schoonheid en Janson Wereldgeschiedenis van de kunst, maar laat ik beginnen met een enkel persoonlijk voorbeeld: een portret van mijn grootmoeder!

Theo Swagemakers (1898-1994) portret van mijn grootmoeder,

Wiesje Mutsaerts-Meeús, olieverf op doek: 48 x 38,5 cm., 1924


Ik heb thuis een portret van mijn grootmoeder aan de muur hangen. Mijn opa zou het portret hebben laten maken ter gelegenheid van hun huwelijk. Ik vind het een mooi portret van een modieuze vrouw uit begin jaren '20 van de vorige eeuw. Zij kijkt vriendelijk en zelfverzekerd de wereld in. Ik herinner haar als een lieve oma die erg gesteld was op haar kleinkinderen. Stelt u zich daarom eens voor dat iemand uit baldadigheid of uit stompzinnigheid een snor boven haar mond zou tekenen of de ogen zou uitsteken. … Stelt u zich daarnaast eens voor dat ú ook zo’n portret heeft, of een oude foto van uw ouders, grootouders of andere geliefde personen, of een foto van een favoriete zanger, filmster of wat voor artiest dan ook. Hoe zou u reageren wanneer een of andere onverlaat, die minder liefdevolle gedachten heeft bij het zien van die muzikant omdat hij bijvoorbeeld niet van zijn muziek houdt of een enorme hekel heeft aan de persoon, dat die bruut die foto verscheurt, bekladt, bespuwt of er met een viltstift rare dingen op schrijft of er obscene tekeningen op maakt. Wij zijn geschokt en ons kan het gevoel overkomen dat datgene wat met het portret wordt gedaan ook de voorgestelde persoon overkomt!


Demonstraties tegen de oorlog in Vietnam

Ik kan mij nog herinneren dat tijdens de oorlog in Vietnam de gemoederen bij ons thuis hoog opliepen. Mijn vader vond het verschrikkelijk dat in het land dat ons had bevrijd, een portret van de president van dat land werd verbrand en dat hij oorlogsmisdadiger werd genoemd. Rebels en recalcitrant als ik in die tijd was, moet ik toegeven dat ik het schitterend vond!

4 januari 1965, Vredesdemonstranten tonen een bord met een beeltenis van de voormalige president van de Verenigde Staten, Lyndon B. Johnson. Tijdens een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam wordt hij als een oorlogsmisdadiger neergezet.

Tekst onder een foto in een krant van 3 oktober 1966: ‘Flames engulf pictures of president Johnson.’

Onder de foto’s van Johnson: I ATONE FOR MY SINS IN VIETNAM: Ik doe boete voor mijn zonden in Vietnam.


Al zegt ons nuchtere verstand ons nog zo duidelijk dat in de voorbeelden de persoon wiens portret op welke manier dan ook wordt beschimpt daar in veel gevallen geen weet van heeft, laat staan dat het hem deert of dat hem in werkelijkheid iets overkomt, … maar velen waren in die tijd geschokt en de tegenstanders van de oorlog waren tevreden omdat hen het in wezen absurde gevoel bekroop dat hetgeen er met die beeltenis wordt gedaan ook de voorgestelde persoon overkomt!


De ene persoon zal zo’n voorval heftiger ervaren dan de ander, maar het staat vast dat men in de geschiedenis van de mensheid met het vernietigen van afbeeldingen degene of ook datgene (bijvoorbeeld het verbranden van een vlag van een land) dat werd afgebeeld kwaad heeft willen doen. Wanneer dit in principe onredelijke gevoel dat men in blinde woede geen of weinig verschil in de persoon of het land ziet waar men tegen is geeft ook wel aan dat dat gevoel ook heden ten dage nog bestaat. Wanneer die gevoelens nog steeds zo worden erva­ren dan is het niet vreemd dat derge­lijke ideeën overal gedurende de hele geschiedenis van de mensheid in alle culturen op een of andere manier hebben bestaan. Om de gedachten over ikonen en over het idee van beeld en gelijkenis op een goed spoor te zetten, geef ik u daar een paar voorbeelden van.


Spijkerbeeld

In alle delen van de wereld hebben tovenaars, priesters of medicijnmannen geprobeerd op een dergelijke manier te toveren zoals ik zojuist heb beschreven. Ze maakten afbeeldingen van de vijand of van een kwade geest of een persoon die de vijand vertegenwoordigt, doorboorden het hart, lichaam of andere delen van het beeld of verbranden het, in de hoop dat wat met de afbeelding gebeurt ook degene die is afgebeeld zal overkomen. Tijdens allerlei rituelen werden er spijkers in het beeld geslagen, er werden mystieke teksten uitgesproken en tijdens opzwepende dansmuziek kon men zo in vervoering raken dat men geen of weinig verschil ervoer tussen het beeld en de werkelijkheid.

Afrikaans spijkerbeeld


Dergelijke beelden werden gebruikt om kwade geesten af te schrikken om bijvoorbeeld het huis en de bewoners te beschermen tegen kwade geesten en om te beschermen tegen geesten die ziektes verwekken.

Ook konden de beelden de vijand voorstellen. Tijdens de rituelen werden er spijkers in zo’n beeld geslagen of werd het in de vlammen geworpen. Daardoor kon de kwade geest of de vijand van een stam worden verslagen of kon de negatieve kracht worden uitgeschakeld.

detail Afrikaans spijkerbeeld


Sjamamanisme, beschermingsgeest, Lombok, Indonesië, 20ste eeuw


Tijdens rituelen kunnen krachten worden opgeroepen waarbij de goede geest beschermt tegen schadelijke geesten.


Altamira en Lascaux

Tot de vroegst bekende voorbeelden van afbeeldingen behoren

de muurschilderingen in de grotten van Altamira in het Noorden van Spanje en de voorstellingen in de grotten van Lascaux in de Dordogne in Frankrijk. Hier treffen we afbeeldingen aan van dieren die zo’n 15.000 jaar geleden op de muren en gewelven van die prehistorische grotten werden aangebracht.

Rotsschildering in de grotten van Lascaux


Uitgangspunt bij de duiding van die muurschilderingen is dat ze niet werden aangebracht op de muren van de woningen van onze verre voorouders. Zij hadden immers geen vaste woonplaats! Het waren jagers die de plaats waar zij zich bevonden lieten bepalen door de trek van de kuddes die zij volgden. Om de betekenis of het doel van de rotsschilderingen te motiveren gaat men vaak van de volgende theorie uit: “De muurschilderingen werden indertijd vervaardigd om te dienen als onderdeel van een magisch ritueel om zich van succes bij de jacht te verzekeren. De mensen uit die tijd hadden in hun voorstellingsvermogen niet of nauwelijks de mogelijkheid veel verschil te zien tussen afbeelding en werkelijkheid. Door het uitbeelden van het dier en het daarna ritueel te doden meenden zij het dier zelf binnen bereik te brengen en macht te verkrijgen over zijn levensgeest zodat het bij de werke­lijke jacht een gemakkelijke prooi zou zijn.” (Tekst naar: Janson, Wereldgeschiedenis van de kunst.) De inslagen die met stenen bijlen op de lichamen van de afgebeelde dieren zijn aangebracht ondersteunen deze theorie.

Grotschildering in Altamira


Egypte

Met de voorbeelden uit de oud-Egyptische tijd maken we een grote sprong in de tijd. Ik wil die voorbeelden geven omdat we in het vervolg van dit artikel zullen zien dat sommige Egyptische gedachten direct van invloed zijn geweest voor de van vereerders van ikonen.

Muurschildering in de grafkamer van het graf van farao Horemheb

(overleden 1292 v.Chr.)


In de kamers van de piramiden zien we vaak lange rijen met mensen. Het zijn de be­dienden van de overledene. Eens in het barre en verre verleden gebeurde het dat wanneer een machtig man was overleden hij door zijn bedienden en slaven werd verge­zeld in zijn graf. Alleen op deze manier kon hij zich verzekeren van een be­hoorlijk gevolg in het hiernamaals. Niet alleen in de oud-Egyptische tijd, maar in heel wat ver­schillende culturen zien we dat deze mensen daartoe domweg werden afgemaakt.


Later werden deze afgrijselijke riten te wreed of te kostbaar geacht en kwamen voorstellingen naar de werkelijkheid te hulp! In plaats van de bedienden zelf was het blijkbaar op een gegeven moment voldoende om hun afbeeldingen in de grafruimte aan te brengen om de overledene van voldoende perso­neel in het hiernamaals te voorzien. Dat zal voor velen inder­tijd een hele opluchting zijn geweest!

Graf van farao Ramses IV


Op het beschilderd laagreliëf in het graf van Ramses IV (overleden 1149 v.Chr) zien we een rij met onthoofde mannen met de handen op de rug gebonden. Zij zouden herinneren aan de tijd dat dienaren werden gedood om hun overleden meester in het graf te volgen. Er wordt ook op gewezen dat het om gedode krijgsgevangenen zou gaan die als slaven in het hiernamaals dienst moesten doen.

Reliëf uit het graf van Keti, kalksteen, hoogte ca. 80 cm.


Gedurende de oud-Egyptische cultuur zien we dat de bedienden daadwerkelijk aan het werk zijn voor de overledene. In hiërogliefenschrift lezen we aan de bovenkant:het vullen van de kruik door de dienaar’ en daaronder boven de kookpot lezen we de opdracht aan de koks: ‘breng het als gekookt voedsel, neem het en geef het als vlees’. We zien duidelijk dat de twee mannen met vissen bezig zijn! Men neemt daarom aan dat die vissen moesten worden bereid op de manier waarop vlees werd klaargemaakt. Hoe het ook moge zijn, we treffen hier weer een fraai voorbeeld aan van het feit dat de afbeelding de personen waar het om gaat kan vervangen!

Terracotta leger van Qin Shi Huangdi, 210 v.Chr.


De gedachten die we tegenkomen in de Egyptische grafkamers treffen we op verschillende plaatsen op aarde aan. Om dit aan te tonen maken we een kort uitstapje naar China. Niet ver van de stad Xi'an groeven archeologen vanaf 1974 het enorme Terracotta leger op, van maar liefst 8000 manschappen die het Mausoleum van de eerste Chinese keizer Qin Shi Huangdi (259-210 v.Chr.) moesten beschermen. Het enorme Mausoleum was ingegraven onder een grafheuvel van ongeveer 85 meter hoog. Het leger moest de laatste rustplaats, het mausoleum van de keizer en al de ingegraven schatten beschermen.

De grafheuvel werd omringd door enorme muren van 10 tot 12 meter hoog. Binnen de ommuring zijn ruim 400 plaatsen met grafgiften opgegraven.

Qin Shi Huangdi dacht groots! hij zou ook de Chinese muur hebben laten bouwen.


Het lichaam en het portret moeten na de dood bewaard blijven!

Terug naar het oude Egypte! Daar geloofde men dat het een voorwaarde was om onge­stoord van het leven na de dood te kunnen genieten wanneer het lichaam volledig intact bleef. Men weet het lichaam van een overledene voor verval te behoeden door het zorg­vuldig te balsemen. Op een gegeven moment vond men het niet meer voldoende dat alleen het lichaam bewaard zou blijven. Wanneer de gelijkenis ook bewaard bleef was het dubbel en dwars zeker dat de overledene altijd zou blijven voortbestaan.

De zogenoemde Berliner Grüner Kopf, ca. 300 v.Chr., steensoort: groenschist, hoogte 21cm., Staatliche Museen zu Berlin


Daarom werd aan beeldhouwers opdracht gegeven een portret in harde en onvergankelijk steen uit te hakken. Illustratief is het volgende.

Wanneer we ons woord 'beeldhouwer' willen verklaren dan komen we zo ongeveer op 'hij die een beeld hakt', want houwen betekent hier hakken. Wanneer we het Egyp­tische woord voor beeldhouwer ontrafelen dan komen we op 'hij die levend houdt'!

De groene kop is een prachtig voorbeeld van de portretkunst die zich in de tijd van de dynastie van de Ptolemaeën (305 -30 v.Chr.) in Egypte ontwikkelde.


Gouden dodenmasker van Toetanchamon, gezicht vervaardigd op grond van het dodenmasker van de farao, hoogte: 39,3 cm., ca. 1314,

Egyptisch Museum, Cairo


Een dodenmasker vervult het bestendigen van de gelaatstrekken van de overledene uiteinde­lijk het beste.


Fajoemportretten: de oorsprong van ikonen

De zogenaamde Fajoemportretten worden genoemd naar de stad El-Fajoem waar een groot aantal van deze portretten is gevonden. De stad ligt een kleine 100 km. ten zuidwesten van Cairo.

De gevonden portretten dateren uit de Romeins-Egyptische tijd (ca. 100- ca. 300 n.Chr.) Deze tak van schilderkunst was ontwikkeld door de Romeinen die zich aanpas­ten aan het Egyptische begrafenisgebruik. Ze werden gebruikt door minder rijke mensen in plaats van de voor de farao’s en hun omgeving vervaardigde gouden dodenmaskers en stenen beelden.

Op hout werd al vóór de dood een gelijkend portret geschil­derd. Na het overlijden van de persoon werd het lichaam gemummificeerd en daarna in zijn geheel in doeken gewikkeld. Op de voorzijde van het in doeken gewikkelde hoofd werd het portret gelegd. Daarna werd de mummie geheel met gedroogde en gevlochten smalle repen palmbladeren overdekt. Alleen het paneel met het portret van de overledene bleef nog zichtbaar. De portretten zijn zo levensecht geschilderd dat zij de indruk wekken dat de gestorvene door een venster naar buiten kijkt.

Ingepakte Mummie met Fajoemportret, ca.150 n.Chr, Egyptisch Museum, Cairo


Mummieportret van een onbekende vrouw, afkomstig uit Fajoem, encaustische techniek waarbij de verf werd verkregen door pigmenten te mengen met hete bijenwas, paneel: 42 x 32,5 cm., ca. 24 n.Chr., Ägyptiches Museum, Berlijn


Kenmerkend voor de Fajoemportretten zijn de levendigheid en de persoonlijke gelaatstrekken. Het portret toont een vrouw die vol in het leven staat. Zij wordt en face voorgesteld. Met haar grote ogen kijkt de onbekende vrouw de beschouwer heel direct aan.


Algemeen aanvaard is de opvatting dat de orthodoxe christelij­ke ikoon zich heeft ontwikkeld uit het Egyptische mummieportret. Over sommige Fajoemportretten zijn de geleerden het niet eens of het om een ikoon van een heilige gaat of om een Fajoemportret. Dit is natuurlijk erg illustratief! Het blijkbaar moeilijk aan te geven verschil laat duidelijk zien dat de ikonenverering een buitengewoon belangrijke basis heeft in de laat-Egyptische mummieportretten. Het is dan ook niet vreemd dat een boek over de geschiedenis van ikonen en de opstelling van een ikonenverzameling van een museum vaak begint met een of meerdere Fajoemportretten.

Ook op de vroegst bekende ikonen hebben de heiligen levendige en individuele gelaatstrekken, ze worden en face vanaf de borst voorgesteld en hebben grote ogen. Evenals bij de Fajoemportretten werd de encaustische schildertechniek toegepast.


De eerste ikonen

De vroegste christelijke gemeenschappen treffen we aan in de woestijn van Egypte. Het gaat dan vooral om volgelingen van de Egyptenaar Antonius Abt (251-356). Zijn biograaf Athanasius van Alexandrië († 373) beschrijft Antonius als de eerste persoon die de opdracht van Jezus aan de rijke jongeling, serieus nam: “Als je volmaakt goed wilt zijn, verkoop dan alles wat je bezit en deel de opbrengst uit onder de armen.” (Mattheus 19: 21) Nadat Antonius al zijn bezittingen had verkocht en de opbrengt had verdeeld onder de armen trok hij naar de woestijn om daar als boeteling zijn leven te slijten. Zijn voorbeeld werd door velen gevolgd en als abt gaf hij leiding aan de vroegste christelijke kloosters.

Moderne ikoon op basis van oudere ikonen van Antonius Abt / Antonius de Grote


Een vroege ikoon van een christen kan vanzelf­spre­kend met dezelfde bedoelingen zijn ge­maakt als een Fajoemportret: het in herinnering houden van de over­ledene en het bestendigen van zijn gelaatstrekken. Betrof het een tot de verbeelding sprekende geloofsgenoot, dan werden kopieën van zijn/haar grafafbeelding als tastbaar object van verering mee naar huis genomen door pelgrims die de laatste rust­plaats van een heilige bezochten. De kopieën naar het portret werden door een plaatselijke geestelijke gewijd en ter plekke in aanraking gebracht met het origineel. Thuisgekomen hoopte de pelgrim dat de ikoon hem en zijn gezin zou beschermen en geluk brengen. Wanneer zo'n kopie zijn kracht had bewezen door bijvoorbeeld een wonderbaarlijke bescherming of genezing kon de kopie naar het grafbeeld op zijn beurt ook weer een oerbeeld worden. Want wanneer zo'n wonder erg tot de verbeelding sprak, stroomden pelgrims toe om de ikoon te vereren. Zij namen de ingewijde kopieën die met de wonderdoende ikoon in aanraking waren gebracht mee naar huis in de hoop en veronderstelling dat de heilige zich in zijn nieuwe ikoon / eikoon ook weer krachtig zou manifesteren. Het woord ikoon wordt in dit artikel steeds gebruikt in de zin van de oorspronkelijke Griekse betekenis van het woord eikoon (van εἰκόνα dat ‘beeld’ of ‘afbeelding’ betekent). Een ikoon van Antonius is dus een beeld / beeltenis van Antonius.

Keizerportretten

In de Romeinse tijd was het gebruikelijk dat de portretten van de heersende keizers over het hele rijk werden verspreid, meestal in de vorm van standbeelden. Dit deden de keizers niet alleen om de herinnering aan zichzelf levend te houden maar vooral om zich­zelf door het portret aanwezig te laten zijn. Op gezette tijden werd het beeld van de keizer vereerd. De verering gold voor onderworpen volkeren als een teken van trouw en onderdanigheid aan Rome en de keizer. Het portret van de keizer was aanwezig op plaatsen waar namens hem werd bestuurd en rechtgesproken. Het moet gelden alsof hij zelf persoonlijk aanwezig is. En is het niet nog steeds zo dat het portret van ons staatshoofd in onze rechts­zalen en bijvoorbeeld in de Tweede Kamer hangt zodat de aanwezigen eraan worden herinnerd dat daar namens hem wordt rechtgesproken en vergaderd. Hij is door zijn portret aanwezig!

Zo kon de Griekse kerk­vader Atha­na­sius van Alexandrië (overleden 373 n.Chr), sprekend over het portret van de keizer schrijven: “In de afbeel­ding is de idee en de gestalte van de keizer; de gelij­kenis is in beide gevallen dezelfde' En Atha­nasius laat dan het keizer­por­tret zeggen: “Ik en de keizer zijn één. Ik ben hem en hij is mij. Wat gij aan mij ziet, dat ziet gij ook aan hem.” Atha­nasi­us geeft hier een kennelijk voor de mensen uit zijn tijd volkomen begrijpelijke uitleg, die hij, en dat is in dit artikel van wezenlijk belang, direct daarop in verband brengt met het por­tret van Christus: “Christus is de keizer des keizers en wanneer een aardse keizer door zijn ikoon vertegenwoordigd kan worden, dan toch zeker Christus.” (geciteerd door Hetty J. Roozemond-Van Ginhoven)

Detail van het marmeren beeld van keizer Augustus, h. 2,08 cm., eerste eeuw, Musei Vaticani, Vaticaanstad


Augustus wordt afgebeeld in de houding van een veldheer die zijn manschappen toespreekt.

Ikoon van de Moeder Gods Hodegetria (zie hierover hieronder), Anatolië, ca. 1600, voormalige collectie Robert J. Roozemond


Jezus wordt afgebeeld in de kleding van een Romeinse keizer die zijn volgelingen onderwijst in zijn leer en hen zegent, ‘Christus is de keizer des keizers’! (Athanasius van Alexandrië)


De ikoon als object van verering

Het is natuurlijk niet zo dat iedere afbeelding van bijvoorbeeld Maria wordt aanvaard als een ware, heilige beeltenis of 'eikoon' van de Moeder Gods. Alleen díe afbeelding die door een erkende ikonenschilder is gekopieerd naar een oudere ikoon die op zijn beurt ook weer was gekopieerd naar een vroegere ikoon door ook weer een erkende ikonenschilder, en zo uiteindelijk teruggaat op een zogenaamd oerbeeld, kan een heilige ikoon zijn. Er gaat heel wat aan vooraf voordat een ikoon deze status verwerft. Voordat ik iets schrijf over de voorwaarden waaraan een heilige ikoon moet voldoen, vertel ik over de oorsprong van het meest vereerde type ikoon: de zogenoemde Moeder Gods Hodegetria.


Lukas, patroonheilige van de ikonenschilders

Het verhaal vertelt over de apostel en evangelist Lukas die ook schilder zou zijn geweest. Toen hij bezig was met het vervaardigen van een portret van Maria en haar Zoon vond hij niet meer de kracht om verder te gaan; zijn penseel wei­gerde letterlijk diens­t. Lukas bidt om bijstand en door een goddelijke ingreep vol­tooit de ikoon zichzelf. Als de schilder van hét portret van de Moeder Gods wordt Lukas patroonheilige van de schilders.

Russische ikoon met de heilige Lukas die het portret van de Moeder Gods en haar Zoon schildert, paneel: 26,4 x 18,3 cm., begin15de eeuw, Kreta

Ikonenmuseum Recklinghausen, Duitsland


De Moeder Gods Hodegetria

Het oerbeeld dat door Lukas is vervaardigd, in feite is begonnen staat bekend als de Moeder Gods Hodegetria. De beschreven geschiedenis van het oerbeeld van de Moeder Gods Hodegetria gaat terug tot in de vijfde eeuw toen Keizerin Eudokia tijdens haar verblijf in het Heilig Land de ikoon verwierf. De oer-Hodegetria verdween in 1423 toen de Turken Constantinopel veroverden. In die tijd waren er al ontelbare ikonen naar dit type vervaardigd en bestonden er ook al vele afleidingen van de oer-ikoon. Zo zijn er de vele spiegel­beeldige varianten die zijn ontstaan door een wonderbaarlijke afdruk van een oudere ikoon.

Moeder Gods Hodegetria, 98,5 x 40 cm., 13de eeuw,

Ikonenmuseum van het Catharinaklooster in de Sinaï, Egypte


De Hodegetria is de meest verspreide voorstelling van de Moeder Gods. Op de Moeder Gods Hodegetria (Grieks: οδηγήτρια: Zij-die-de-weg-wijst) wijst Maria op haar Zoon, zij toont de mensen de weg naar Hem. Hij wendt zich met een zegenend en onderwijzend gebaar naar de beschou­wer. Jezus heeft over zichzelf immers gezegd: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Johannes 14: 6) Op de Moeder Gods Hodegetria heeft Jezus vaak een boekenrol in de hand. Het is het boek met zijn leer! Jezus wordt hier dus ook voorgesteld als leraar die de mensen onderwijst in zijn leer. Dat is de weg die de mensen moeten gaan. Het gebaar dat Jezus met zijn rechterhand maakt is niet veel anders dan het gebaar dat keizer Augustus maakt wanneer hij zijn soldaten toespreekt!

Maria wijst de beschouwer de weg naar Jezus, naar de leer die hij heeft verkondigd. Wanneer de gelovige deze weg volgt zal dat leiden tot eeuwig leven.

Lukas schildert het portret van de Moeder Gods, Russische ikoon, 16de eeuw

Detail van Lukas die de Moeder Gods en haar zoon schildert.


Nadat Lukas zich niet in staat voelde om de ikoon te voltooien werd hij na zijn gebed gesteund door hemelse krachten en voltooide de ikoon zich als vanzelf. Die ‘hemelse krachten’ worden op ikonen in beeld gebracht door een engel die het penseel van Lukas leidt. Helaas zien we op de detailfoto slechts de linkerhand van Lukas en daarboven het bovenste deel van de duim en de wijsvinger van de rechterhand van de de engel die het penseel van Lukas stuurt.

Op het detail zien we dat Jezus op zijn jeugdportret ook al een boekenrol in de handen houdt!

De ikoon van de Moeder Gods Hodegetria heeft samen met nog een aantal andere ikonen de status ‘niet door mensenhanden gemaakt’.

Moeder Gods Hodegetria, 15de eeuw, Novgorod


Moeder Gods van Vladimir / Moeder Gods Eleousa, Grieks voor: mildheid, barmhartigheid, tederheid en medelijden, ikoon: 104 x 79 cm.,

ca. 1130, Constantinopel, Tretjakov Galerij, Moskou


De naam van de ikoon verwijst naar de Russische stad Vladimir, waar het oerbeeld van dit type ikoon vandaan komt.

De titel Moeder Gods Eleousa verwijst naar Maria die teder haar wang tegen die van Jezus legt. Zij is op de hoogte van het toekomstige lijden van haar Zoon en troost hem teder.

De ikoon lijkt een spiegelbeeldige variant op het type van de Moeder Gods Hodegetria.


Voorwaarden

Er zijn een aantal schildershandboeken bewaard gebleven waarin de voorwaarden staan omschreven waaraan de ikonenschilder zich heeft te houden. Een van de belang­rijkste schilderhandboeken waarvan de oorspronkelijke tekst bewaard is gebleven is de Hermeneia van Dionysios van Fourna (1670-1744), monnik-schilder van een klooster op de heilige berg Athos. Wanneer we de tekst vergelijken met nog bewaard gebleven oudere fragmenten van schilderboeken wordt duidelijk dat het boek van Dionysios van Fourna is gebaseerd op veel oude overge­leverde voorschriften en richtlijnen die in de loop der tijd van meester op leerling waren overgegaan. Ook al verander­den de voorschriften steeds weer in de loop der eeuwen en kunnen ze anders worden uitgelegd en verschillen ze van land tot land, valt er heel goed iets algemeens over te zeggen.

We lezen dat de schilder een monnik moet zijn van onbesproken levenswandel. Alvorens te gaan schil­deren dient de ikonen­schil­der zich geestelijk voor te bereiden. Hij moet een voorgeschreven aantal dagen hebben gevast en zich in gebed tot God te richten. Hij vraagt om vergeving van zijn zonden en vraagt zijn geest te verlichten en zijn hand te sturen, zoals God eens de hand van Lukas had gestuurd, zodat hij een waar­dig en vol­maakt beeld van Hem, de Moeder Gods of van een heilige kan maken. Gestuurd door de hemel kunnen we de ikonen­schilder een soort medium noemen tussen de hemel en de ikoon.

Ondanks deze strenge regels waaraan een ikonenschilder zich diende te houden was hetgeen hij had gemaakt nog geen heilige en vererenswaardige ikoon. Deze status verwerft het geschilderde pas wanneer het door een priester wordt gewijd. Aan deze wijding gaat ook weer een gebed vooraf waarin de priester de ikoon bij God aanbeveelt en hem vraagt zijn macht over de nieuwe ikoon te laten neerdalen, zodat al diege­nen die zich in gebed via de ikoon tot de hemel wenden met hun aardse vragen, hulp steun en verlos­sing zullen krij­gen.

Tijdens de plechtige inwijding richten de aanwezige gelovigen zich tot de heilige van wie de beeltenis op de nieuwe ikoon staat. Bij de wijding van de Moeder Gods Hodegetria wordt onder andere het volgende gebed tot Maria gericht: ‘Tot uw barmhartigheid nemen wij onze toevlucht, Moeder van God, versmaad onze smeekbeden niet, die wij in onze nood tot u richten.” (geciteerd door Hetty J. Roozemond-Van Ginhoven)

Maria wijst ons dus niet alleen de weg naar haar Zoon maar de gelovigen scharen zich ook onder haar bescherming. Met haar rol als beschermster komt de ikoon van de Moeder Gods Hodegetria dicht bij de afleiding van het type: de Moeder Gods Eleousa. (Zie hierboven de ikoon in de Tretjakov Galerij.)

Als laatste rituele handeling wordt de nieuwe ikoon in aanraking gebracht met de oer-ikoon om zodoende de kracht van de oude ikoon over zich heen te krijgen. Daarna schrijft de priester de naam van de voorgestelde persoon op de ikoon, meestal in rode letters. Nu de naam van de heilige is aangebracht ís hij de heilige! Pas dan kan de nieuwe ikoon vereerd worden en zijn er in de ortho­doxe geloofsbeleving slechts hele vage en moeilijk onder woorden te brengen verschillen tussen afbeelding en diegene die is afgebeeld.


Met een oerbeeld is altijd iets bijzonders aan de hand. Wanneer zich met de nieuwe ikoon weer iets wonderbaarlijks voordoet was de kracht van die ikoon aangetoond. Het wonder werd bekend en men pelgrimeerde naar de plaats waar de ikoon wordt bewaard. Veel pelgrims namen een kopie naar zo’n ikoon mee naar huis en wanneer die ikoon zijn kracht weer met een aansprekend wonder had aangetoond kon ook weer een nieuw type ikoon ontstaan enz. enz.


Moeder Gods Tricherousa

Aardig in dit verband is het verhaal over de oer-icoon van de Moeder Gods Tricherousa. Het gaat hierbij om een afleiding van het Hodegetria type.

Moeder Gods Tricherousa


Het verhaal speelt zich af in de tijd van het ikonoclasme. De grote Byzantijnse theoloog Johannes van Damascus (676-749) was een felle voorstander van de verering van ikonen.

Op bevel van keizer Leo III (ca. 675-741) werd zijn rechterhand afgehakt opdat hij niet meer zou kunnen schrijven en dan zou het wel afgelopen zijn met zijn theologische geschriften! Toen Johannes van Damascus zich in gebed tot een ikoon van de Moeder Gods Hodegetria keerde werd zijn gebed door Maria verhoord; zijn hand groeide weer aan. Uit dankbaarheid schonk Johannes een votiefgeschenk aan de ikoon in de vorm van een zilveren hand. Die zilveren votiefhand werd op de oorspronkelijke ikoon bevestigd. Pelgrims die de plaats bezochten namen kopieën van de ikoon mee naar huis. Een nieuwe afleiding naar het Hodegetria type was geboren: de Moeder Gods Tricherousa, met de drie handen! Op kopieën ontbrak die derde hand natuurlijk nooit!

De oer-ikoon werd overgebracht naar het Mar Saba Klooster bij Jeruzalem en kwam later terecht in het Chilandariou-klooster op de berg Athos. In dat klooster wordt het oerbeeld nog steeds bewaard.

Moeder Gods Tricherousa, Servisch-Russisch ikoon, ca 1700


Bidprentje van de heilige Margaretha-Maria

Het zal al wel voldoende duidelijk zijn geworden dat ook een kopie van een oerbeeld niet veel anders is dan de persoon zelf. In de gedachten van de vereerders van ikonen konden erkende kopieën evenveel kracht in zich krijgen als de 'eikoon' waarnaar de nieuwe ikoon is vervaardigd. De aanraking van de nieuwe ikoon met de oude ikoon is daarvoor essentieel!

Een dergelijk geloof van het overbrengen van kracht kennen wij binnen de Rooms-Katholieke Kerk ook nog wel. Het is zeker al wel twintig jaar geleden dat ik in de Franse stad Paray-le-Monial was. De stad is het centrum van de devotie rondom het Heilig Hart van Jezus. De basis hiervoor vormden de verschijningen van Jezus tussen 1673 en 1675 die Margaretha-Maria Alacoque (1647-1690) heeft beleeft. Jezus toonde in die visioenen zijn bloedende hart.

In de tijd dat ik daar was kon je voor enkele centen bidprentjes kopen met een voorstelling van de mystica Margaretha-Maria Alacoque.

de kleuren stof gekocht. Ik voel mij best wel gelukkig …!

Het gaat mij om het stukje roze stof dat in het prentje zit. Je kon in de kerk van het klooster van Paray-le-Monial dit soort bidprentjes met stukjes stof in allerlei kleuren kopen. Die stukjes stof werden geknipt uit flinke rollen stof die in aanraking zijn gebracht met het lichaam van de heilige Margaretha dat wordt bewaard in de Kapel van de Visitatie in de kerk van het Klooster van O.L. Vrouw Visitatie in Paray-le-Monial. Bij aanraking heeft de stof de kracht van het lichaam overgenomen. Wanneer je erin gelooft zullen de bidprentjes vast wel geluk brengen, en dat voor een paar centen! Omdat ze zo goedkoop waren heb ik voor mijn verzameling devotionalia heel wat van die prentjes met verschillen


Een verhaal over de heilige Nikolaas

Er is in het Westen nog een amusant verhaal over en beeltenis en de werkelijke overeenkomstigheid met de persoon die wordt afgebeeld. In dit geval gaat het om een heilige die in de orthodoxe kerk veel serieuzer wordt vereerd dan de heilige die wij kennen als de cadeautjes brengende kindervriend. Het gaat om een postuum verhaal over de heilige Nikolaas.

Bicci di Lorenzo (Florence 1373-1452) De miraculeuze Sint-Nikolaas ikoon, deel van een predella, ca. 1410, tempera op paneel, verblijfplaats onbekend


Een heidense koopman was in het bezit gekomen van een prachtige ikoon van de heilige Nikolaas. Omdat christenen hem meerdere malen hadden verteld over de miraculeuze kracht die van de beeltenis van de heilige uitging besloot hij het beeld van de heilige bij de ingang van zijn huis op te hangen. Nikolaas zou zijn huis vast wel beschermen! Op zekere dag moest de man voor werkzaamheden op reis en stelde zijn waardevolle bezittingen onder de hoede van Nikolaas. In gebed richtte de koopman zich tot de ikoon: “Heer Nikolaas, ik heb van uw macht gehoord, daarom vertrouw ik al mijn bezittingen aan u toe. Maar als u ze niet zorgvuldig beschermt, zal ik u een flinke afstraffing geven.” Toen ging hij op reis. Dieven die hoorden dat zijn huis verlaten was, maakten van de gelegenheid gebruik en drongen het huis binnen. Zij namen al het goud en zilver dat ze konden vinden mee.

Bij zijn terugkeer ontdekte de koopman dat hij was bestolen en hij vervloekte de beeltenis van de heilige: “Ik heb u in mijn huis geplaatst om het te beschermen tegen diefstal. Waarom hebt u niets gedaan? Ik heb het u gezegd, ik zal u er flink van langs geven.” De koopman greep woedend een zweep en geselde de ikoon ... en toen gebeurde het wonder!

Detail, de koopman slaat met een roede op de ikoon van Nikolaas


De dieven die net bezig waren de buit onder elkaar te verdelen, werden opgeschrikt door de plotselinge verschijning van Nikolaas. Hij zei tot hen: “Kijk eens wat ik moet lijden voor jullie misdaad. Ik wordt geslagen met een zweep, tot bloedens toe. Breng het gestolen goud en zilver onmiddellijk terug naar de koopman, anders zal ik jullie diefstal publiekelijk bekend maken. Ik zal er voor zorgen dat jullie worden opgehangen.”


Detail, Nikolaas toont de dieven zijn wonden op zijn borst en op zijn arm. Het bloed is door zijn witte onderkleed gesijpeld.


Geschrokken vroegen de dieven: ‘Wie bent u?’ En de heilige antwoordde: “Ik ben Nikolaas, een dienaar van God. Ik word door een heidense koopman gegeseld omdat jullie hem hebben beroofd.”

De rovers werden zo bang dat ze het goud en zilver direct terug brachten. Ze vertelden de koopman van de wonderbaarlijke verschijning van Nikolaas. Daarop vertelde de koopman hoe hij de beeltenis van de heilige had mishandeld. Alle drie waren stomverbaasd over de loop van de gebeurtenissen. En vanaf dat moment leidden de dieven een deugdzaam leven en de heidense koopman bekeerde zich tot het christelijk geloof.

In het verhaal wordt duidelijk dat er geen verschil is tussen de beeltenis en de werkelijkheid, tussen de 'eikoon' van Nikolaas en de persoon Nikolaas. De koopman praat tegen de ikoon en hij geselt de voorgestelde persoon. Op dat zelfde moment voelt Nikolaas de pijn van die geseling op zijn lichaam en roept hij in lichamelijke gedaante de dieven ter verantwoording en toont hij hen de aangebrachte bloedende wonden.



Gebruikte literatuur

- W.P. Theunissen, Ikonen, historisch, aesthetisch en theologisch belicht, Den Haag 1948

- Tentoonstellingscatalogus, Goden en Farao’s, Museum Boymans-Van Beuningen, 1979

- E.H. Gombrich, Eeuwige Schoonheid, Houten 1982

- H.W. Janson, Wereldgeschiedenis van de kunst, Den Haag 4de druk

- Hetty J. Roozemond-Van Ginhoven, Ikon, Geloof in Kunst, Ikonen uit de Wijenburgh, ‘s Hertogenbosch

221 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

Comentarios


bottom of page