• Paul Bröker

Gerechtigheidstaferelen: over partijdige en onpartijdige rechtspraak II

Dit is het tweede artikel in een serie van vier over zogenaamde gerechtigheidstaferelen. Met een regelmaat van ongeveer een keer in de maand kunt u de volgende artikelen van deze serie verwachten. Klik (hier) om het eerste artikel te lezen.

Gerechtigheidstaferelen met een Bijbelse en klassieke achtergrond


Laatste Oordeel

In het eerste artikel van deze serie schreef ik al over het Laatste Oordeel en de betekenis van de voorstellingen daarvan binnen de rechtspleging. We zagen een aantal voorstellingen van het Laatste Oordeel die direct in verband werden gebracht met een aardse rechtszitting: bovenin het schilderij was op de getoonde voorbeelden steeds een afbeelding van de Goddelijke rechtspraak aan het einde der tijden te zien en beneden waren we getuige van een wereldlijke rechtszitting. Door beide vormen van rechtspraak te combineren op een voorstelling was het onmiskenbaar dat er een verband wordt gelegd tussen de wereldlijke rechter en de goddelijke rechter.

Michael Wolgemut (1443-1519), Laatste Oordeel, olieverf op paneel: 102,5 x 194 cm. afkomstig uit de gerechtszaal van het stadhuis van Neurenberg, Germanisches Nationalmuseum, Neurenberg


Nog vaker dan de in het eerste artikel van deze reeks besproken dubbelvoorstellingen van aardse en wereldlijke rechtspraak kon de bezoeker van de laatmiddeleeuwse gerechtszalen exempla iustitae van het Laatste Oordeel aantreffen zonder directe verwijzingen naar de aardse rechtspleging. Het Laatste Oordeel van Michael Wolgemut (1443-1519) uit het stadhuis van Neurenberg wijkt in feite niet af van de vele voorstellingen van het Laatste Oordeel boven de ingang van Gotische kerken. Maar de functie en betekenis van die voorstellingen op plaatsen waar werd rechtgesproken was niet anders dan de reeds eerder behandelde voorstellingen van Het Laatste Oordeel: de wereldlijke rechter dient zich te spiegelen aan de hemelse rechter. Voor God is alles inzichtelijk. Hij heeft alles gezien, weet alles, is niet vooringenomen en is vrij van iedere vorm van beïnvloeding. Het oordeel op het einde der tijden is daarom absoluut rechtvaardig. De rechters dienen te handelen naar het voorbeeld van de goddelijke rechter. Tevens moet de rechter zich ervan bewust zijn dat er bij het Laatste Oordeel ook over zijn handelen geoordeeld zal worden. Hij zal op het einde der tijden verantwoording over zijn handelen moeten afleggen.


Op het gerechtigheidspaneel uit het stadhuis van Neurenberg zien we onder de voeten van Christus het Boek met de Zeven Zegels uit de Apocalyps. Met het openen van de zegels komen de meest verschrikkelijke rampspoeden over de aarde. De aan Johannes geopenbaarde visioenen zouden uiteindelijk leiden tot de terugkomst van Christus op aarde en het Laatste Oordeel. Apocalyps 20: 12-15: “Nog een ander boek werd geopend, het boek des levens. De doden werden geoordeeld naar hun daden, zoals die in de boeken beschreven stonden. De zee gaf haar doden terug, en de dood en het dodenrijk gaven hun doden terug, en zij werden geoordeeld, op grond van hun daden … Ieder van wie de naam niet in het boek des levens stond, werd in de poel van vuur geworpen.”

Op het gerechtigheidspaneel in Neurenberg troont de goddelijke rechter in een mandorla. De rechterhand wordt ter verwelkoming van de uitverkorenen opgeheven en de linkerhand is als een gebaar van veroordeling naar beneden gericht. Bij de rechterhoek van zijn mond zien we de witte lelies van de vergeving en rechts het zwaard van de vergelding: “… uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard…” (Apocalyps 1: 16) Aan de rechterzijde van Christus knielt Maria met achter haar zes apostelen. Aan de andere kant treffen we Johannes de Doper en de andere zes apostelen aan. Zij vormen de voorsprekers voor de mensheid die een beroep doen op de goedertierenheid en de vergevingsgezindheid van de rechter. Links en rechts onder de voeten van Christus steken twee engelen hun trompetten. Op aarde zijn de doden door het trompetgeschal uit hun doodslaap opgewekt. De graven zijn geopend en de mensen staan op uit hun graf. Op de voorgrond, links van het midden zien we een bijna letterlijke weergave van de tekst uit de Apocalyps: “… en de dood en het dodenrijk gaven hun doden terug…” De Dood als een skeletachtige figuur helpt iemand met het opstaan uit diens graf.

Detail Laatste Oordeel, Michael Wolgemut


“De doden werden geoordeeld naar hun daden, zoals die in de boeken beschreven stonden…en zij werden geoordeeld, op grond van hun daden.” Onder de weergave van Christus’ opgeheven hand en de lelietak worden uitverkoren door een engel naar Petrus geleid. Hij staat voor de geopende hemelpoort en verwelkomt hen. Aan de kant waar Christus de hand ter veroordeling naar beneden houdt en de kant van het zwaard zien we op aarde een duivel bij een geopend graf. Hij kan niet wachten om zijn prooi naar de hel af te voeren en helpt een handje: hij houdt haar bij de pols en trekt de verdoemde aan de haren uit het graf. Hij zal de zondaar naar de hel leiden alwaar een aantal verdoemden hun eeuwige straf in het hellevuur reeds ondergaat.

Al met al een standaard voorstelling van het Laatste Oordeel. Toch zijn er kleine aanwijzingen die ons duidelijk maken dat het paneel in een rechtszaal heeft gehangen. Er zijn namelijk teksten op het schilderij aangebracht die wij niet aantreffen op de voorstellingen van het Laatste Oordeel op de timpanen van kerken. De teksten verwijzen naar de functie van het paneel in de rechtszaal van het stadhuis. Links en rechts van het hoofd van de hemelse rechter: “Ego iusticias iudicabo”: Ik zal rechtvaardig oordelen. De tekst in de cartouche onderaan is zowel in het Latijn als in het Duits. In het hedendaagse Duits staat er: “Ihr Menschen fällt Urteile auf der Erde, in gleicher Weise werdet ihr gerichet werden”. De rechters wordt erop gewezen dat er bij het Laatste Oordeel rekening zal worden gehouden met de manier waarop zij op aarde recht hebben gesproken.

Lieven van der Clyte, Laatste Oordeel, tempera op paneel: 1413, Stedelijk Museum, Diest

Het Laatste Oordeel van de Gentse kunstenaar Lieven van der Clyte (archiefvermeldingen: 1383, 1406 en 1413) heeft geen enkele directe verwijzing naar de aardse rechtspleging. Toch staat het vast dat het functioneerde als gerechtigheidstafereel in het stadhuis van Diest.

Naarmate de periode van de Middeleeuwen ten einde loopt en overgaat in de Renaissance treffen we in de gerechtszalen niet meer alleen voorstellingen aan van het Laatste Oordeel. Gaandeweg zien we ook andere Bijbelse voorstellingen. Daarnaast treffen we ook steeds vaker voorstellingen aan uit de Klassieke Oudheid en de wereldlijke geschiedenis die als exempla iustitiae aan rechters en andere magistraten konden worden voorgehouden. Maar de functie van de voorstellingen blijft dezelfde: in de aan hen voorgestelde verhalen wordt duidelijk gemaakt dat wanneer rechters zich laten leiden door persoonlijke motieven en een oneerlijk oordeel vellen de gevolgen verschrikkelijk kunnen zijn.


Het Oordeel van Salomon

Na het Laatste Oordeel vormt het Bijbelse Oordeel van Salomon het meest voorkomende thema in zalen waar werd rechtgesproken. Het verhaal wordt verteld in het derde hoofdstuk van het Eerste Boek Koningen.

Twee vrouwen die in hetzelfde huis wonen, krijgen kort na elkaar een kind, een zoontje. Een van de twee kinderen overlijdt omdat de moeder hem bij zich in bed had genomen en tijdens haar slaap op hem was gaan liggen. Zij verwisselt het lichaam van haar zoon met het levende jongetje van de andere vrouw. Toen die andere vrouw het dode baby’tje in zijn bedje aantrof zag zij direct dat dit niet haar zoon was. Er ontstaat grote onenigheid tussen de vrouwen. Beiden blijven erbij dat het levende kind van haar is en het dode van de ander. Niemand kon het verhaal van een van beide vrouwen bevestigen en er waren geen bewijzen. Het probleem werd voorgelegd aan koning Salomon. Hij kon er natuurlijk ook niet direct uitkomen. Maar de koning heeft een plan! Hij gaf bevel: “Hak het levende kind in tweeën en geef ieder de helft.” Maar de vrouw van wie het levende kind was riep tot de koning: “Ach mijn heer, geef haar het levende kind dan maar, maar doodt het niet.” De andere vrouw legt zich neer bij het oordeel van Salomon en sprak: “Noch ik noch zij moet het kind dan maar hebben, verdeel het maar tussen ons beiden.” De koning wist genoeg! Hij zei: ‘Dood de baby niet. Geef hem aan de vrouw die hem in leven wil laten, want zij is de echte moeder.’ Degene die er alles aan doet om het leven van haar zoon te redden, zelfs al moet zij daarvoor afstand doen van haar kind, is natuurlijk de echte moeder. Degene die erin berust dat het kind gedood zal worden kón niet de echte moeder zijn. “Over heel Israël hoorde men over het vonnis dat de koning had geveld. Het volk had ontzag voor de koning, want men begreep dat hij van God de grote wijsheid had gekregen om recht te kunnen spreken.” (I Koningen 3: 16-28) Dat laatste is natuurlijk belangrijk. In het Oordeel van Salomon is de Bijbelse koning een beeld van iemand die goddelijke wijsheid bezat om recht te spreken. Daar moesten de rechters een voorbeeld aan nemen.

Frans Floris I, Oordeel van Salomon, olieverf op paneel: 143 x 227 cm., ca. 1547 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen


Het schilderij van Frans Floris I (1519/1520-1570) uit de schepenkamer van het stadhuis in Antwerpen moest rechters inspireren om op een even briljante wijze als Salomon licht te brengen in een ingewikkelde zaak.

Op het schilderij ligt het dode kindje op de grond. De gespierde man links wacht op het bevel van de koning om het vonnis te voltrekken. Hij houdt het levende kind bij de enkel omhoog en staat klaar het in de lengte doormidden te delen. De moeder rechts lijkt zich met haar handgebaar neer te leggen bij de dood van ‘haar’ kind: het is niet anders, deel het maar in tweeën. Terwijl de andere vrouw de koning door haar verwijzend handgebaar laat weten het kind dan maar aan de ander te geven. Tegelijkertijd omklemt zij met haar linkerhand de arm van de beul om hem zijn werk te beletten. Voor de koning is de zaak duidelijk. Hij wijst naar de vrouw links: zij zal het kind krijgen.

detail Oordeel van Salomon, Frans Floris



Nicolas Poussin (1594-1665), Oordeel van Salomon, olieverf op doek: 101 x 150 cm, 1649, Musée du Louvre, Parijs


Het schilderij van Nicolas Poussin (1594-1665) is afkomstig uit een gerechtszaal in Parijs. De twee vrouwen bevinden zich voor de troon van Salomon. De schilder maakt duidelijk welke vrouw de echte moeder van het kind is en wie niet. De vrouw rechts met haar verwilderde blik en vale gelaatskleur straalt tegelijkertijd woede en angst uit. In paniek richt zij zich tot de beul om niet te aarzelen het kind te doden: “Deel hem maar in tweeën”. De dramatiek van haar verschijning wordt vergroot door haar levenloze kind dat zij met zich meedraagt. Net als op het schilderij van Frans Floris I houdt de beul het kind aan een been omhoog. Met het zwaard in de hand staat hij klaar om op bevel van de koning zijn verschrikkelijke werk te doen. De vrouw links smeekt de koning op haar knieën en met alles wat in haar is om het vonnis niet te laten voltrekken. Tegelijkertijd probeert zij met haar linkerhand de beul van zijn voornemen af te houden.

detail Oordeel van Salomon, Nicolas Poussin


Het verhaal staat aan de basis van een woord/begrip dat wij nog steeds kennen: salomonsoordeel. We gebruiken het wanneer iemand in een lastig geschil een oplossing vindt die getuigt van wijsheid en spitsvondigheid.



Daniël: het oordeel over Susanna én het oordeel over de twee ouderlingen / rechters

In een (apocrief / deuterocanoniek) supplement van het Oudtestamentische Boek Daniël wordt verhaald over Susanna. (Daniël 13) Zij is de vrouw van Joakim en is “buitengewoon mooi en godvrezend”. Joakim is rijk en behoort tot de aanzienlijke inwoners van Babel. Het huis van het echtpaar was een ontmoetingsplaats van andere welgestelde en aanzienlijke burgers van de stad. Onder hen waren twee ouderlingen die ook rechter waren. In de tuin van Joakim zagen de mannen Susanna geregeld een wandeling maken en zij raakten in vuur en vlam door haar fraaie verschijning. Hun hartstocht werd nog eens aangewakkerd toen zij haar vanuit de bosjes begluurden terwijl zij zonder kleren in de vijver van de tuin aan het baden was. De mannen kwamen tevoorschijn en probeerden haar te verleiden. In alle toonaarden weigerde Susanna op de avances van de mannen in te gaan. Ook toen zij haar intimideerden met dreigen te vertellen dat zij gezien hadden dat Susanna het had aangelegd met een jongeman bleef zij bij haar afwijzing. Met de beschuldiging van overspel werd Susanna voor de rechter gebracht. Omdat de twee mannen ouderling en rechter waren werden zij zonder enig nader onderzoek op hun woord geloofd en Susanna wordt veroordeeld; zij zal worden gestenigd. “Toen brak Susanna in luide weeklachten uit en sprak: Eeuwige God, die het verborgene kent en alles weet. Gij weet dat zij een valse getuigenis tegen mij hebben afgelegd, ik moet sterven hoewel ik onschuldig ben aan alles wat deze mannen met boos opzet tegen mij hebben verzonnen.” (vers 42 en 43)

Susanna wordt naar de plaats gebracht waar het vonnis voltrokken zal worden. Alleen Daniël, die in het apocriefe aanhangsel nog een jongeman is, twijfelt aan de getuigenis van de mannen en verbaast zich erover dat Susanna zonder nader onderzoek is veroordeeld. Hij weet het voor elkaar te krijgen dat er opnieuw in de rechtszaal naar de zaak gekeken wordt. De twee mannen werden gescheiden van elkaar verhoord en leggen nu tegenstrijdige verklaringen af. Zo getuigt de een dat hij haar had betrapt onder een mastiekboom en de ander beweert dat hij het overspel van Susanna onder een eik had waargenomen. Daarmee was voor iedereen duidelijk dat zij een valse getuigenis hadden afgelegd. Daniël: “Nu komt de straf voor de zonden die jullie vroeger bedreven hebben toen jullie onrechtvaardige vonnissen hebben geveld, onschuldigen hebben veroordeeld en schuldigen hebben vrijgesproken ... Gods engel wacht al met het zwaard in de hand om u doormidden te houwen.” (Daniël 13: 52-54) Volgens de wet van Mozes moeten mensen die meineed hebben gepleegd gestraft worden met de straf die de onschuldige zou hebben gekregen wanneer het vonnis, dat gebaseerd was op de valse getuigenis, zou zijn uitgevoerd: de twee rechters werden gestenigd.


De moraal van het verhaal: een grondig en onafhankelijk onderzoek is onontbeerlijk voor een rechtvaardig vonnis. De rechters werd met de voorstelling van het verhaal voorgehouden dat een scherpzinnig verhoor en betrouwbare bewijzen van essentieel belang zijn voor de waarheidsvinding. Daar komt nog bij dat het verhaal duidelijk maakt dat een hoge maatschappelijke positie geen dekmantel mag zijn om voetstoots maar van alles aan te nemen van hetgeen ogenschijnlijk achtenswaardige personen naar voren brengen, ook al gaat het om rechters. In het verhaal worden rechters heel direct aangesproken: de vergadering geloofde de twee mannen omdat zij ouderlingen en rechters waren. Het is vanzelfsprekend van belang erop te wijzen dat ook rechters zich moeten realiseren dat zij niet onaantastbaar zijn wanneer zij de wet veronachtzamen.

In het verhaal wordt erop gewezen dat God alles ziet en weet. Susanna: “Eeuwige God, die het verborgene kent en alles weet. Gij weet dat zij een valse getuigenis tegen mij hebben afgelegd.” (vers 43-44) God zal streng over onrechtvaardige rechters oordelen: “Nu komt de straf voor de zonden die jullie vroeger bedreven hebben toen jullie onrechtvaardige vonnissen hebben geveld, onschuldigen hebben veroordeeld en schuldigen hebben vrijgesproken….Gods engel wacht al met het zwaard in de hand om u doormidden te houwen.” (vers 55)

oude schepenkamer van de Brugse Vrije, Brugge


In de catalogus De Kunst van het Recht wordt gewezen op een albasten fries in de Brugse Vrije. Dit was vanaf de 12de eeuw de benaming van het zelfstandig bestuurlijk, financieel en rechterlijk onderdeel van het graafschap Vlaanderen. Het gebouw waar de vergaderingen en rechtszittingen plaatsvonden bevindt zich op de Burg, naast het gemeentehuis van Brugge. In 1795 werd de Brugse Vrije opgeheven. Tegenwoordig geeft het monumentale gebouw onderdak aan het stadsarchief.

De oude schepenkamer valt onder het beheer van Musea Brugge. De pronkschouw in die schepenkamer is naar ontwerp van Lanceloot Blondeel (1496/98-1561).

Guyot de Beaugrant, reliëf met een viertal momenten uit het verhaal van Susanna, wit albasten fries van de schoorsteenmantel in de oude schepenkamer van de Brugse Vrije: 40 x 320 cm., 1530, Brugge


Het albasten fries van de schoorsteenmantel toont vier momenten uit de geschiedenis van Susanna van de hand van Guyot de Beaugrant (ca. 1500-1549)

1. Links begint de cyclus met Susanna die op de rand van een bad zit. Zij wordt overrompeld door de twee rechters.

2. Susanna wordt door de twee mannen bij de rechter voorgeleid. Als teken van beschuldiging leggen beiden een hand op het hoofd van de beschuldigde: “zij legden hun handen op haar hoofd.” (vers 34). In rechtszaken moesten getuigen hun hand op het hoofd van de verdachte leggen tijdens het uitspreken van een belastende getuigenis. Met gevouwen handen richt Susanna zich tot God: “Zij zelf zag schreiend op naar de hemel, want haar hart bleef op de Heer vertrouwen.” (vers 35)

3. De jeugdige Daniël staat voor de zetel van de rechter. Hij somt de feiten op van zijn beschuldiging aan het adres van de ouderling rechts van hem. Links wordt al een van de mannen de zaal uitgeduwd. Degene die dat doet heeft al een steen in de hand.

4. Op dit tafereel is de steniging in volle gang. Iedereen mag naar hartenlust keien naar de rechters gooien. Onder dit geweld zijn zij al op de grond gevallen.


Ook dit verhaal heeft geleid tot een gezegde dat nog wel wordt gebruikt. We kunnen spreken over ‘een kuise Susanna’ wanneer we het hebben over een vrouw die heel kuis door het leven gaat.



Over gerechtigheidstaferelen met een klassieke en

(semi) historische achtergrond I


Gerechtigheid van keizer Otto III

In 1468 bestelde de stadsmagistratuur van Leuven twee gerechtigheidspanelen bij Dirk Bouts voor de schepenkamer van het nieuwe stadhuis. Er werd gekozen voor een moraliserende geschiedenis over een gerechtelijke dwaling van een historische figuur, Otto III (980-1002), keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het verhaal is echter legendarisch.

De vroegste vermelding van het verhaal over de Gerechtigheid van keizer Otto III treffen we aan in Pantheon (1190/1191), een wereldgeschiedenis vanaf de schepping van de wereld tot in de tijd van Heinrich VI (1165-1197) van de Duitse geschiedschrijver Godfried von Viterbo (ca. 1120-1191).

We vernemen dat de vrouw van keizer Otto III een oogje had laten vallen op een graaf uit de hofhouding van haar man. Haar pogingen om de jongeman te verleiden hadden echter geen succes. De keizerin voelde zich zo beledigd over de afwijzing dat haar liefde omsloeg in haat. Zij beschuldigde de graaf ervan te hebben geprobeerd haar te verleiden. De keizer had geen enkele reden om te twijfelen aan de woorden van zijn echtgenote en veroordeelde de graaf ter dood, hij wordt onthoofd.























Dirk Bouts, Gerechtigheid van keizer Otto III, linker paneel: de onthoofding van de graaf, rechter paneel: de vuurproef, olieverf op paneel: elk paneel: 344 x 201 cm,

ca. 1471-1473, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel


De vrouw van de graaf is er vast van overtuigd dat haar man onschuldig is terechtgesteld en doet er alles aan om zijn naam te zuiveren. Maar het was haar woord tegen dat van de keizerin. De gravin stelt de keizer daarom voor om haar aan een godsoordeel, een vuurproef te onderwerpen. Daar gaat de keizer op in. De gravin pakt een roodgloeiende staaf ijzer uit het vuur en zonder enige uiting van pijn houdt zij het ijzer zo lang in haar hand dat de keizer inziet dat zij dit alleen met de hulp van God kan volhouden. Dat betekent dat de gravin het bij het rechte eind had en dat haar man onschuldig is terechtgesteld. De keizer realiseert zich nu ook dat de man was omgebracht op grond van een valse beschuldiging van zijn vrouw. Hij kent geen genade: zij wordt levend verbrand.

Hoewel de vrouw van de graaf haar man er niet mee terugkrijgt is zijn blazoen gezuiverd en heeft de gravin genoegdoening gekregen. Een troost, maar wel een heel schrale!

Op het linker paneel van het Dirk Bouts (ca. 1410-1475) staat het keizerlijk paar achter de muur van de paleistuin. De keizerin vertelt haar man over de oneerbare voorstellen van de graaf. Links daarvan wordt de graaf naar de executieplaats geleid. Hij draait zich om naar zijn vrouw en verzekert haar onschuldig te zijn. Voor hem uit loopt een franciscaner monnik, de biechtvader van de graaf. Op de voorgrond heeft de executie al plaats gevonden. Het ontzielde en onthoofde lichaam van de graaf is voorover gevallen. De beul met het bebloede beulszwaard heeft het hoofd van de graaf bij de haren opgepakt en legt het in de doek die de vrouw voor zich houdt.

Op het rechter paneel zetelt Otto III op zijn troon. De gravin knielt voor hem en heeft het hoofd van haar man in de hand. Met de andere hand heeft zij de staaf ijzer tussen de vurige kolen uit het karretje op de voorgrond gehaald. Volkomen rustig en ontspannen houdt zij het roodgloeiende stuk ijzer in haar hand. Op de achtergrond staat de vrouw van de keizer vastgebonden aan een paal op de brandstapel.


In de linkerbovenhoek van het rechter paneel zien we een aantal herkenbare gebouwen uit Leuven. De gotische kerk is de Sint Pieterskerk. Die blik op de stad geeft het tafereel actualiteit. De rechters in Leuven voelden zich daardoor wellicht nog meer aangesproken door en betrokken bij de gerechtigheidsvoorstelling. De moraal die hen met dit exemplum iustitae wordt voorgehouden is dat zij moeten oordelen zonder aanzien des persoons. Ook wanneer het om hun eigen familieleden gaat, in dit geval zelfs om de echtgenote van de rechter, mag er niet geaarzeld worden naar de wet te oordelen. Iedereen is voor de wet gelijk.


Oordeel van Zaleucus

Zaleucus van Lokroi was in de 7de eeuw. v.Chr. koning over het Zuid-Italiaanse Lokri. Hij geldt als een belangrijke Griekse rechtsgeleerde die strenge wetten uitvaardigde met als uitgangspunt het ius talionis principe: oog om oog, tand om tand.

In het vijfde boek van Factorum et dictorum memorabilium (ca. 30 n.Chr.) (Gedenkwaardige feiten en uitspraken) verhaalt de Latijnse schrijver Valerius Maximus (1ste helft van de 1ste eeuw n.Chr.) over koning Zaleucus en noemt het vergeldingsrecht de basis van diens wetten. Zo stelde hij als straf op verkrachting het uitsteken van beide ogen.

De wetgever had zijn eigen zoon schuldig bevonden aan het vergrijp en veroordeelt hem conform zijn uitgevaardigde wet tot het uitsteken van de ogen. Het volk mort over de strenge straf en dringt erop aan dat de rechter het vonnis heroverweegt. Na lange twijfel over wat te doen komt er een nieuw vonnis: hij heeft besloten dat er bij zijn zoon slechts één oog zal worden uitgestoken. Het volk is tevreden. Maar de rechter is nog niet klaar met de herziene uitspraak. Omdat hij clementie verleent aan een schuldig bevonden bloedverwant, kan en mag dat alleen maar ten koste van hemzelf gaan. Hij heeft besloten dat het andere oog daarom bij hemzelf zal moeten worden uitgestoken.

Jan de Braij, Koning Zaleucus laat zich een oog uitsteken, olieverf op doek: 212 x 255 cm, 1676, schoorsteenstuk in de voormalige schepenkamer van het stadhuis van Haarlem


Op het schilderij van Jan de Braij (1626/1627-1697) wordt met ogenschijnlijk enige chirurgische precisie het oog bij de koning uitgestoken. Achter de persoon die daarmee is belast herkennen we Vrouwe Justitia. Zij zal tevreden zijn! Het recht heeft zijn beloop gehad. Rechts op de voorgrond kijkt de zoon van Zaleucus handenwringend naar hetgeen hem te wachten staat.

Het schilderij van Jan de Braij hangt nog steeds op de plaats waarvoor het door de burgemeesters van Haarlem was bestemd: boven de haard in de oude schepenkamer van het stadhuis in Haarlem.

De moraal van het verhaal wordt door Zaleucus zelf gegeven: “Wanneer een rechter clementie verleent aan een schuldig bevonden bloedverwant kan en mag dat alleen maar ten koste van hemzelf gaan.” Dat moest ook de rechters in Haarlem helder voor ogen staan.


Gebruikte literatuur

- Blankert, A., Koning Zaleucus laat zich een oog uitsteken in: God en de goden. Verhalen uit de bijbelse en klassieke oudheid door Rembrandt en zijn tijdgenoten, Tentoonstellingscatalogus nr. 63, Rijksmuseum Amsterdam, 1981

- Moorman, Eric M. & Uitterhoeve, Wilfried, Van Alexandros tot Zenobia, thema’s uit de klassieke geschiedenis in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater, Nijmegen, 1989

- Goosen, Louis, Van Abraham tor Zacharia: thema’s uit het Oude Testament in religie, beeldende kunst, literatuur, muziek en theater, Nijmegen, 1990 - Bouts’ werk voor het Leuvense stadhuis in: Smeyers, Maurits e.a. (redactie), Dirk Bouts (ca. 1410-1475) een Vlaams primitief te Leuven (tentoonstellingscatalogus), p. 530-535,

Sint Pieterskerk, Leuven, 1998

- M. van der en Smidt, J. de, red.) in ‘Weegschaal & Zwaard, De Verbeelding van Recht en

Historisch Museum, Den Haag, 1999

- Bröker, Paul “Gerechtigheidstaferelen” in: Stufkens, Hein, (redactie) Gerechtigheid, Heeswijk, 2015

- De kunst van het recht. Drie eeuwen gerechtigheid in beeld, (tentoonstellingscatalogus), Groeningenmuseum, Brugge, 2016





318 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven