top of page
  • Foto van schrijverPaul Bröker

Homo Bulla: de mens is een zeepbel, alles gaat voorbij, niets blijft bestaan: Memento mori

Cornelis Ketel, Portret van Adam Wachendorff, olieverf op paneel: hoogte: 50,3 x diameter: 48,6 cm., gedateerd 1574 (links van het hoofd), gesigneerd: CK (rechts van de hals van de geportretteerde), Rijksmuseum, Amsterdam

 

Inleiding

De geportretteerde moet een gelovig man zijn geweest. Op de originele lijst rondom zijn portret laat hij de beschouwer en ongetwijfeld ook zichzelf weten dat hij zich bij al zijn doen en laten wil laten leiden door het woord van God en alles wat Hij hem ten voorbeeld heeft gesteld: SERMO DEI AETERNVS CAETERA OMNIA CADVCA: Het woord van de eeuwige God en al het andere.  

Bij het schrijven van het artikel over Portret van een meisje in het blauw moest ik denken aan dit schilderij van Cornelis Ketel omdat het in tegenstelling tot het schilderij van Verspronck duidelijke informatie verstrekt over de leeftijd van de persoon, het jaar waarin het portret werd gemaakt en de schilder die het vervaardigde. Links van het hoofd lezen we: ‘ANo DNI 1574’: en rechts: ‘ÆTATIS · SVÆ . 35’. Onder de woorden rechts lezen we de letters CK (monogram van Cornelis Ketel). Aan dit soort informatie hebben we wat! Het scheelt weer heel wat kunsthistorisch onderzoek. Alleen de naam van de man ontbreekt nog. Het was echter ook niet heel erg moeilijk om achter zijn identiteit te komen.

De man is tot aan zijn heupen afgebeeld staand bij een tafeltje. In de rechterhand houdt hij een brief en de linkerhand ligt op  zijn heup. Op tafel liggen papier, een pen en een inktpot en een opengeklapt zakhorloge. Op de binnenzijde van het deksel van dat horloge links op het tafeltje zien we het wapen van Adam Wachendorff.

Samenvattend: Adam Wachendorff was in het Jaar des Heren 1574 35 jaar oud toen hij werd geschilderd door Cornelis Ketel (Gouda1548 - Amsterdam1616). In 1573 trok de kunstenaar naar Londen waar hij tot 1581 onder andere voor het Engelse hof werkte. Daarna vestigde hij zich definitief in Amsterdam. In Londen zal hij ook het portret van Adam Wachendorff hebben geschilderd. Wachendorff was namelijk secretaris van het Londense kantoor van de Hanze, een handelsverbond tussen kooplieden uit aanvankelijk Duitse steden. In Nederland waren het vooral kooplieden uit handelssteden langs de IJssel die zich aansloten bij het Hanzeverbond.

In tegenstelling tot Meisje in het blauw roept dit kunstwerk niet direct de sensatie op van 'wat een mooi portret!'. Het is echter wel het uitgangspunt voor een interessant kunsthistorisch verhaal. Overigens laat Cornelis Ketel op andere schilderijen zien een goed portretschilder te zijn.

 

De bellenblazende putto op de keerzijde van het schilderij

Keerzijde van Portret van Adam Wachendorff, Homo Bulla


Het gaat mij in dit artikel niet om Adam Wachendorff of Cornelis Ketel. Het portret is slechts een aanleiding om stil te staan bij de keerzijde van het portret. Bij het achterhalen van de betekenis van de achterkant van het schilderij zal slechts een enkel element van de voorzijde een rol spelen. De voorstelling aan de voor- en achterkant is op hetzelfde paneel geschilderd. Het schilderij is in het Rijksmuseum echter zo opgehangen dat wij ook de keerzijde ervan kunnen zien.

  

Adagia en het Bijbels Humanisme: Homo Bulla                                           Op de achterzijde staat een putto in een landschap. Hij houdt een rietje in een bakje en met gebolde wangen blaast hij zijn adem door het rietje in het zeepsop in de schelp. In de schelp vormen zich zeepbellen. Een en ander houdt verband met de Griekse woorden in de bovenrand van het paneel. Daar zien we de spreuk die vooral in het Latijn bekend werd: Homo Bulla: de mens is als een zeepbel / luchtbel. Een metafoor uit de klassieke  oudheid die Erasmus opnam in Adagia, een verzameling van vooral Griekse en Latijnse spreuken, spreekwoorden en wijsheden die hij door middel van korte beschouwingen in overeenstemming brengt met de christelijke theologie. Deze handelswijze is een goed voorbeeld van het humanisme: (heidense) klassieke filosofie in overeenstemming brengen met de christelijke leer. Erasmus is een van de grote vertegenwoordigers van het Bijbels humanisme. Deze stroming vormde de belangrijkste filosofische basis voor de Renaissance van de 15de en 16de eeuw. In tegenstelling tot de middeleeuwse theologie vond men dat de bestudering van de Bijbel moest samengaan met de studie van (niet christelijke) teksten uit de Klassieke oudheid. Het mens-zijn werd centraal gesteld. Humanisten uit de periode van de Renaissance vroegen zich af: 'wat is goed en wat is slecht'. Hoe moet je leven? Goed onderwijs en een goede opvoeding waren daarbij cruciaal.

 

Erasmus’ Adagia was een populair boek in de Renaissance en de invloed, ook op de beeldende kunst was groot. Vanaf de eerste uitgave (1500) bleef de humanist nieuwe uitgaven verzorgen. Bij zijn overlijden had hij 4658 adagia verzameld en besproken. Onder het trefwoord ‘Homo Bulla’ schreef hij een kort commentaar waarmee hij zijn lezers  de betrekkelijkheid van het leven trachtte te laten inzien. Zo schrijft hij “… er is niets lediger, breekbaarder of vluchtiger dan het menselijk leven, dat daarom lijkt op een luchtbel die even snel opkomt als verdwijnt.” Het beeld van de mens als zeepbel of luchtbel werd een van de mogelijkheden waarvan de christelijke kunst zich kon bedienen om de kortstondigheid van het aardse leven bij de mensen in herinnering te roepen en om erop te wijzen dat al het aardse vergankelijk is.  

We zullen zien dat men vanaf de zestiende eeuw in de voorstelling van dat bellenblazende jongetje een ernstige waarschuwing herkende. Adam Wachendorff nam de waarschuwing ter harte: Op de lijst rondom het bellenblazende jongetje vernamen we al dat het leven op aarde kort is, het kan elk moment als een zeepbel uit elkaar klappen. We zullen zien dat het horloge aan de voorzijde verwijst naar de alsmaar doorlopende tijd op aarde; de tijd die wij hebben is eindig, gebruik hem goed. Na de dood is het afgelopen met de tijd. Op het ‘einde der tijden’ maakt de tijd plaats voor de eeuwigheid. Het hangt af van iemands gedrag op aarde of men dan voor eeuwig in de hemel of in de hel moet verblijven.

Met de opdracht rond het portret op de voorzijde spreekt Adam Wachendorff uit zich te laten leiden door het woord van God en alles wat hij de mensen ten voorbeeld heeft gesteld. Memento mori: ‘gedenk dat je zal sterven’, laat het leven op aarde goed zijn opdat het leven na de dood niet een eeuwige afstraffing zal zijn. "Een wijs mens denkt veel na over de dood. Iemand die altijd aan geluk denkt is een dwaas." (Prediker 7:4) 

 Hendrick Goltzius, Homo Bulla, monogram en datum, rechtsonder:

‘HG / 1594’, gravure, plaatrand: 213 × 157 mm.,

Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam

 

De gravure van Hendrick Goltzius is een allegorie op de vergankelijkheid. Midden onder de prent staat in het Latijn: QVIS EVADET?: Wie zal eraan ontsnappen? Daaronder een vierregelig vers in het Latijn: ‘Flos nouus, et verna fragrans argenteus aura / Marcescit subitò, perit, ali, perit illa venustas. / Sic et vita hominum iam nunc nascentibus, eheu, / Instar abit bullae vaniq. elapsa vaporis. F. Estius’: “Een nieuwe bloem en de geurige zilveren bries van de lente / Vervaagt plotseling er is niets aan te doen aan die schoonheid die vervalt. / Dus ook het leven van mensen die nu geboren worden, zal helaas / verdwijnen als een zeepbel [!] die opgaat in de lucht. F. Estius. Met 'F. Estius' wordt Franco Estius bedoeld, een humanistische dichter die tussen 1580-1594 Latijnse verzen schreef voor prenten van Hendrick Goltzius. De in het versje genoemde bloem en zeepbel worden op de prent in beeld gebracht.  

Op de gravure leunt een putto met zijn arm op een menselijke schedel, het symbool bij uitstek dat verwijst naar de kortstondigheid van het leven op aarde. 'QVIS EVADET?': Wie zal er aan [de dood] ontkomen? De putto draagt in zijn linkerhand een schelp met daarin wat zeepsop. Met het rietje in zijn andere hand heeft hij wat sop opgenomen en heeft de zeepbellen in de lucht geblazen. Niet lang daarna zullen zij uit elkaar spatten. De lucht in de zeepbel gaat op in de lucht: Homo Bulla: de mens is als een zeepbel, slechts gevuld met lucht. De mens zal net als die frisse lentebloem (linksonder) verwelken en sterven en net als die rook uit de rookpot in de lucht opgaan: er blijft niets van over. Bij het zien van de rookpot komen de woorden van Jacobus bij ons op: “Je bent als een rookwolk, die even verschijnt en dan weer verdwijnt." (Brief van Jakobus 4:14)

De gravure van Goltzius moeten we opvatten als een allegorie op Vergankelijkheid: ‘Vanitas vanitatum, omnia vanitas’: IJdelheid der ijdelheden … en zie alles is ijdelheid en niets meer dan lucht en het najagen van wind. (Prediker 1: 1-14). Het is niet veel meer dan ijdele vluchtige lucht, voordat je het weet is het verdwenen. Het blindelings najagen van aardse zaken als luxe etentjes, mooie kleren, vrijpartijtjes, rijkdom, macht, succes en andere zaken die het leven plezierig kunnen maken is niets anders dan ijdelheid en leegheid. We hebben er helemaal niets aan wanneer we sterven en Gods definitieve afrekening komt: memento mori: gedenk te sterven. 

Christoffel van Sichem, Homo Bulla, gravure in Nieuwen ieucht spieghel,

ca. 1620.

De gravure van Christoffel van Sichem is grotendeels overgenomen van de gravure van Hendrick Goltzius.

detail gravure van Christoffel van Sichem, Homo Bulla 


Vanaf Adagia van Erasmus ontwikkelt het bellenblazen zich in de beeldende kunst tot een bekend en een buitengewoon veelvoorkomend symbool dat verwijst naar de vluchtigheid van het menselijk leven. Een en ander wordt duidelijk wanneer we op die zeepbel rechts van het knuisje van de jongen het Latijnse woord ‘Homo’: 'mens' zien staan. De zeepbel die gevuld is met lucht is een verwijzing naar de mens die elk moment uit elkaar kan klappen en in de lucht verdwijnt.

 

De ontwikkeling van het thema van de bellenblazende putto en het vanitasstilleven

Ik sluit niet uit dat er vroegere voorstellingen dan die van Cornelis Ketel van een bellenblazende putto zijn. Ik heb er echter geen kunnen vinden. Laten we de ontwikkeling van de beeldtraditie van het motief na het schilderij van Cornelis Ketel in vogelvlucht volgen.


Overeenkomstig de smaak van de zestiende eeuw zijn de drie vroege voorstellingen van het thema die hierboven werden behandeld nog onverhuld allegorisch van aard.

We zagen al dat Hendrick Goltzius een aantal elementen toevoegde aan de allegorische voorstelling van de bellenblazende putto op de achterkant van het portret van Adam Wachendorff. Zo zagen we naast de schedel en de luchtbellen alledaagse zaken als bloemen, luchtbellen en een rookpot die een betekenis kregen die verwijst naar de kortstondigheid van het leven op aarde. De teksten op de voorstellingen bevestigen dit. We zullen zien dat er nog heel wat betekenisvolle objecten bijkomen die we kennen uit de huiskamers in de woningen van welgestelde burgers uit de Nederlanden van de zestiende en zeventiende eeuw. Die zaken worden opgenomen in een bepaald type stilleven waarin alledaagse dingen vaak een symbolische lading kregen die verwijst naar de tijdelijkheid en ijdelheid van het leven op aarde.

We zullen zien dat we de verwijzingen naar de vluchtigheid van het leven tegenkomen op een bepaald type stilleven waarin ook zeepbellen werden opgenomen: het zogenoemde vanitasstilleven. In dit genre kunstwerken zien we objecten die moeten herinneren aan de onontkoombaarheid van de dood en aan de vergankelijkheid van wereldse genoegens. De schilderijen moeten de beschouwer herinneren aan het eindige van zijn leven. Uiteindelijk komen we de bellenblazende jongen ook tegen binnen het kader van zogenoemde genrevoorstellingen, in voorstellingen van het leven van alledag. 


Jan Provoost, Portret van een franciscaanse monnik, met op de keerzijde een schedel in een nis, olieverf op paneel: 50 x 40 cm., 1522,

Hospitaalmuseum - Sint-Janshospitaal, Brugge

 

Op de lijst aan de keerzijde van het portret van een franciscaanse monnik schilderde de Vlaamse kunstenaar Jan Provoost (ca.1463-'65 – 1529) onder de schedel: penser a, denk aan (de dood). De dood wordt voorgesteld door een schedel. Onder en boven de schedel zien we dobbelstenen die zouden kunnen verwijzen naar de wisselvalligheden van het levenslot. De muziektonen aan de bovenkant komen we vaker tegen op vanitasstillevens. Al vlug nadat de muziek te horen was gaat het geluid op in de lucht; het enige dat rest is stilte, er blijft niets van over.

Net als op de achterkant van het portret van Adam Wachendorff, wordt de franciscaanse monnik op de keerzijde van zijn portret erop gewezen eraan te denken dat hij sterfelijk is.


 Bartholomeus Bruyn de Oude, Vanitas, olieverf op paneel: 61 x 51 cm., 1524, Kröller-Müller Museum, Otterlo 


Opschrift in het Latijn: Omnia morte cadunt, mors ultima linia rerum: Alle dingen gaan voorbij door de dood, de dood is de laatste regel.

De opvallende vlieg op de schedel verwijst ook naar de kortstondigheid van het menselijk leven. We moeten dan denken aan een eendagsvlieg die niet kan eten en drinken. Het insect sterft daarom soms al na enkele uren of een enkele dag. In feite kan het dier zich alleen maar voortplanten. Direct daarna sterft het mannetje. Het vrouwtje treft hetzelfde lot nadat zij haar eitjes heeft gelegd. Eendagsvliegen zien er echter wel anders uit dan de vlieg op het schilderij. Wellicht moeten we bij deze bromvlieg eerder denken aan het feit dat het dier een aaseter is. De menselijke schedel is volledig kaal gevreten. We zagen al dat een schedel een vanitassymbool is dat verwijst naar ijdelheid en de tijdelijkheid van het leven op aarde. De kaars en kandelaar zijn nadrukkelijk aanwezig. De kaars is nog maar net uit, het lontje gloeit nog na. De gedoofde kaars is een motief dat we geregeld op vanitasstillevens tegenkomen. Het wijst erop dat het levenslicht dat wij vanaf onze geboorte op aarde zien is gedoofd.

 

Edwaert Collier, Vanitasstilleven met boeken, manuscripten en een schedel, olieverf op paneel,1663 (verblijfplaats onbekend)

 

Edwaert Collier (1642-1708) is een Nederlandse kunstenaar die bekend werd met zijn vanitasstillevens en trompe-l’oeils. De klimopkrans rondom de schedel verwijst naar de overwinning die de dood op het leven heeft behaald. Het lijkt erop dat de schedel zijn tanden zet in het bot van een dijbeen. Rechts ligt een fluit en in de linkerhoek van de tafel een opengeslagen muziekboek. Deze voorwerpen verwijzen naar de vluchtigheid van muziek die vervliegt in de lucht, zo gaat het ook met het menselijk leven op aarde.  

detail Edwaert Collier, Vanitasstilleven


Op de voorgrond ligt een opengeslagen zakhorloge. We zagen dit motief al op het Portret van Adam Wachendorff. Het verwijst naar het verstrijken van de tijd die de mens nog rest. We weten niet wanneer de dood iemand zal overvallen; ben voorbereid op dat moment: memento mori! Het omgevallen glas is ook een veel voorkomend motief op een vanitasstilleven. Het kwetsbare glas verwijst naar de eindigheid en de broosheid van het leven. 

 Niet gedocumenteerd vanitasstilleven


Op dit stilleven zien we een aantal bekende motieven die verwijzen naar de kortstondigheid van het aardse leven: de uitgedoofde kaars waarvan de lont nog gloeit, de schelp met het rietje, het zeepwater en de zeepbellen en het horloge. Kostbare objecten als het horloge, de indrukwekkende kandelaar en de in goud gevatte sierschelp kunnen ook verwijzen naar ijdele pronkzucht. Ze benadrukken de ijdelheid en daarmee de zinloosheid van materiële rijkdom.

Op het vanaf de tafel naar beneden hangende papier lezen we: NEMO ANTE MORTEM BEATUS DICI POTEST: Niemand kan vóór de dood gezegend worden genoemd.

Frans van Everbroeck (ca. 1628 - tussen 1676 en 1693) Memento mori,

olieverf op doek 59x76 cm., tussen 1654 en 1672, verblijfplaats onbekend


Ook op dit vanitasstilleven zien we een aantal bekende motieven: de schedel, het bakje met zeepsop en de zeepbellen. De zandloper zagen we nog niet, maar komt ook vaak voor op vanitasstellevens. Net als de zandloper die de tijd als fijne zandkorrels laat doorlopen loopt de tijd door, we worden steeds ouder en de tijd die ons rest wordt steeds korter. De personificatie van de Dood wordt daarom geregeld met een zandloper afgebeeld. Ook dit schilderij herinnert de beschouwer aan de kortstondigheid van zijn leven. Op het van de tafel afhangende papier lezen we in welke zin we de spullen op tafel moeten interpreteren: MEMENT MOR. De gouden muntstukken op tafel en de boeken wijzen op de ijdelheid van rijkdom en van de uit boeken opgedane kennis. Na de dood heb je er niets meer aan.

Personificatie van de dood met een zandloper, een zeis, een schop en een doodskist, houtsnede: 67 mm × 57 mm., 17de eeuw,

Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum, Amsterdam


David Bailly, Vanitasstilleven met portret van een jonge schilder, olieverf op paneel: 118 x 150 cm., 1651, Museum De Lakenhal, Leiden


Het schilderij is mengvorm van een vanitasstilleven en een vanitasportret.

David Bailly  (ca. 1584-1657) had in Leiden vooral bekendheid verworven als portretschilder en als schilder van stillevens. Een jaar geleden was op de tentoonstelling David Bailly – Tijd, Dood en IJdelheid in Museum De Lakenhal goed te zien dat Bailly schitterende portretten heeft gemaakt en de voorwerpen op zijn schilderijen bedrieglijk echt kon schilderen.


Vooral omdat het erop lijkt dat David Bailly het hele arsenaal waarover een vanitasschilder kon beschikken op dit schilderij heeft benut, wordt het wel het meest ultieme schilderij in zijn soort genoemd.

Er is flink gespeculeerd over de identiteit van de man links op de voorgrond en de twee portretten in de medaillons op tafel. In de catalogus Het Nederlandse Stilleven 1550-1720 (1999) wordt naar mijn gevoel de definitieve oplossing geboden. De man met de schilderstok zou de schilder David Bailly (ca. 1584-1657) zelf zijn op jeugdige leeftijd. Zijn hand rust op het portret van de man die een stuk ouder is. Dat zou eveneens David Bailly zijn die op het moment dat hij het schilderij maakte 67 jaar was. De gelaatstrekken van de twee komen inderdaad overeen. De bijzondere nadruk die Bailly zou hebben gelegd op zijn eigen ouder worden treffen we op deze manier voor zover ik weet op geen enkel ander vanitasschilderij aan, maar het past erg goed binnen de bedoeling van een vanitasschilderij.                                        

De vrouw is de overleden echtgenote van David Bailly. Ook zij zou, net als haar man op jeugdige leeftijd zijn afgebeeld en net als haar man wordt zij nog een tweede keer afgebeeld! Met dezelfde gelaatstrekken herkennen we haar als overledene, als een grauwe schimachtige gestalte achter het hoge glas. Ook de manier om haar als overledene voor te stellen sluit uitstekend aan bij de vanitasgedachte van het gehele schilderij: vrijwel alle objecten op het schilderij zijn erop gericht de beschouwer te laten inzien dat het leven op aarde slechts tijdelijk is.

Achter de bovenkant van het hoge glas doemt de overleden vrouw op als een vage schim. Een dergelijke manier van voorstellen kan er inderdaad op wijzen dat zij is overleden.


We zien op het schilderij een flinke hoeveelheid kostbare pronkstukken en daarnaast heel wat zaken die binnen de context van het schilderij moeten worden opgevat als ijdelheid. Zij kunnen de geportretteerde kunstenaar en de beschouwer herinneren aan de tijdelijkheid van het bestaan …

… en mocht de beschouwer dat nog niet doorhebben dan laat de tekst op het papier rechtsonder geen twijfel over de strekking van de boodschap: VANITAS VANIT(AT)UM ET OMNIA VANITAS. Het schilderij zit vol met toespelingen die wijzen op datgene wat Prediker de mensen voorhoudt.


Rondom het medaillon met het portret van de jonge vrouw en de voorstelling van haar schim zien we een aantal zeepbellen. De schim verschijnt achter een glas met verschaald bier, al het schuim, de lucht, de kleine bubbeltjes, de smaak: het leven is eruit verdwenen. De kaars in de kandelaar die voor haar medaillon staat is uitgedoofd. Boven het medaillon van de vrouw zien we de oranje vonk van de uitgedoofde kaars. Daarboven walmt de lont, maar ook de rookpluim zal in de lucht opgaan en voorgoed verdwijnen.

De fluit achter het medaillon met de oudere man en de geschilderde gravure die als gravure naar de Luitspeler van Frans Hals van de hand van David Bailly nog bekend is moeten verwijzen naar het vervagen van muziek in de lucht. Na een enkele tel nagalmen blijft ook daar niets meer van over. De fraaie bloemen met hun heerlijke geur, de stengels die gaan hangen, de kelken die verwelken, hun mooie kleuren verdwijnen en hun geur en schoonheid vervliegen. We horen de tekst uit Boek Job: "De mens, geboren uit een vrouw is kort van dagen en zat van onrust. Als een bloem ontluikt hij, groeit op en verwelkt. Als een schim vliet hij heen en houdt geen stand. (Job 14: 1-2) In de Iconologia (1644) schrijft Cesare Ripa: ‘’En met recht wort ons leven met een bloem vergeleken, die wel schoon en aangenaam is, maar zij verflenst en verdort vaak nog diezelfde dag.”

Voor het boek ligt op de voorgrond een pijp. De broosheid van kalken pijpen of kleipijpen was berucht. Wij kennen het gezegde ‘de pijp uit gaan’ dat ‘sterven’ betekent. Wanneer de dood zich aankondigt realiseren wij ons pas dat wij aan al die kostbaarheden en aardse geneugten niets meer hebben.  

Op de voorgrond ligt een omgevallen glas. Bij het omvallen van het glas (alleen goed te zien in het museum) is de meeste wijn  uit het glas gelopen. Het breekbare glas verwijst sowieso naar de kwetsbaarheid van het leven. Cesare Ripa: “Terecht is des Mensen hope een broos glas, en derhalve is ook het leven kort.” De rode wijn ligt niet alleen over het tafelkleed maar is ook over een deel van de kostbare parelketting gevallen. Vooral de parels direct links onder de papierrol zijn door de rode wijn aangetast. David Bailly wilde er met de al rood geworden parels op wijzen dat het kostbare bezit net als het leven als sneeuw voor de zon kan verdwijnen. De schilder wilde met dit beeld waarschijnlijk het verhaal van Cleopatra oproepen. De Egyptische koningin hield er een dure, extravagante en verkwistende levensstijl op na. Het verhaal dat zij haar buitengewoon kostbare parels in de wijn liet vallen om haar tafelgenoot en geliefde Marcus Antonius te imponeren met het serveren van zo'n kostbare wijn zoals hij die nog nooit had gedronken. De parels verpulverden vrijwel direct. Daarna werden de glazen met de nu buitengewoon kostbare wijn leeggedronken.                                               Ook ander kostbaarheden als gouden en zilveren muntstukken, het beeldhouwwerk van beroemde kunstenaars, de snuisterijen die op de tafel liggen verzameld zijn natuurlijk wel mooi en aardig, maar ze verwijzen op het schilderij naar de ijdelheid en de eindigheid van ons aards bezit en de zekerheid van de dood… waarmee de schilder maar wil zeggen: alles gaat voorbij, niets blijft over.


Schijnrealisme                                                                                  In de Catalogus bij de tentoonstelling Rembrandt en zijn tijd introduceerde Eddy de Jongh de term ‘schijnrealisme’. Deze vorm van realisme komt erop neer dat een allegorische voorstelling als de bellenblazende putto wordt opgenomen in genretaferelen. Dat zijn schilderijen die de indruk wekken het leven van alledag op een realistische manier in beeld te brengen. De term ‘schijnrealisme’ is op zijn plaats wanneer een allegorische of symbolische figuur als de bellenblazende putto wordt opgenomen in zo’n alledaagse voorstelling. Het is dan geen bloot jongetje die bellen blaast, maar een jochie in alledaagse kleding dat bellen blaast. Het uiterlijk van de allegorische figuur is dan weliswaar veranderd, maar de betekenis blijft dezelfde.                                     

In september 1976 opende in het Rijksmuseum de spraakmakende tentoonstelling Tot Lering en Vermaak, Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw. Eddy de Jongh was gastconservator. Die tentoonstelling was een enorme verrassing voor de bezoekers. Voor het eerst kon een groot publiek massaal kennisnemen van de opvatting dat er achter veel van die realistische genrevoorstellingen een diepere boodschap schuil gaat. In mijn studietijd vond ik het wel interessant te studeren aan het Kunsthistorisch instituut Utrecht waaraan Eddy de Jong als hoogleraar Iconologie en Kunsttheorie was verbonden. Het leek er toen op dat 'ons' instituut het centrum van kunsthistorisch Nederland was.

Laten we eens kijken wat er in de catalogus van de tentoonstelling tot Lering en Vermaak wordt verteld over een schilderij van Jan Steen. De tekst hieronder is volledig gebaseerd op de tekst uit de catalogus bij de tentoonstelling.

 

Jan Steen, Toneel van de wereld / Het leven van de mens, olieverf op doek, 68,2 x 82 cm., ca. 1665, Mauritshuis, Den Haag


Jan steen laat de beschouwer op het schilderij een groep mensen zien alsof ze op een toneel spelen. Het enorme toneeldoek is opgetrokken om de beschouwer zicht te bieden op het levendige gedoe erachter. Bij Vondel komt dit beeld enkele malen terug: “De weereld is een speel toneel. Elck speelt zyn rol en kryght zyn deel.

Het veelkoppige gezelschap amuseert zich op verschillende manieren. De zintuigen die volgens een in de zeventiende eeuw nog gangbare opvatting de menselijke geest konden bezoedelen worden op allerlei manieren geprikkeld. Er wordt flink gedronken, gegeten en muziek gemaakt terwijl vrijwel iedereen blijkbaar ook in is voor een vrijpartijtje.

Om dat laatste te accentueren heeft Jan steen een overvloed aan oesters geschilderd. Behalve als lekkernij stond de oester bekend als een middel om de geslachtsdrift te stimuleren. Jacob Cats laat zich in een van zijn emblemen misprijzend uit over wat hij ‘minnekruiden’ noemt waartoe hij ook het ‘siltigh oestersap’ rekent.

In de linkerbenedenhoek is een vrouw oesters aan het klaarmaken. Ze heeft er al een aantal op een schotel gelegd. Iets verderop is rechts van haar een man bezig met een mes om de oesters van de schelp los te snijden. 

Het is onmiskenbaar dat de oester die de aanminnige grijsaard aan de jonge vrouw aanbiedt bedoeld is als een verleidingspoging, als teken van erotische begeerte. 

De stemming zit er goed in: aan tafel wordt een oester door een vrouw aan de luitspeler rechts van haar aangeboden. Rondom haar laten enkele mannen zich de drank goed smaken en links wordt er muziek gemaakt.    

 Om de seksuele connotatie nog wat meer te benadrukken heeft Jan Steen op de vloer nog een aantal eierschalen geschilderd. Ook eieren golden indertijd als een middel om seksuele verlangens te stimuleren.

Jan Steen heeft niet nagelaten dit collectieve najagen van de aardse geneugten van een ernstig tegenwicht te voorzien. Boven het vrolijke gezelschap, helemaal aan de linkerkant van de vliering, ligt een jongen bellen te blazen. Naast hem ligt een schedel. Zoals we al hebben gezien wordt hiermee naar de sterfelijkheid van de mensen verwezen.

Het ogenschijnlijk alleen maar spelende jochie is de sleutel voor een goed begrip van het schilderij. Het beeld houdt de beschouwer voor, zich niet al te veel met aardse geneugten in de laten. Men kan zich in zijn gedrag beter op meer verheven geestelijke zaken richten want het leven zal eens, net als de zeepbellen uit het pijpje van de jongen op de vliering uit elkaar klappen.

Het is duidelijk dat het uiterlijk van onze bellenblazende putto op de achterkant van het portret van Adam Wachendorff weliswaar is veranderd in een jochie in alledaagse kleding. Zijn voorkomen kan dan wel veranderd zijn, het karakter, de aard en het wezen van de figuur blijven hetzelfde.


Vrouw Wereld

Toegeschreven aan Pieter Balten, (Nederland, Antwerpen 1526/27–1584 Antwerpen), Den Dans des wereld (titel links bovenaan), gravure: 324 x 40,7 mm., midden 16de eeuw, Metropolitan Museum of Art, New York


Op de gravure danst een groep mannen rondom Vrouw Wereld. Zij heeft als belangrijkste attribuut een wereldbol op haar hoofd. Een nar komt onder het kleed van de vrouw vandaan. Hij draagt een masker in de hand. Dit verwijst naar het bedrieglijke karakter van de vrouw. Zij probeert de mensen met fraaie voorspiegelingen te laten kiezen voor verderfelijke zaken. Maar het vrolijke leven dat zij aanbiedt is uiteindelijk niet veel meer dan waardeloos gedroogd gras.

Vrouw Wereld staat op een gekroonde bundel hooi met daarop: 'VANITAS'. Het is IJdelheid die over de wereld regeert.


De uitdrukking die daarnaar verwijst is al bekend sinds 1470: ’T is al hoy, al waert noch so moy  (Het is allemaal waardeloos, al leek het nog zo mooi). In het Middelnederlandsch Handwoordenboek van Verdam wordt het woord 'hooy' of 'hoy' verklaard als 'hooi' en 'niets'. De betekenis van het woord hooi in de zin van de vergankelijk aards bezit en genoegens is terug te voeren op Psalm 103: "De mens - zijn dagen zijn als het gras, hij is als een bloem die bloeit in het veld en verdwijnt zodra de wind hem verzengd; de plek waar hij stond kent hem niet meer." (Psalm 103: 6-8). Bij Jesaja wordt dit min of meer herhaald: "De mens is als gras en in al zijn schoonheid als een bloem des velds. Het gras verdort en de bloem verwelkt wanneer de adem van de Heer erover blaast. Ja als gras is dit volk. Het gras verdort en de bloem verwelkt, maar het woord van God houdt altijd stand" (Jesaja 40, 6-8)." In deze teksten wordt verwezen naar de vergankelijkheid van de mens. Het is duidelijk dat het hooi staat voor nietigheid en ijdelheid in de betekenis van vergankelijkheid.

De kolom met tekst aan de linkerkant van de gravure is in het Middelnederlands. Ik heb nogal wat kunstgrepen moeten toepassen om de tekst enigszins leesbaar te maken.

We lezen vanaf linksboven in de eerste vier regels: "Och velen die hier dansen maken plezier (Jolijt) omdat de Wereld die fraaie dingen (Schoonen Saecken) biedt: het zijn maar luchtbellen (Bobbele, bubbels) vol met wind die u vrolijk maken, maar als hooi (Hoij) en 'Roock',vergaart ('Verghaer'(t)" In de tekst worden verder kwalijke zaken als 'Nijt' (Jaloezie), huichelarij ('Huijghelspel'), 'Dronckenschap' en dwaasheid ('sotheijt') genoemd. Luister naar Salomons spreuken: God straft en slaapt niet, (Hij ziet wat de mens aan goeds doet), wanneer gij vooral (meest) vreedzaam leeft. ('Sit in Vreden': in vrede verkeert).


Op de gravure presenteert Vrouw Wereld heel chique als ware het iets heel bijzonders, op een schoteltje een luchtbel aan ... in feite heeft zij niet meer te bieden dan gebakken lucht!!


In de catalogus Tot Lering en Vermaak wordt een en ander in verband met een schilderij van Jan Miense Molenaer uitvoerig besproken.

Jan Miense Molenaer, Vrouw Wereld, olieverf op doek: 102x127 cm., 1633,

El Museo de Arte de Toledo, Spanje


De gravure van Pieter Balten(?) maakte al duidelijk dat de allegorische gestalte van Vrouw Wereld niet veel goeds met de mensen voor heeft. De tekst onder de gravure maakt duidelijk dat zij gold als personificatie van alles dat de mensheid aan kwaad en zonde in de wereld heeft voortgebracht. Zij wordt in verband gebracht met zonden als schijn en bedrog, wellust, ijdelheid en hoogmoed. We zagen dat zij op de gravure uit het het midden van de zestiende eeuw op een allegorische manier werd voorgesteld met een wereldbol op haar hoofd.

Een kleine honderd jaar later heeft zij dat attribuut nog steeds, maar het is naar de smaak van die tijd opgenomen binnen de context van het realisme van een genreschilderij. Het lijkt erop dat de vrouw haar belangrijkste attribuut niet draagt. Dat zou ook afdoen aan het realisme van de voorstelling. Maar dat realisme is maar schijn! Wanneer we op de muur achter haar kijken zien we een uitgeklapte wereldkaart. Een van de 'wereldbollen' bevindt zich boven het hoofd van de vrouw.

De spiegel die zij in haar handen houdt en het feit dat haar haren mooi worden gekapt verwijzen naar haar ijdelheid en uiterlijk vertoon. De vele muziekinstrumenten en de schedel die zij zo achteloos als voetenbankje gebruikt verwijzen naar de tijdelijkheid van het leven. Het aapje rechts onderaan kan natuurlijk verwijzen naar het feit dat de dieren als huisdier werden gehouden. Binnen de context van het schilderij moeten we er echter aan denken dat de aap in de emblemataliteratuur naar voren komt als afspiegeling van de menselijke natuur in haar meest gedegenereerde vorm. De geketende aap gold als een beeld van de mens die zich vrijwillig en met veel plezier tot zonden had laten verleiden en niet bereid was zich uit dat prettige aardse leven te bevrijden.

detail schilderij Jan Miense Molenaer


Ook op dit schilderij zien we dat er tegenwicht wordt geboden. Voor de fraaie jongedame staat een jongen in alledaagse kleding bellen te blazen. Hij wijst haar nadrukkelijk op de twee luchtbellen links van de twee snaarinstrumenten die aan de muur hangen. Evenals muziek opgaat in de lucht verdwijnen de luchtbellen in het niets. Dat liet Adam Wachendorff zich zestig jaar eerder ook al voorhouden: van het menselijk leven blijft slechts leegheid op aarde achter.



Gebruikte Literatuur

·  Cesare Ripa, Iconologia of Uytbeeldinghe des verstands, inleiding: Jochem Becker, Soest 1971, herdruk van de eerste Nederlandstalige uitgave: Amsterdam, 1644

· J. Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek, Den Haag, 1932

· E. de Jongh, Zinne- en minnebeelden in de schilderkunst van de zeventiende eeuw, Amsterdam-Antwerpen1967, p. 81-85

·  E. de Jongh, catalogus tentoonstelling Realisme en schijnrealisme in de Hollandse schilderkunst van de zeventiende eeuw, Brussel 1971, p.143-194

·  E. de Jong (voorwoord), Jan Baptist Bedaux e.a. (redactie), catalogus tentoonstelling tot Lering en Vermaak, Rijksmuseum 1976, p.45-47, p.176-179 en p. 236-239

·  Alan Chong & Wouter Kloek e.a., catalogus tentoonstelling Het Nederlands Stilleven, 1550-1720, Rijksmuseum Amsterdam, 1999

·  Nico Van Hout, catalogus tentoonstelling Vlaamse Primitieven, de mooiste tweeluiken, Brugge 2007, p.68-71

· Wikipedia: 'Adagia (Erasmus)', geraadpleegd 16-6-2024



P.S.

Om wat meer armslag te hebben om er af en toe enkele dagen op uit te trekken zullen de nieuwe artikelen gedurende de komende zomermaanden eenmaal in de twee weken verschijnen. Dit is mede ingegeven door het feit dat de artikelen in deze periode duidelijk minder worden gelezen.

Het eerstvolgende artikel zal op 29 juni verschijnen en naar mijn huidige planning zal na 21 september de regelmaat van een artikel per week weer worden hervat.

Mede namens Jantje wens ik u na al die regen een aantal mooie zomerdagen toe ... we hebben wat dat betreft allemaal nog wel wat te goed! 

 

Met vriendelijk groet,

Paul Bröker

224 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

1 Comment


barueck9
Jun 15

Heel veel dank voor dit interessante artikel

Like
bottom of page