top of page
  • Foto van schrijverPaul Bröker

Romeinse en Romaanse kunst in de Provence deel III: Fotoboek van een vakantie


  • reliëf aan de westzijde van de abdijkerk van Saint-Gilles-du-Gard


Inleiding

In de twee eerste artikelen van de reeks Romeinse en Romaanse kunst in de Provence stonden twee bouwwerken centraal: de Pont du Gard en het portaal van de Saint Trophime in Arles. Daar had ik het aanvankelijk bij willen laten, maar ik had nog een aantal foto’s over die ik tijdens de laatste reis naar de Provence heb gemaakt, van internet heb geplukt en ook foto’s die ik uit boeken heb verzameld. Zonde om daar niets mee te doen! Aan de hand van die foto’s brengen we vandaag korte bezoeken aan een aantal kloosters, kerken en kapellen die Jantje en ik tijdens onze laatste reis naar de Provence hadden gepland, maar ook soms toevallig onderweg zijn tegengekomen. Beschouw dit artikel maar als losstaande verhalen aan de hand van foto’s uit het fotoboek van een vakantie.

Ik vertel iets over aspecten die een gebouw bijzonder maken. Dat kunnen opmerkingen zijn over de stijl, het kloosterleven, maar ook het beeldhouwwerk dat de gebouwen siert … én we zullen wéér inspanningen zien waaruit blijkt dat men over goed water wenste te beschikken. De keuze voor een bepaald bouwwerk werd natuurlijk ook bepaald door het feit dat er kunsthistorisch iets aardigs over te vertellen is. En natuurlijk zal ik er weer op wijzen dat ‘Romaans’ ‘Romeins’ betekent; dat was immers een belangrijke rode draad in deze driedelige reeks over de Romeinse en romaanse kunst in de Provence.


Chapelle Saint-Marcellin de Boulbon

Boulbon met de Chapelle Saint-Marcellin, tweede helft 12de eeuw


De romaanse kapel Saint-Marcellin steekt vanaf de rotsen uit boven het Provençaalse dorpje Boulbon.

Kapel Saint-Marcellin in Boulbon


Toen wij in Boulbon aankwamen en het vrij steile laantje opliepen naar de kapel van de plaatselijke begraafplaats, gingen mijn gedachten even uit naar de begrafenisstoeten die ongetwijfeld ook af en toe zwoegend in dezelfde hitte als wij die dag ervoeren, naar boven moesten klauteren. Gelukkig bieden de dennenbomen aan weerzijden van het laantje enige beschutting.


Het laantje liep uit op een bescheiden pleintje. Rechts op de foto staat de muur die het pleintje scheidt van de begraafplaats. Aan het einde van de muur bevindt zich de toegang naar de begraafplaats die te bereiken is via de trap en het hek.


Kapel Saint-Marcellin van Boulbon, foto vanaf de begraafplaats


Wanneer de bezoeker het hek doorloopt moeten er nóg een paar treden beklommen worden. (Zie het trapgat links van de spitsboog.) Daarna lopen we tussen de muur van de uitbouw van de kapel en de spitsboog die zo’n twee meter van die muur af staat. De foto wekt de indruk dat die spitsboog tegen de muur van die uitbouw is gebouwd, maar dat is dus niet het geval. De trap komt uit tussen de vrij ondiepe spitsboog en de uitbouw.

Staande op de begraafplaats zien we aan de oostzijde van de kapel nog net de halfronde zandstenen apsis met uit de Romeinse tijd daterende elementen. De kapel is verder voor het grootste deel opgetrokken uit donkere hardsteen. De gevel van de kapel wordt ondersteund door vier steunberen.


Zuidelijk portaal van de kapel Saint-Marcellin van Boulbon


Het zuidportaal is verreweg het meest interessante onderdeel van de kapel. Het portaal heeft een rondboog met meerdere geledingen waarvan een met tandwieltanden. Dit is een decoratief element dat de romaanse bouwmeesters nu eens niet van de Romeinse architectuur hebben overgenomen! De oorsprong ligt in bouwwerken van de Omaijaden-architectuur in Spanje, met name van het kalifaat van Córdoba dat bestond tussen 929 en 1031. Dat kalifaat was een voortzetting van het emiraat dat al in 756 was gesticht. Boulbon was gelegen aan het westelijke deel van de Via Francigena, de weg die Turijn met Arles verbond en deel uitmaakte van het netwerk van wegen dat indertijd de vele Provençaalse pelgrimsplaatsen met elkaar verbond en deel uitmaakte van het grote netwerk van pelgrimsroutes in Frankrijk naar het graf van de apostel Jacobus in Santiago de Compostela. Pelgrims die ook geïnteresseerd waren in architectuur moeten onderweg enthousiast zijn geraakt over dat bepaald type boog dat zij tegenkwamen op hun weg naar het graf van Jacobus. Kenmerkend voor die boog zijn de versierende elementen die wat weg hebben van de tanden van een tandwiel. Dit type boog verspreidde zich in de Provençaalse romaanse architectuur en later ook wel over de rest van Frankrijk.

Detail van het zuidelijk portaal van de kapel Saint-Marcellin van Boulbon, met een deel van de archivoltboog met daarin bogen met de tanden die lijken op de tanden van een tandwiel.


Molen Het Prinsenhof met links het spoorwiel en rechts het steenrondsel


De tanden van een tandwielboog doen inderdaad wel denken aan de tanden van het spoorwiel dat een rad of een wiel kan laten draaien.


Het gaat natuurlijk maar om een klein detail, maar het is een kenmerkend element van de (Provençaalse) romaanse architectuur. Daarom hieronder nog een paar voorbeelden.


Voormalige Priorij van Marcevol: romaanse priorij, gelegen bij Arboussols


Westportaal van de priorijkerk van Marcevol met een boog met tandwieltanden


Apsis van de kerk Sainte-Marie de Cornelia-de-Conflent


In de bogen boven de vensters en het fries onder het dak herkennen we de tandwieltanden.


Église Saint-Martin d’Hix, 12de eeuw, in de buurt van Perpignant


Gedeelte van de apsis van de Martinuskerk van Hix met onder het dak een gebogen fries van tandwieltanden


Puerta de las Platerías aan de zuidelijke transeptarm van de kathedraal

van Santiago de Compostela, voltooid in 1103


En wanneer de pelgrim dan eindelijk in Santiago de Compostela aankwam zag deze natuurlijk ook het portaal aan de zuidelijke transeptarm … en wanneer hij onderweg al werd getroffen door de rondbogen met als versierend element de tanden van een tandwiel zal hij zijn/haar mede-pelgrims enthousiast hebben gewezen op de twee rondbogen, bovenin het portaal én in het rechte fries, nog net iets hoger in de gevel!


Église abbatiale de Saint-Gilles-du-Gard

Westgevel van de voormalige abdijkerk van Saint-Gilles-du-Gard, 12de eeuw


Op het plateau, op het hoogste punt van Saint-Gilles-du-Gard staat de middeleeuwse abdijkerk van Saint-Gilles.

Het legendarische levensverhaal van de heilige Gilles (Egidius) speelt zich af in de zevende-achtste eeuw. In die tijd zou de kluizenaar naar Rome zijn getrokken om de paus toestemming te vragen om op de plaats waar hij in een grot leefde een klooster te stichten. Na de toestemming van de paus ging Gilles terug naar zijn grot in de Provence en begon met de bouw van een eenvoudig kerkje. Vanwege de wonderen die aan de heilige werden toegeschreven groeide het aantal kloosterlingen en de kerk groeide mee. De huidige kerk stamt voor het grootste deel uit de eerste helft van de twaalfde eeuw. In de crypte worden de lichamelijke resten van de heilige bewaard.

De abdij was de eerste halteplaats voor pelgrims die op hun weg naar het graf van Jacobus de Via Tolosana volgden: de oude weg die liep van Arles, via Saint Gilles, Toulouse en Montpellier naar Puente La Reina in Spanje. Het was voor pelgrims een dure plicht in Saint-Gilles de relieken van de heilige te vereren.

De stad Saint-Gilles werd steeds groter en welvarender en ook de abdij werd machtiger en invloedrijker. Mede daarom werd de strijd van de katholieken tegen de katharen onder andere hier bloedig uitgevochten. Nadat de katharen massaal waren uitgeroeid was het nog niet gedaan met het geweld in de stad. Gedurende de 16de-eeuwse godsdiensttwisten én tijdens de Franse revolutie werd in Saint-Gilles veel vernield. Ondanks de verwoestingen is de westgevel van de kerk een van de mooiste voorbeelden van romaanse bouw- en beeldhouwkunst in Frankrijk.

We zagen in het artikel van twee weken geleden al dat de opbouw van het portaal onmiskenbaar is geïnspireerd op Romeinse triomfbogen. Ook het beeldhouwwerk van het over de gehele gevel doorlopende fries vertoont kenmerken van de Romeinse beeldhouwkunst.


Het sculpturale programma van de gevel volgt belangrijke momenten uit het leven van Jezus.

Bij het overzien van het beeldhouwwerk wordt duidelijk dat er tijdens de godsdiensttwisten moedwillig op het beeldhouwwerk is ingeslagen. Hieronder worden de fragmenten besproken die het best bewaard zijn gebleven.


Let vooral op een fundamenteel Romeins aspect in de romaanse kunst dat al in het tweede artikel van deze reeks werd besproken: de vorm van het gewaad en de manier waarop de plooien vallen worden bepaald door de houding en de beweging van het lichaam! Hierdoor is het lichaam onder dat gewaad goed te volgen. Dat is te zien op de foto van het reliëf hieronder.

Abdijkerk van Saint-Gilles, Jezus verjaagt de kooplieden uit de tempel, reliëf aan de rechterzijde van het fries tussen het portaal links en het middenportaal.


Na de triomfantelijke intocht in Jeruzalem ging Jezus naar de tempel. Daar waren handelaren druk in de weer met het aan de man brengen van hun koopwaar. De handel in offerdieren en devotieartikelen bij de ingang van gewijde plaatsen is een veel voorkomend verschijnsel bij veel religies. Jezus moest er niets van hebben! Hij ontstak in woede omdat door de aanwezigheid van geldwisselaars en veehandelaren het huis van zijn Vader, dat toch een plaats van gebed diende te zijn, de aanblik van een rovershol had gekregen (Matth. 21: 12-13). Hij jaagt de kooplieden de tempel uit.


Op de linker zijde van het reliëf herkennen we Jezus aan zijn kruisnimbus. Onder de kleding volgen we de krachtige stap voorwaarts die hij maakt in de richting van de mannen voor hem. Hij heft zijn arm dreigend op en duwt de handelaren voor zich uit.

De krachtige en zelfverzekerde houding van Jezus contrasteert met de angstige, enigszins ineengedoken houding van de kooplieden. De twee mannen vóór Jezus kijken bevreesd achterom en proberen aan zijn heilige verontwaardiging te ontkomen. Onder hun gewaad zien we precies de stand van de benen van de twee mannen rechts van jezus. Ook hun voorzichtige pas voorwaarts benadrukt hun angst.

De mannen worden als handelaar getypeerd. Zo heeft de eerste van links een koppeltje duiven in de handen en draagt de man voor hem een geldbuidel. Voor de groep mannen uit proberen ook de offerdieren, twee runderen, een ram en een schaap aan de harde hand van Jezus te ontkomen.

Abdijkerk van Saint-Gilles, Jezus wast de voeten van Petrus, reliëf van het fries aan de linkerzijde onder het timpaan in het midden


Ter voorbereiding op het Laatste Avondmaal stond Jezus van tafel op en begon met het wassen van de voeten van zijn leerlingen. Hij had een linnen doek om zijn middel gebonden om de voeten na de wasbeurt te drogen. Met deze onderdanige taak wilde hij zijn leerlingen erop wijzen dat het volgen van hem moet geschieden in een vorm van onderlinge dienstbaarheid. Door de voeten van zijn leerlingen te wassen, wilde hij de apostelen er ook op wijzen dat zij zouden worden uitgezonden om de mensen te dienen. Toen Petrus aan de beurt was, weigerde hij ermee in te stemmen dat zijn meester zich tegenover hem als knecht zou gedragen. Jezus maakte de apostel duidelijk dat wanneer Petrus bij zijn weigering zou blijven, hij niet in gemeenschap met hem zou zijn. Daarop reageerde Petrus impulsief! Hij wees Jezus er nu op dat hij het prima vindt dat zijn meester hem zijn voeten zou wassen en sprak: “Heer was dan niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd.” (Joh. 13: 4-11)

Op het reliëf van de Abdijkerk van Saint-Gilles buigt Jezus zich bijna knielend voorover om de voeten van Petrus te kunnen wassen. Hij heeft de doek om de voeten te drogen om zijn middel gebonden. Petrus zit op een stoel en Jezus houdt met de linkerhand het onderbeen van zijn apostel zodanig vast dat diens voet zich boven de kom met water bevindt. Met de rechter hand wast hij de wreef van de voet van zijn leerling. Jezus kijkt Petrus indringend aan en ziet dat de apostel met de hand naar zijn hoofd wijst. Sommige schrijvers wijzen erop dat Petrus zich lijkt af te vragen of zijn meester wel helemaal goed bij zijn hoofd is met wat hij nu aan het doen is. Dat is natuurlijk niet het geval! Met het gebaar brengt de beeldhouwer de woorden van Jezus nadrukkelijk in beeld: na de vermaning van Jezus maakt Petrus met zijn handgebaar duidelijk dat zijn meester niet alleen zijn voeten, maar ook zijn hoofd mag wassen!

detail van Jezus die de voeten van Petrus wast

Abdijkerk van Saint-Gilles, gebeurtenissen in de hof van Getsemane, reliëf op de rechterzijde van het fries tussen het portaal in het midden en het portaal aan de rechterkant


Toen Jezus voor de derde keer zijn leerlingen in hof van Getsemane in slaap aantrof zag hij Judas in de verte naderen. De apostel werd vergezeld door een groep met zwaarden en stokken bewapende joodse tempelbewakers. Judas had met die mannen afgesproken dat degene die hij bij wijze van groet zou kussen, dat dat de man is die zij gevangen moesten nemen. Nadat Judas Jezus met een kus had verraden wilden de mannen Jezus vastpakken. In een uiterste poging de gevangenneming van zijn meester te voorkomen trok Petrus zijn zwaard en sloeg daarmee een knecht van de opperpriester, een zekere Malchus (Joh.18: 10) het rechteroor af.


Rechts op het reliëf strekt Judas zijn lichaam uit naar Jezus om zijn verraderswerk te voltooien. Om zijn huichelachtigheid te benadrukken heeft de beeldhouwer de verrader zijn hand zogenaamd vriendschappelijk op de schouder van Jezus gelegd.

Het door het gewaad gesuggereerde uitgestrekte lichaam van Judas is goed onder de kleding te volgen. Zo volgen de plooien vanaf het bovenbeen én vanaf de rug tot aan de arm de beweging van het optillen van de linkerarm. Ook de stap voorwaarts die Judas naar Jezus maakt bepaalt de vorm van zijn kleed.

Rondom Jezus en Judas herkennen we aan de zwaarden en stokken (Matth. 26: 47) de soldaten die er door de tempelpriesters op uit waren gestuurd om Jezus gevangen te nemen.

Petrus pakt Malchus bij de keel en snijdt zijn oor af


Vrijwel geheel links op het fries met gebeurtenissen in de hof van Getsemane slaat Petrus hardhandig zijn hand om de keel van Malchus. Met de andere hand is hij bezig het oor van de man af te snijden.

Met het verwrongen gelaat, de uitpuilende ogen en de in een schreeuw vertrokken open mond van Malchus geeft de kunstenaar op expressionistische wijze uiting aan de angst, de pijn en de paniek van de soldaat.

Met enige chirurgische precisie is Petrus bezig met het afsnijden van het oor van Malchus. Petrus is de enige van de groep die zijn oogleden samenknijpt en het voorhoofd fronst. Daarmee geeft de kunstenaar uitdrukking aan de geconcentreerde manier waarop de apostel de handeling uitvoert.

Toch is Malchus nog in staat om een poging te doen om zijn zwaard uit de schede te trekken. Het zal hem echter niet baten! Alleen Jezus kan zijn problemen oplossen; hij raakt het oor van de man aan en geneest het (Luc. 22: 51), zijn laatste wonder als mens op aarde … als ik mij niet vergis! Jezus sprak daarop de onvergetelijke woorden tot Petrus: "Steek het zwaard terug, want allen die het zwaard gebruiken zullen er door omkomen." (Math: 26: 52)


Crypte met het graf van Saint Gilles


Het is de moeite om vanuit de kerk de fraaie wenteltrap af te gaan naar de crypte, eigenlijk is het meer een benedenkerk.

Tijdens de godsdiensttwisten was men bang dat de lichamelijke resten van de heilige Gilles vernield zouden worden. Daarom werden zijn relieken verborgen onder de vloer van de Crypte. Na verloop van tijd werd de precieze plaats blijkbaar vergeten. Nadat in 1865 bij restauratiewerkzaamheden het graf en het lichaam van Saint-Gilles werden herontdekt werd de ruimte opnieuw ingericht.


In de crypte bevindt zich deze waterput die door de monniken werd geslagen diep in de rotsen waarop het klooster is gebouwd. Ook het verhaal bij deze put herinnert aan de felle godsdiensttwisten die hier werden uitgevochten. Tijdens de vijandigheden werden de achttien nog aanwezige monniken door fanaten in de put geworpen. In een in de muur van de crypte ingemetselde vitrine worden hun botten getoond die in de put werden aangetroffen .


Abbaye Notre-Dame de Sénanque

Abdij van Onze-Lieve-Vrouw van Sénanque


Op de eerste volle dag van ons verblijf in Provence wilde ik heel graag met Jantje naar de cisterciënzer abdij van Sénanque. Tijdens het avondeten van de vorige dag haalde ik oude herinneringen op aan de vakanties in de Provence met ons gezin en de kinderen. Zo vertelde ik het onvergetelijke verhaal over een van de dochters van een bevriend stel. U moet dan weten dat wij vanaf een meertje bij Mormoiron, na een dagje zwemmen, zonnen en luieren besloten om naar het klooster van Sénanque te gaan om de Vespers bij te wonen. Dat werd dus snel, achteraf bleek té snel aankleden en de auto’s in. Wij genoten van de schitterende gregoriaanse gezangen van de monniken toen die dochter, toen zo’n vijf jaar, in haar kleurrijke zomerjurkje ineens uitriep: “Mama ik heb geen onderbroek aan!” Er waren toen veel Nederlandse toeristen in de Provence en gegniffel oversteeg een kort moment de ingetogen lofzang van de monniken!

Ik stelde Jantje ook een mooie autorit in het vooruitzicht door een fraai natuurgebied en tijdens de reis zouden we veel zogenoemde ‘bories’ (ook wel ‘borries’) tegenkomen. Dat laatste viel tegen! Die uit keien bestaande nachtverblijven van herders (vanaf de 15de-19de eeuw), werden zonder gebruik van mortel, kunstig in elkaar gezet. De koepel rust alleen maar op de stenen eronder! Veel van die bories zijn de afgelopen jaren legaal door een handige keten van tuincentra opgekocht en sieren nu voor het allergrootste deel de fraai ingerichte tuinen van grootse landhuizen waar de bories min of meer dienst doen als pittoreske tuinhuizen. We zijn er op onze weg naar het klooster welgeteld nog één in het veld tegen gekomen! Een tweede troffen we aan op onze weg naar Orange. Verder zijn we deze, tot voor kort voor het Provençaalse landschap zo typerende bouwwerkjes op onze reis nergens meer tegengekomen!


Borie met een architraaf boven de ingang

Borie met iets van een rondboog, opgetrokken uit verschillende segmenten.

Mooi hoe die oude bories zijn opgegaan in de natuurlijke omgeving.


Het landschap stelde verder gelukkig niet teleur. We doorkruisten het schitterende ruwe en woeste Plateau de Vaucluse, maar naarmate we het klooster naderden ging dat ruige gebied over in een veel vriendelijker landschap. We zullen zien dat dit goed aansluit bij een belangrijke opdracht die de cisterciënzer monniken hadden bij de stichting van een nieuw klooster.


Vanwege de rijkdom van veel kloosters startte vanaf 1098 een nieuwe kloosterorde een ascetische kloosterhervorming. Bernardus van Clairvaux (1090-1153) was een van de prominente en toonaangevende monniken van deze nieuwe orde: de cisterciënzers. De nadruk werd gelegd op absolute kuisheid, afzien van alle aards bezit en totale afzondering van de bewoonde wereld. De oorspronkelijke Regel van de heilige Benedictus (480-547) moest weer het uitgangspunt van het leven van de monniken worden. Dat betekende onder andere dat een nieuw klooster moest worden gebouwd in een afgelegen en woest en onherbergzaam gebied. De eerste zorg voor de groep monniken was de aanvoer van water naar de plaats waar zij waren neergestreken. Daarvoor moest vaak een bergstroom worden omgelegd naar de plaats waar de nieuwe abdij zou verrijzen. Daarna moest het woeste landschap ontgonnen worden om de grond geschikt te maken voor de bouw van het klooster en voor landbouw. De kloosterlingen moesten immers volledig selfsuporting zijn; men at alleen datgene dat zelf werd verbouwd! De Regel herinnerde de monniken aan de woorden van God tot Adam: “In het zweet van uw aanschijn zal gij uw brood eten.” (Gen. 3: 19)

U begrijpt dat de eerste jaren van zo’n abdij bijzonder zwaar moeten zijn geweest voor de eerste monniken in een gebied. Naarmate zo’n klooster groeide trok het ook veel mensen aan die in de nabijheid van zo’n klooster wilden wonen. Het gevolg was dat er nog grotere gebieden werden ontgonnen. Enfin, zo’n klooster staat vaak aan het begin van de eerste cultivering van een streek. Met de aandacht die de kloosterlingen voor de landbouw hadden werden er heel wat nieuwe landbouwtechnieken ontwikkeld en ook de ontwikkeling van gereedschap om de effectiviteit van de landbouw te vergroten ging in die tijd snel.

Ruïnes van de romaanse abdij van Mazan, dichtbij Carpentras


De bouw van het klooster van Sénanque begon vanaf 1148. Toen verscheen er in dit gebied een groep van twaalf monniken die er vanuit de moederabdij van Mazan op uit waren gestuurd om een nieuw klooster te stichten. Ook dat aantal van twaalf wordt genoemd in de Regel van Benedictus: in navolging van het aantal apostelen werden er steeds twaalf monniken op pad gestuurd om de bouw van een nieuw klooster te verwezenlijken en de plaatselijke bevolking tot het christelijk geloof te bekeren.


De monniken begonnen met het graven van een aftakking van de rivier de Sénancole. Er stroomt nog steeds een kanaaltje langs de gebouwen van het klooster. De naam Sénanque stamt van het Latijnse Sana Aqua, dat ‘gezond water’ betekent.

De abdijkerk van Sénanque


Wanneer we door de kloostergebouwen lopen krijgen we een vrij volledig beeld van een romaans cisterciënzer klooster. Het valt op dat de grondleggers van de abdij Bernardus’ afkeer van opsmuk goed hebben begrepen: niets mocht de monniken afleiden van hun gebed en meditatie! Daarom treffen we in het klooster geen versieringen en geen beeldhouwwerk aan; we zien pure romaanse architectuur zonder enige opsmuk. Bij het overzien van het overvloedige beeldhouwwerk aan de gevels van de abdijkerken in Arles en Saint-Gilles kunnen we daarom direct constateren dat wij daar niet te maken hebben met kerken van een cisterciënzer klooster! Toch is er in het klooster van Sénanque één uitzondering: in de kerk staat een beeld van Maria, de moeder van Jezus die Bernardus als zíjn spirituele moeder beschouwde!

Interieur van de kerk van het klooster van Sénanque. In de apsis staat links een beeld van Maria met Jezus.

Slaapzaal van het klooster van Sénanque


Het dormitorium (31 x 9 m.) bevindt zich precies boven het schip van de kerk, dat ook precies dezelfde afmetingen heeft. Vooral het enorme stenen tongewelf is een fantastische prestatie.


In de slaapzaal sliepen de monniken van het klooster op strobedden op de grond. De nachtrust werd een aantal keren onderbroken voor het gezamenlijk koorgebed. Via de trap konden de monniken vanuit hun bed direct de kerk bereiken. Ook het nachtelijk zingen werd bepaald door de Regel van Benedictus. Hierin wordt opgemerkt dat de monniken juist in de duisternis van de nacht met hun harmonieuze gezangen de disharmonie van het kwade, van de nachtelijke duivelse machten moesten overstemmen.

Kloostergang van de abdij van Sénanque


Kloostergang van de abdij van Sénanque


Gedurende de Franse Revolutie werden de monniken uit het klooster verdreven. De abdijgebouwen deden toen dienst als schuren van een boerenbedrijf. Vanaf 1988 wonen er weer cisterciënzer monniken in het klooster van Sénanque.


Église de Saint-Restitut

Zuidgevel van de kerk van Saint-Restitut (ten noorden van Orange), 12de eeuw


Onder de toren links van de kerk bevindt zich de crypte waar het lichaam van de patroonheilige van de kerk was bijgezet.

De kerk van Saint-Restitut heeft het robuuste aanzien van een verdedigingskerk. In feite zit er slechts één opening in de muur. Toen de kerk in de twaalfde eeuw werd gebouwd moet deze een welhaast onneembare veste zijn geweest. Het gebeurde indertijd wel vaker dat er kerken werden gebouwd waarin de bewoners van een stad ten tijde van geweld een schuilplaats konden vinden. Fraaie voorbeelden zijn de kathedraal Sainte-Cécile in de stad Albi en de kerk van Saintes-Maries-de-la Mer. Beide kerken hebben in het oog springende verdedigingselementen.

Verdedigingskerk van Saintes-Maries-de-la-Mer met rondom de gehele kerk kantelen. De kerk werd gebouwd om weerstand te bieden aan de plunderingen vanuit de zee op de stad en om de bevolking tot schuilplaats te dienen.


portaal in de zuidmuur van de kerk van Saint-Restitut


De opbouw van het portaal in de zuidmuur van de kerk van Saint-Restitut is volledig geïnspireerd op het middendeel van Romeinse triomfbogen. We zijn dit al uitgebreid tegenkomen in de eerste twee artikelen van deze driedelige reeks over Romeinse en Romaanse kunst in de Provence


Romeins kapiteel van het portaal van de Saint-Restitut



Prieuré du Val des Nymphes

Westzijde van de kapel van de Priorij van Onze-Lieve-Vrouw van de Vallei van de Nimfen


Let op de enorme luchtbogen en de steunberen die nodig zijn om de zijwaartse druk van het relatief kleine tongewelf op te vangen.

Zuidzijde van de kapel van de Priorij van Onze-Lieve-Vrouw van de Vallei van de Nimfen

Oostzijde van de kapel van de priorij van Onze-Lieve-Vrouw van de Vallei van de Nimfen.


De tot de verbeelding sprekende naam van de kerk én de vallei waar de priorij werd gebouwd gaat terug op een Gallo-Romeinse cultus rondom Keltische waternimfen. De halfgodinnen woonden rondom de nabij gelegen waterbronnen. De nimfen golden als de beschermers van de bronnen.

Om het cultoord te kerstenen werden op de plaats van het Keltische heiligdom christelijke kerken gebouwd. Daarvan zijn nog slechts enige fundamenten bewaard gebleven. In de elfde eeuw stichtten benedictijner monniken bij dit oude cultoord een priorij met de romaanse kapel die nog goed bewaard is gebleven.

Al wandelend door het gebied ziet u op tal van plaatsten in de ruime omgeving van de kapel water uit de rotsten sijpelen.

Het water werd door in de rotsen uitgehakte kanaaltjes naar de gewenste bestemming geleid.

Een van de waterbronnen in de Vallei van de Nimfen


Chapelle Saint-Quenin de Vaison-la-Romaine én

de Cathédrale Notre-Dame de Nazareth de Vaison-la-Romaine

Romeinse brug van Vaison-la-Romaine, hoogte: ca 17 m., breedte van de weg over de brug: ca. 9 m.

Wanneer u goed kijkt herkent u vast mijn reisgenoot wel die boven de balustrade van de brug uitsteekt.


Wanneer u vanuit Vaison-la-Romaine de Romeinse brug over de Ouvèze oversteekt en het pad aan de overkant van de weg oploopt komt u allereerst door een buitengewoon fraai min of meer middeleeuws plaatsje: de bovenstad van Vaison-la-Romaine met verrukkelijke doorkijkjes.


Kapel Saint-Quenin van Vaison-la-Romaine


Vanaf de bovenstad neemt u het pad de Bon-Ange. U maakt dan een aardig klimmetje om op het hoogste punt bij de 12de-eeuwse romaanse kapel te komen. De kapel werd gewijd aan Quenin. Deze patroonheilige van Vaison-la-Romaine was in de zesde eeuw bisschop van de stad. De kapel heeft een aantal Romeinse zuilen met Korinthische kapitelen die we op de foto zien aan de oostzijde van de kapel in de schaduw van de overstek van het dak. De zijwaartse druk wordt opgevangen door een aantal steunberen aan de zijkanten.

Saint-Quenin-processie in Vaison-la-Romaine (2020) met op de achterkant een deel van de zijmuur van de kathedraal.


In de Saint-Queninkapel van de kathedraal van Vaison-la-Romaine wordt de buste met relieken van de heilige bewaard. Jaarlijks wordt die reliekschrijn vanuit de kathedraal door het centrum van de stad via het pad de Bon-Ange in processie naar de kapel boven op de berg gedragen.

Romaanse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Vaison-la-Romaine


Apsis van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Vaison-la-Romaine


Apsis van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Vaison-la-Romaine


Een van de belangrijkste bezienswaardigheden van de kathedraal is de inrichting van de apsis uit de elfde eeuw. Geheel links in het midden van de foto zien we de opstap naar het altaar. Die opstap staat op een tegelvloer. Vanaf die tegelvloer voeren enkele treden naar beneden. Het trapje leidt naar een ruimte waar een Romeinse sarcofaag staat opgesteld. Die sarcofaag werd opgegraven op de begraafplaats van de kapel Saint-Quenin de Vaison-la-Romaine.

De rondbouw van de treden achter de sarcofaag is een sterk voorbeeld van romaanse architectuur die is geïnspireerd op een Romeins voorbeeld. In de trapsgewijs oplopende bogen herkennen we de in boogvorm opgestelde zitplaatsen van Romeinse arena’s die rondom het schouwtoneel waren gerangschikt. In het midden zien we de zetel voor de meest aanzienlijke persoon, in de Romeinse tijd de Romeinse keizer of de belangrijkste plaatselijke magistraat. Maar die plaats was in deze kerk niet gereserveerd voor een Romeinse keizer! Het is de cathedra, de zetel voor de bisschop die werd geflankeerd door de letterlijk lager geplaatste geestelijken.

De zuilen en de archivolten zijn ook hier weer Romeinse bouwelementen die in deze romaanse kerk opnieuw werden gebruikt.


De drie artikelen over de Romeinse en Romaanse kunst in de Provence overziend, denk ik dat u het wel een beetje met mij eens zal zijn dat we het Romaans mogen opvatten als een revival van het Romeins … Jantje is enthousiast geraakt! We gaan in september nog een keer die kant op en Har, dan gaan we ook naar Moissac!


264 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page